wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

LS2U3App124 V

Total questions: 68

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.
la personne
a)
de persoon
b)
zich verstoppen, verbergen
2.
l’objet (m)
a)
het voorwerp
b)
want
3.
le bâtiment
a)
het gebouw
b)
voor (plaats)
4.
le truc
a)
het ding
b)
vierkant
5.
la différence
a)
het verschil
b)
verlegen
6.
en bois
a)
van hout
b)
verboden (verbieden)
7.
en plastique
a)
van plastic
b)
vanaf
8.
en métal
a)
van metaal
b)
van stof
9.
lourd
a)
zwaar
b)
van plastic
10.
léger, légère
a)
licht
b)
van papier
11.
les cheveux (m pl)
a)
de haren
b)
van metaal
12.
les yeux (m pl)
a)
de ogen
b)
van hout
13.
la bouche
a)
de mond
b)
twijfelen
14.
la peau
a)
de huid
b)
slecht
15.
la forme
a)
de vorm
b)
rond
16.
rond
a)
rond
b)
plat
17.
carré
a)
vierkant
b)
persoonlijk
18.
la taille
a)
de maat
b)
overleven
19.
l’endroit (m)
a)
de plaats
b)
op onderzoek uitgaan naar
20.
le matériau
a)
de materiaalsoort
b)
op een dag
21.
la description
a)
de beschrijving
b)
ongelukkig
22.
la situation
a)
de situatie
b)
niemand
23.
en papier
a)
van papier
b)
moeite hebben met
24.
plat
a)
plat
b)
meten, lang zijn
25.
un endroit
a)
een plek
b)
licht
26.
décider
a)
beslissen
b)
jong
27.
ne ... personne
a)
niemand
b)
ingewikkeld
28.
partir à la recherche de
a)
op onderzoek uitgaan naar
b)
in goede gezondheid
29.
le danger
a)
het gevaar
b)
ik heb gezien (zien)
30.
aucun
a)
geen enkel
b)
hij zegt (zeggen)
31.
l’histoire (f)
a)
het verhaal
b)
hij hoort (horen)
32.
amusant
a)
grappig
b)
het voorwerp
33.
survivre
a)
overleven
b)
het verschil
34.
la vie
a)
het leven
b)
het verhaal
35.
un jour
a)
op een dag
b)
het leven
36.
un sourire
a)
een glimlach
b)
het gevaar
37.
compliqué
a)
ingewikkeld
b)
het gebouw
38.
il entend (entendre)
a)
hij hoort (horen)
b)
het einde
39.
recommander
a)
aanraden
b)
het ding
40.
malheureux, malheureuse
a)
ongelukkig
b)
grappig
41.
avoir du mal avec
a)
moeite hebben met
b)
gekruld
42.
car
a)
want
b)
geen enkel
43.
le personnage principal
a)
de hoofdpersoon
b)
een plek
44.
personnellement
a)
persoonlijk
b)
een glimlach
45.
timide
a)
verlegen
b)
duidelijk
46.
mauvais
a)
slecht
b)
de vorm
47.
la fin
a)
het einde
b)
de volgende keer
48.
mesurer
a)
meten, lang zijn
b)
de vacht
49.
en tissu
a)
van stof
b)
de tekenfilm
50.
interdit (interdire)
a)
verboden (verbieden)
b)
de staart
51.
à partir de
a)
vanaf
b)
de situatie
52.
il dit (dire)
a)
hij zegt (zeggen)
b)
de poot
53.
le propriétaire
a)
de eigenaar
b)
de plaats
54.
se cacher
a)
zich verstoppen, verbergen
b)
de persoon
55.
les poils (m pl)
a)
de vacht
b)
de ogen
56.
hésiter
a)
twijfelen
b)
de mond
57.
la patte
a)
de poot
b)
de materiaalsoort
58.
j’ai vu (voir)
a)
ik heb gezien (zien)
b)
de maat
59.
en bonne santé
a)
in goede gezondheid
b)
de keuze
60.
la queue
a)
de staart
b)
de ketting, de halsband
61.
la prochaine fois
a)
de volgende keer
b)
de huid
62.
jeune
a)
jong
b)
de hoofdpersoon
63.
le collier
a)
de ketting, de halsband
b)
de haren
64.
bouclé
a)
gekruld
b)
de eigenaar
65.
devant
a)
voor (plaats)
b)
de beschrijving
66.
le choix
a)
de keuze
b)
beslissen
67.
clairement
a)
duidelijk
b)
beschrijven
68.
le film d’animation
a)
de tekenfilm
b)
aanraden