Font size
WorksheetsHerhalingsquiz trimester 2
Total questions: 65
Worksheet time: 42mins
Wat is de persoonsvorm in de onderstaande zin?
Yasmine uit Humbeek gaat te paard naar school.
Yasmine uit Humbeek
gaat
te paard
naar school.
Wat is de persoonsvorm in de onderstaande zin?
Haar bus komt regelmatig niet opdagen.
Haar bus
komt
regelmatig
niet opdagen.
Wat is de persoonsvorm in de onderstaande zin?
De Lijn erkent het probleem.
De Lijn
erkent
het
probleem.
Wat is de persoonsvorm in de onderstaande zin?
Elke week worden bussen geschrapt.
Elke week
worden
bussen
geschrapt.
Wat is de persoonsvorm in de onderstaande zin?
Veel chauffeurs gingen met pensioen.
Veel chauffeurs
gingen
met pensioen.
Wat is het onderwerp in de onderstaande zin?
In ons land vind je in elk gebouw een toilet.
In ons land
vind
je
in elk gebouw
een toilet.
Wat is het onderwerp in de onderstaande zin?
Dat is niet overal zo.
Dat
is
niet overal
zo.
Wat is het onderwerp in de onderstaande zin?
Niet in alle landen is stromend water beschikbaar.
Niet in alle landen
is
stromend water
beschikbaar.
Wat is het onderwerp in de onderstaande zin?
In sommigen landen gaan mensen aan de kant van de weg naar het toilet.
In sommige landen
gaan
mensen
aan de kant van de weg
naar het toilet.
Wat is het onderwerp in de onderstaande zin?
Een slechte hygiëne veroorzaakt ziektes.
Een slechte hygiëne
veroorzaakt
ziektes.
Noteer de stam van het onderstreepte werkwoord.
Ik doe mijn best om niet te verdwalen.
(a)
Noteer de stam van het onderstreepte werkwoord.
Volgende maand verhuizen we naar onze nieuwe woning.
(a)
Noteer de stam van het onderstreepte werkwoord.
Je kunt je doel bereiken.
(a)
Noteer de stam van het onderstreepte werkwoord.
De kleuters zitten op hun juf te wachten.
(a)
Noteer de stam van het onderstreepte werkwoord.
Je durft weer echt te leven.
(a)
Schrijf de juiste vorm van het werkwoord tussen de haakjes. Houd rekening met het onderstreepte onderwerp van de zin.
Waarom (lachen) die leerling zijn klasgenoot uit?
(a)
Schrijf de juiste vorm van het werkwoord tussen de haakjes. Houd rekening met het onderstreepte onderwerp van de zin.
De garagepoort (kantelen) niet meer zo soepel als vroeger.
(a)
Schrijf de juiste vorm van het werkwoord tussen de haakjes. Houd rekening met het onderstreepte onderwerp van de zin.
Waarom (concentreren) je je niet?
(a)
Schrijf de juiste vorm van het werkwoord tussen de haakjes. Houd rekening met het onderstreepte onderwerp van de zin.
Ik (beantwoorden) elk bericht onmiddellijk.
(a)
Schrijf de juiste vorm van het werkwoord tussen de haakjes. Houd rekening met het onderstreepte onderwerp van de zin.
De bokser (slaan) zijn tegenstander tegen de grond.
(a)
Schrijf de juiste vorm van het werkwoord tussen de haakjes. Houd rekening met het onderstreepte onderwerp van de zin.
Sinds onze ruzie vorige week (mijden) mijn beste vriend me.
(a)
Vervoeg het onregelmatige werkwoord.
zijn
Ik ...
(a)
Vervoeg het onregelmatige werkwoord.
hebben
Een tiener ...
(a)
Vervoeg het onregelmatige werkwoord.
kunnen
Hij ...
(a)
Vervoeg het onregelmatige werkwoord.
zullen
Mijn grootmoeder ...
(a)
Vervoeg het onregelmatige werkwoord.
willen
De leerlingen ...
(a)
Vervoeg het onregelmatige werkwoord.
zijn
Mijn hond ...
(a)
Vervoeg het onregelmatige werkwoord.
mogen
De crimineel ...
(a)
Vervoeg het onregelmatige werkwoord.
zullen
De wetenschappers ...
(a)
Is dit een zelfstandig naamwoord?
verschil
zelfstandig naamwoord
geen zelfstandig naamwoord
Is dit een zelfstandig naamwoord?
gedachte
zelfstandig naamwoord
geen zelfstandig naamwoord
Is dit een zelfstandig naamwoord?
boekenschrijfster
zelfstandig naamwoord
geen zelfstandig naamwoord
Is dit een zelfstandig naamwoord?
kikker
zelfstandig naamwoord
geen zelfstandig naamwoord
Is dit een zelfstandig naamwoord?
maar
zelfstandig naamwoord
geen zelfstandig naamwoord
Is dit een zelfstandig naamwoord?
leuk
zelfstandig naamwoord
geen zelfstandig naamwoord
Is dit een zelfstandig naamwoord?
maanlicht
zelfstandig naamwoord
geen zelfstandig naamwoord
Is dit een zelfstandig naamwoord?
lekker
zelfstandig naamwoord
geen zelfstandig naamwoord
Is dit een zelfstandig naamwoord?
stoer
zelfstandig naamwoord
geen zelfstandig naamwoord
Is dit een zelfstandig naamwoord?
jeuk
zelfstandig naamwoord
geen zelfstandig naamwoord
Is dit een zelfstandig naamwoord?
hebben
zelfstandig naamwoord
geen zelfstandig naamwoord
In welke categorie hoort dit zelfstandig naamwoord?
geluk
een ding dat je kan aanraken
een ding dat je niet kan aanraken
een dier
een persoon
In welke categorie hoort dit zelfstandig naamwoord?
de hond Max
een ding dat je kan aanraken
een ding dat je niet kan aanraken
een dier
een persoon
In welke categorie hoort dit zelfstandig naamwoord?
ruzie
een ding dat je kan aanraken
een ding dat je niet kan aanraken
een dier
een persoon
In welke categorie hoort dit zelfstandig naamwoord?
muzikant
een ding dat je kan aanraken
een ding dat je niet kan aanraken
een dier
een persoon
In welke categorie hoort dit zelfstandig naamwoord?
eettafel
een ding dat je kan aanraken
een ding dat je niet kan aanraken
een dier
een persoon
Is dit zelfstandig naamwoord een de-woord of een het-woord?
job
de
het
Is dit zelfstandig naamwoord een de-woord of een het-woord?
hotel
de
het
Is dit zelfstandig naamwoord een de-woord of een het-woord?
campagne
de
het
Is dit zelfstandig naamwoord een de-woord of een het-woord?
resultaat
de
het
Is dit zelfstandig naamwoord een de-woord of een het-woord?
periode
de
het
Is dit zelfstandig naamwoord een de-woord of een het-woord?
talenkennis
de
het
Is dit zelfstandig naamwoord een de-woord of een het-woord?
contract
de
het
Is dit zelfstandig naamwoord een de-woord of een het-woord?
park
de
het
Is dit zelfstandig naamwoord een de-woord of een het-woord?
onthaal
de
het
Vervang het onderwerp door hij, zij of het.
De sportman komt als eerste over de streep.
hij
zij
het
Vervang het onderwerp door hij, zij of het.
De tennisster sloeg de bal mis.
hij
zij
het
Vervang het onderwerp door hij, zij of het.
De schooljuffrouw werd mama van een zoontje.
hij
zij
het
Vervang het onderwerp door hij, zij of het.
Het gemis van mijn overleden huisdier wordt elke dag groter.
hij
zij
het
Vervang het onderwerp door hij, zij of het.
Meneer Thijs gaf een opdracht tijdens de les L.O. .
hij
zij
het
Vervang het onderwerp door hij, zij of het.
Het kind ging op tijd naar bed.
hij
zij
het
Zijn de volgende zinnen letterlijk of figuurlijk bedoeld?
Mijn vader is een boom van een vent.
letterlijk
figuurlijk
Zijn de volgende zinnen letterlijk of figuurlijk bedoeld?
De kapster zat met de handen in het haar omdat ze de haren van de klant waste.
letterlijk
figuurlijk
Zijn de volgende zinnen letterlijk of figuurlijk bedoeld?
Het kind draagt met zijn emmertje water naar de zee.
letterlijk
figuurlijk
Zijn de volgende zinnen letterlijk of figuurlijk bedoeld?
De leraar kookte van woede toen we niet aan het opletten waren.
letterlijk
figuurlijk
Zijn de volgende zinnen letterlijk of figuurlijk bedoeld?
Elke keer als zijn die leuke jongen ziet, krijgt ze vlinders in de buik.
letterlijk
figuurlijk
