wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H5 grammatica zinsdelen

Total questions: 27

Worksheet time: 26mins

Name
Class
Date
1.

Het gezegde vind je door alle werkwoorden in de zin op te zoeken.

a)

Juist

b)

Onjuist

2.

De persoonsvorm vind je door de zin in een andere tijd te zetten.

a)

Juist

b)

Onjuist

3.
De bange jongen / hoorde / een vreemd geluid / op de zolder van het huis.
a)
Goed verdeeld
b)
Fout verdeeld
4.
De antieke televisie van mijn ouders / is / nu / helemaal kapot.
a)
Goed verdeeld
b)
Fout verdeeld
5.
Met veel inspanning / kon / de keeper van het voetbalelftal / een doelpunt  voorkomen.
a)
Goed verdeeld
b)
Fout verdeeld
6.
Wat is waar?
a)
Een zinsdeel bestaat altijd uit één woord.
b)
Een zinsdeel bestaat altijd uit minstens twee woorden.
c)
Een zinsdeel kan uit één of meerdere woorden bestaan.
7.

Wat is de pv: Gisteren overstroomde de rivier compleet.

a)

gisteren

b)

de rivier

c)

compleet

d)

overstroomde

8.

Wat is de pv: Ik ben gestruikeld over het snoer van mijn laptop.

a)

het snoer

b)

ik

c)

ben

d)

ben gestruikeld

9.
Zoek het onderwerp in deze zin.
Harry Potter gaat voor het eerst naar Zweinstein.
a)
Harry Potter
b)
Zweinstein
c)
gaat
d)
eerst
10.
Zoek in deze zin het onderwerp.
De uil bezorgt een brief.
a)
een brief
b)
de uil
c)
bezorgt
d)
een
11.
Zoek het onderwerp en de persoonsvorm in deze zin.
Volgens mij is het neefje van Harry een gemene pestkop.
a)
Harry / gemene pestkop
b)
het neefje van Harry / is
c)
mij / is
d)
is / gemene pestkop
12.

tt en vt zijn afkortingen voor

a)

totdat en voordat

b)

tegenwoordige tijd en verleden tijd

13.

Als je de tijd in een zin verandert, verander je......

a)

het onderwerp

b)

de persoonsvorm

14.

Met de tijdproef ....

a)

zet je de persoonsvorm in een andere tijd.

b)

maak je meervoud.

15.
  1. Emma installeert een app op haar telefoon.
  2. Emma installeerde een nieuwe app op haar telefoon.


Kies het antwoord dat klopt:

a)

Zin 1 en 2 zijn allebei tegenwoordige tijd.

b)

Zin 1 en 2 zijn allebei verleden tijd.

c)

Zin 1 is tegenwoordige tijd, zin 2 is verleden tijd.

d)

Zin 1 is verleden tijd, zin 2 is tegenwoordige tijd.

16.

Zin: Mijn vader luistert naar muziek.

Als je de tijdproef doet, krijg je:

a)

Mijn vader luistert niet naar muziek.

b)

Mijn vader luisterde naar muziek.

c)

Mijn vader luistert naar muziek.

17.

Zin: De hond gaf een poot.


Als je de tijdproef doet, krijg je:

a)

De kat gaf een poot.

b)

De hond gaf pootjes.

c)

De hond geeft een poot.

18.

Wat is in deze zin het lijdend voorwerp (LV)?

'Als ik thuis ben, ga ik een tosti maken.'

a)

ik

b)

thuis

c)

een tosti

d)

maken

19.

Wat is in deze zin het lijdend voorwerp (LV)?

'Zij liet het estafettestokje bijna vallen.''

a)

Zij

b)

estafettestokje

c)

het estafettestokje

d)

vallen

20.

Wat is in deze zin het lijdend voorwerp (LV)?

'Plotseling hoorden we een hoge pieptoon.'

a)

plotseling

b)

hoorden

c)

pieptoon

d)

een hoge pieptoon

21.

Wat is het LV in deze zin?


Jens kreeg veel cadeautjes voor zijn verjaardag.

a)

Jens

b)

Voor zijn verjaardag

c)

Cadeautjes

d)

Veel cadeautjes

22.
Het onderstreepte zinsdeel is ......
a)
gezegde
b)
onderwerp
c)
lijdend voorwerp
d)
persoonsvorm
23.
Het onderstreepte zinsdeel is ......
a)
onderwerp
b)
persoonsvorm
c)
gezegde
d)
lijdend voorwerp
24.

Wat is het wg in de volgende zin?

De dames zien ons wel zitten.

a)

zien

b)

zitten

c)

zien zitten

d)

zien ons wel zitten

25.

Wat is het wg van de volgende zin?

Gisteren waren we pas om 11 uur aangekleed.

a)

gisteren

b)

we

c)

waren

d)

waren aangekleed

26.

Wat is het wwg: Hij heeft de hele avond televisie gekeken.

a)

heeft televisie gekeken

b)

heeft gekeken

c)

televisie gekeken

27.

Wat is het wwg: Volgens de buren staat het geluid wel erg hard.

a)

staat

b)

het geluid

c)

staat erg hard