wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhalingsquiz trimester 2

Total questions: 65

Worksheet time: 42mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de persoonsvorm in de onderstaande zin?

Yasmine uit Humbeek gaat te paard naar school.

a)

Yasmine uit Humbeek

b)

gaat

c)

te paard

d)

naar school.

2.

Wat is de persoonsvorm in de onderstaande zin?

Haar bus komt regelmatig niet opdagen.

a)

Haar bus

b)

komt

c)

regelmatig

d)

niet opdagen.

3.

Wat is de persoonsvorm in de onderstaande zin?

De Lijn erkent het probleem.

a)

De Lijn

b)

erkent

c)

het

d)

probleem.

4.

Wat is de persoonsvorm in de onderstaande zin?

Elke week worden bussen geschrapt.

a)

Elke week

b)

worden

c)

bussen

d)

geschrapt.

5.

Wat is de persoonsvorm in de onderstaande zin?

Veel chauffeurs gingen met pensioen.

a)

Veel chauffeurs

b)

gingen

c)

met pensioen.

6.

Wat is het onderwerp in de onderstaande zin?

In ons land vind je in elk gebouw een toilet.

a)

In ons land

b)

vind

c)

je

d)

in elk gebouw

e)

een toilet.

7.

Wat is het onderwerp in de onderstaande zin?

Dat is niet overal zo.

a)

Dat

b)

is

c)

niet overal

d)

zo.

8.

Wat is het onderwerp in de onderstaande zin?

Niet in alle landen is stromend water beschikbaar.

a)

Niet in alle landen

b)

is

c)

stromend water

d)

beschikbaar.

9.

Wat is het onderwerp in de onderstaande zin?

In sommigen landen gaan mensen aan de kant van de weg naar het toilet.

a)

In sommige landen

b)

gaan

c)

mensen

d)

aan de kant van de weg

e)

naar het toilet.

10.

Wat is het onderwerp in de onderstaande zin?

Een slechte hygiëne veroorzaakt ziektes.

a)

Een slechte hygiëne

b)

veroorzaakt

c)

ziektes.

11.

Noteer de stam van het onderstreepte werkwoord.

Ik doe mijn best om niet te verdwalen.

(a)  

12.

Noteer de stam van het onderstreepte werkwoord.

Volgende maand verhuizen we naar onze nieuwe woning.

(a)  

13.

Noteer de stam van het onderstreepte werkwoord.

Je kunt je doel bereiken.

(a)  

14.

Noteer de stam van het onderstreepte werkwoord.

De kleuters zitten op hun juf te wachten.

(a)  

15.

Noteer de stam van het onderstreepte werkwoord.

Je durft weer echt te leven.

(a)  

16.

Schrijf de juiste vorm van het werkwoord tussen de haakjes. Houd rekening met het onderstreepte onderwerp van de zin.

Waarom (lachen) die leerling zijn klasgenoot uit?

(a)  

17.

Schrijf de juiste vorm van het werkwoord tussen de haakjes. Houd rekening met het onderstreepte onderwerp van de zin.

De garagepoort (kantelen) niet meer zo soepel als vroeger.

(a)  

18.

Schrijf de juiste vorm van het werkwoord tussen de haakjes. Houd rekening met het onderstreepte onderwerp van de zin.

Waarom (concentreren) je je niet?

(a)  

19.

Schrijf de juiste vorm van het werkwoord tussen de haakjes. Houd rekening met het onderstreepte onderwerp van de zin.

Ik (beantwoorden) elk bericht onmiddellijk.

(a)  

20.

Schrijf de juiste vorm van het werkwoord tussen de haakjes. Houd rekening met het onderstreepte onderwerp van de zin.

De bokser (slaan) zijn tegenstander tegen de grond.

(a)  

21.

Schrijf de juiste vorm van het werkwoord tussen de haakjes. Houd rekening met het onderstreepte onderwerp van de zin.

Sinds onze ruzie vorige week (mijden) mijn beste vriend me.

(a)  

22.

Vervoeg het onregelmatige werkwoord.

zijn

Ik ...

(a)  

23.

Vervoeg het onregelmatige werkwoord.

hebben

Een tiener ...

(a)  

24.

Vervoeg het onregelmatige werkwoord.

kunnen

Hij ...

(a)  

25.

Vervoeg het onregelmatige werkwoord.

zullen

Mijn grootmoeder ...

(a)  

26.

Vervoeg het onregelmatige werkwoord.

willen

De leerlingen ...

(a)  

27.

Vervoeg het onregelmatige werkwoord.

zijn

Mijn hond ...

(a)  

28.

Vervoeg het onregelmatige werkwoord.

mogen

De crimineel ...

(a)  

29.

Vervoeg het onregelmatige werkwoord.

zullen

De wetenschappers ...

(a)  

30.

Is dit een zelfstandig naamwoord?

verschil

a)

zelfstandig naamwoord

b)

geen zelfstandig naamwoord

31.

Is dit een zelfstandig naamwoord?

gedachte

a)

zelfstandig naamwoord

b)

geen zelfstandig naamwoord

32.

Is dit een zelfstandig naamwoord?

boekenschrijfster

a)

zelfstandig naamwoord

b)

geen zelfstandig naamwoord

33.

Is dit een zelfstandig naamwoord?

kikker

a)

zelfstandig naamwoord

b)

geen zelfstandig naamwoord

34.

Is dit een zelfstandig naamwoord?

maar

a)

zelfstandig naamwoord

b)

geen zelfstandig naamwoord

35.

Is dit een zelfstandig naamwoord?

leuk

a)

zelfstandig naamwoord

b)

geen zelfstandig naamwoord

36.

Is dit een zelfstandig naamwoord?

maanlicht

a)

zelfstandig naamwoord

b)

geen zelfstandig naamwoord

37.

Is dit een zelfstandig naamwoord?

lekker

a)

zelfstandig naamwoord

b)

geen zelfstandig naamwoord

38.

Is dit een zelfstandig naamwoord?

stoer

a)

zelfstandig naamwoord

b)

geen zelfstandig naamwoord

39.

Is dit een zelfstandig naamwoord?

jeuk

a)

zelfstandig naamwoord

b)

geen zelfstandig naamwoord

40.

Is dit een zelfstandig naamwoord?

hebben

a)

zelfstandig naamwoord

b)

geen zelfstandig naamwoord

41.

In welke categorie hoort dit zelfstandig naamwoord?

geluk

a)

een ding dat je kan aanraken

b)

een ding dat je niet kan aanraken

c)

een dier

d)

een persoon

42.

In welke categorie hoort dit zelfstandig naamwoord?

de hond Max

a)

een ding dat je kan aanraken

b)

een ding dat je niet kan aanraken

c)

een dier

d)

een persoon

43.

In welke categorie hoort dit zelfstandig naamwoord?

ruzie

a)

een ding dat je kan aanraken

b)

een ding dat je niet kan aanraken

c)

een dier

d)

een persoon

44.

In welke categorie hoort dit zelfstandig naamwoord?

muzikant

a)

een ding dat je kan aanraken

b)

een ding dat je niet kan aanraken

c)

een dier

d)

een persoon

45.

In welke categorie hoort dit zelfstandig naamwoord?

eettafel

a)

een ding dat je kan aanraken

b)

een ding dat je niet kan aanraken

c)

een dier

d)

een persoon

46.

Is dit zelfstandig naamwoord een de-woord of een het-woord?

job

a)

de

b)

het

47.

Is dit zelfstandig naamwoord een de-woord of een het-woord?

hotel

a)

de

b)

het

48.

Is dit zelfstandig naamwoord een de-woord of een het-woord?

campagne

a)

de

b)

het

49.

Is dit zelfstandig naamwoord een de-woord of een het-woord?

resultaat

a)

de

b)

het

50.

Is dit zelfstandig naamwoord een de-woord of een het-woord?

periode

a)

de

b)

het

51.

Is dit zelfstandig naamwoord een de-woord of een het-woord?

talenkennis

a)

de

b)

het

52.

Is dit zelfstandig naamwoord een de-woord of een het-woord?

contract

a)

de

b)

het

53.

Is dit zelfstandig naamwoord een de-woord of een het-woord?

park

a)

de

b)

het

54.

Is dit zelfstandig naamwoord een de-woord of een het-woord?

onthaal

a)

de

b)

het

55.

Vervang het onderwerp door hij, zij of het.

De sportman komt als eerste over de streep.

a)

hij

b)

zij

c)

het

56.

Vervang het onderwerp door hij, zij of het.

De tennisster sloeg de bal mis.

a)

hij

b)

zij

c)

het

57.

Vervang het onderwerp door hij, zij of het.

De schooljuffrouw werd mama van een zoontje.

a)

hij

b)

zij

c)

het

58.

Vervang het onderwerp door hij, zij of het.

Het gemis van mijn overleden huisdier wordt elke dag groter.

a)

hij

b)

zij

c)

het

59.

Vervang het onderwerp door hij, zij of het.

Meneer Thijs gaf een opdracht tijdens de les L.O. .

a)

hij

b)

zij

c)

het

60.

Vervang het onderwerp door hij, zij of het.

Het kind ging op tijd naar bed.

a)

hij

b)

zij

c)

het

61.

Zijn de volgende zinnen letterlijk of figuurlijk bedoeld?

Mijn vader is een boom van een vent.

a)

letterlijk

b)

figuurlijk

62.

Zijn de volgende zinnen letterlijk of figuurlijk bedoeld?

De kapster zat met de handen in het haar omdat ze de haren van de klant waste.

a)

letterlijk

b)

figuurlijk

63.

Zijn de volgende zinnen letterlijk of figuurlijk bedoeld?

Het kind draagt met zijn emmertje water naar de zee.

a)

letterlijk

b)

figuurlijk

64.

Zijn de volgende zinnen letterlijk of figuurlijk bedoeld?

De leraar kookte van woede toen we niet aan het opletten waren.

a)

letterlijk

b)

figuurlijk

65.

Zijn de volgende zinnen letterlijk of figuurlijk bedoeld?

Elke keer als zijn die leuke jongen ziet, krijgt ze vlinders in de buik.

a)

letterlijk

b)

figuurlijk