wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema erfelijkheid en evolutie

Total questions: 20

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Waar bevindt de erfelijke informatie van je lichaam zich?

a)

in het celmembraan

b)

in de celkern

c)

In de mitochondriën

d)

In de ribosomen

2.

Wat is de functie van chromosomen?

a)

Ze bevatten de erfelijke informatie van een organisme

b)

Ze zorgen voor de aanmaak van energie in de cel

c)

Ze transporteren zuurstof in het bloed

d)

Ze maken eiwitten aan in de cel

3.

Wat is het genotype van een organisme?

a)

Alleen de zichtbare eigenschappen van een organisme

b)

De manier waarop leefstijl en omgeving de eigenschappen beïnvloeden

c)

Alle erfelijke eigenschappen die in het DNA vastliggen

d)

De eigenschappen die je van je moeder hebt geërfd

4.

Welk van de volgende eigenschappen hoort bij het fenotype?

a)

De genen die je van je ouders hebt geërfd

b)

De informatie in het DNA

c)

De kleur van je ogen

d)

De volgorde van de chromosomen

5.

Hoeveel chromosomen heeft een lichaamscel van een mens?

a)

33

b)

23

c)

42

d)

46

6.

Wat gebeurt er met het genotype als je je haar verft?

a)

Het genotype verandert mee

b)

Het genotype blijft hetzelfde

c)

De genen worden aangepast door de verf

d)

Het genotype wordt tijdelijk veranderd

7.

Het erfelijk materiaal in de celkern is opgeslagen in de vorm van (a)   .

8.

De stof waaruit chromosomen bestaan, heet (a)   .

9.

Het (a)   van een organisme is de complete set erfelijke eigenschappen die in het DNA ligt opgeslagen.

10.

Het fenotype wordt bepaald door het genotype, maar ook door __________ en __________.

(a)  

11.

Tijdens de (a)   worden chromosomen gekopieerd en doorgegeven aan dochtercellen.

12.

Een gen is een stukje (a)   dat informatie bevat voor een erfelijke eigenschap.

13.

De erfelijke eigenschappen die je van je ouders hebt gekregen, zijn vastgelegd in het (a)   .

14.

Iemand met aanleg voor spieropbouw heeft een genetische basis, maar moet trainen om spieren te ontwikkelen. Dit is een voorbeeld van de invloed van (a)   op het fenotype.

15.

Wat gebeurt er met het fenotype als je veel in de zon zit?

a)

Het fenotype verandert, het genotype blijft hetzelfde.

b)

Het genotype verandert, het fenotype blijft hetzelfde.

c)

Zowel het genotype als het fenotype veranderen.

d)

Er verandert niets.

16.

Een jongen heeft krullend haar, net als zijn moeder. Wat zegt dit over zijn erfelijke eigenschappen?

a)

Hij heeft deze eigenschap alleen door leefstijl gekregen.

b)

Zijn vader moet ook krullend haar hebben.

c)

Hij heeft de informatie voor krullend haar in zijn genotype.

d)

Zijn chromosomen bevatten geen informatie over haartype.

17.

Wat is een voorbeeld van een eigenschap die volledig door het genotype wordt bepaald?

a)

Haarkleur

b)

littekens

c)

spiermassa

d)

gewicht

18.

Het uiterlijk van een persoon wordt bepaald door het (a)   en externe factoren.

19.

Een eeneiige tweeling heeft exact hetzelfde __________, maar kan toch een verschillend __________ hebben door omgevingsinvloeden.

(a)  

20.

Welke bewering over celdeling is juist?

a)

Bij celdeling krijgt de nieuwe cel een willekeurige set chromosomen.

b)

Elke nieuwe lichaamscel krijgt exact dezelfde erfelijke informatie.

c)

Chromosomen worden niet gekopieerd bij celdeling.

d)

Celdeling vindt alleen plaats in spieren en botten.