wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

V5 l MRS l De Verenigde Staten

Total questions: 51

Worksheet time: 27mins

Name
Class
Date
1.

Wat zijn de oorspronkelijke bewoners van Amerika die minstens 15.000 jaar in dit gebied leven?

a)

Native americans (verschillende stammen)

b)

Fransen

c)

Vikingen (Noormannen)

d)

Engelsen

2.

Welke Europese volkeren zijn via Europese expansie in Amerika beland? Meerdere antwoorden zijn mogelijk.

a)

Vikingen

(rond het jaar 1000)

b)

Spanjaarden

(rond 1500)

c)

Nederlanders, Engelsen en Fransen (rond 1600)

d)

Duitsers

(rond 1700)

3.

Hoeveel koloniën had Engeland aan de oostkust van Noord-Amerika?

a)

Tien

b)

Dertien

c)

Elf

d)

Twaalf

4.

Hoeveel Europese kolonisten woonden in Noord-Amerika rond 1775?

a)

half miljoen mensen

b)

2,5 miljoen mensen

c)

10 miljoen mensen

d)

honderdduizend mensen

5.

Wat namen de Europese kolonisten in de achttiende eeuw over uit Europa?

a)

Idealen (ideeën) van de Verlichting

b)

De Industriële Revolutie

c)

Het feodalisme

d)

Wetenschap (uit de wetenschappelijke revolutie)

6.

Waarom kwamen Amerikanen (met Europese roots) in opstand tegen het moederland Engeland?

a)

De Amerikanen willen de Engelse belastingen omlaag.

b)

De Amerikanen willen politieke vertegenwoordiging in het Engels parlement.

c)

De Amerikanen schamen zich voor Engeland.

d)

De Amerikanen willen ook op werkkamp naar Praag (= mooi weer) in plaats van naar de Ardennen (= slecht weer)

7.

In welke periode vond de Amerikaanse Revolutie plaats? Oftewel: de onafhankelijkheidsoorlog tussen de Amerikanen (met Europese roots) en moederland Engeland?

a)
1783 tot 1790
b)
1775 tot 1783
c)
1765 tot 1771
d)
1770 tot 1775
8.

In welk jaar roepen de dertien koloniën de Verenigde Staten van Amerika uit?

a)
1791
b)
1776
c)
1783
d)
1765
9.

Waarom duurt de Amerikaanse Revolutie nog tot 1783 terwijl in 1776 al de Verenigde Staten van Amerika worden uitgeroepen?

a)
De Verenigde Staten werden in 1776 onafhankelijk zonder verdere conflicten.
b)

De Amerikaanse Revolutie duurde tot 1783 vanwege een burgeroorlog tussen zuid en noord.

c)

Het doel van onafhankelijkheid was bereikt, maar de formele erkenning door Engeland was pas in 1783.

d)
De Amerikaanse Revolutie eindigde in 1776 met de ondertekening van de grondwet.
10.

Waardoor konden de Verenigde Staten rond 1900 het grootste industrieland ter wereld worden?

Meerdere antwoorden zijn juist.

a)

Dankzij de aanwezigheid van essentiële grondstoffen (olie, steenkool, ijzer)

b)

Dankzij de eigen uitvinding van de stoommachine.

c)

Dankzij de eindeloze stroom goedkope arbeiders (migranten)

d)

Dankzij sociale wetten voor arbeiders die hierdoor massaal naar de VS kwamen

11.

Welke twee ontwikkelingen zorgden ervoor dat vanaf de 19e eeuw in de VS een nationale markt/economie tot stand kwam?

a)

Door het aanleggen van spoorwegen

b)

Eén gezamenlijke munt (dollar)

c)

Door het gevoel van nationale saamhorigheid (één Amerikaans volk)

d)

Door nieuwe communicatiemiddelen (telegraaf, telefoon)

12.

Kies de juiste omschrijving van het begrip:

kartels

a)
Economische kartels zijn altijd legaal.
b)
Economische kartels bevorderen concurrentie tussen bedrijven.
c)
Economische kartels zijn alleen van toepassing op overheidsinstanties.
d)

Economische kartels zijn geheime afspraken tussen bedrijven die de concurrentie beperken.

13.

Kies de juiste omschrijving van het begrip:

trusts

a)
Trusts zijn alleen voor bedrijven en niet voor particulieren.
b)
Trusts zijn alleen van toepassing op onroerend goed.
c)

Trusts zijn samengevoegde bedrijven, waardoor grote bedrijven nu de markt beheersen (machtsconcentraties)

d)

Trusts zijn altijd belastingvrij en daardoor economisch heel voordelig voor de consument.

14.

Wat betekent het begrip: isolationisme?

a)
Isolationisme betekent het bevorderen van internationale samenwerking.
b)

Isolationisme betekent dat je zo min mogelijk met de buitenwereld bemoeit.

c)
Isolationisme verwijst naar het versterken van militaire allianties.
d)
Isolationisme houdt in dat landen hun grenzen openen voor immigratie.
15.

Wat betekent de Manifest Destiny?

a)
De Manifest Destiny betekent de afwijzing van territoriale expansie.
b)
De Manifest Destiny betekent de overtuiging dat de VS het recht en de plicht hadden om zich uit te breiden over het hele Noord-Amerikaanse continent.
c)
De Manifest Destiny verwijst naar een soort muziekstijl.
d)
De Manifest Destiny is een politieke partij in de VS.
16.

Wat betekent modern imperialisme?

a)
Het is de vermindering van invloed van landen over andere gebieden.
b)
Het is de terugtrekking van landen uit andere gebieden.
c)
Het is de samenwerking tussen landen zonder controle.
d)
Het is de uitbreiding van invloed en controle van landen over andere gebieden.
17.

Welk economisch motief hadden de VS om het isolationisme los te laten?

a)

De behoefte aan nieuwe markten in het buitenland te openen, te beschermen en te overheersen.

b)
De ambitie om een wereldwijde politieke macht te worden.
c)
De noodzaak om buitenlandse schulden te verlagen.
d)
De wens om militaire bases wereldwijd uit te breiden.
18.

Welk politiek motief hadden de VS om het isolationisme los te laten?

a)
De VS wilden hun militaire macht verminderen.
b)
De VS streefden naar volledige neutraliteit in wereldconflicten.
c)
De VS waren bang voor economische sancties van andere landen.
d)

De VS wilden hun Amerikaanse macht vergroten

19.

Welk ideologisch motief hadden de VS om het isolationisme los te laten?

a)

De ideologische motivatie was het verlangen om Amerikaanse principes, zoals ondernemersvrijheid en democratie , overal te laten gelden

b)
De ideologie was gebaseerd op militaire expansie.
c)

De VS streefden naar dominantie over andere landen.

d)
De VS wilden hun economische belangen beschermen.
20.

Wie was Matthew Perry?

a)

Een admiraal die in 1853-1854 handelsrechten afdwong bij het Japanse keizerrijk.

b)

Matthew Perry was een president uit de 19e eeuw.

c)

Matthew Perry was een oliemagnaat en een duidelijk voorbeeld van iemand die een trust leidde.

d)

Matthew Perry was leider van de noordelijke staten in de Amerikaanse burgerloorlog.

21.

Wanneer werd Hawaï bezet door de marine van de Verenigde Staten?

a)

1893

b)

1898

c)

1900

d)

1899

22.

Cuba werd een Amerikaans protectoraat. Wat betekent dit?

a)
Cuba was een kolonie van Spanje zonder enige Amerikaanse betrokkenheid.
b)

Cuba was onder Amerikaanse controle, maar officieel nog onafhankelijk

c)
Cuba had geen invloed van de Verenigde Staten.
d)
Cuba was volledig onafhankelijk van de Verenigde Staten.
23.

Waarom stuurden de VS een oorlogsvloot die hulp bood aan Panamese rebellen?

a)
Om de Panamese rebellen te ondersteunen in hun strijd voor onafhankelijkheid.
b)
Om de rebellen te straffen voor hun acties.
c)
Om de handel in de regio te beschermen.
d)
Om de Panamese regering te destabiliseren.
24.

Welke belangen hadden de VS om zich rond 1900 met Panama te bemoeien?

a)
De VS wilden de Panamese cultuur beschermen.
b)
De VS waren geïnteresseerd in de olievoorraden van Panama.
c)
De VS wilden de Panamese economie volledig overnemen.
d)
De VS wilden invloed uitoefenen op de bouw van het Panamakanaal en hun strategische positie in de regio versterken.
25.

Wat betekent de Amerikaanse Open Door Policy?

a)

Het betekent dat de VS streven naar vrij toegankelijke markten in Azië en andere delen van de wereld.

b)
Het betekent dat de VS alleen met Europese landen handelsverdragen wilden sluiten.
c)
Het betekent dat de VS geen invloed wilden uitoefenen op China.
d)
Het betekent dat de VS de Chinese markt voor zichzelf wilden reserveren.
26.

Waardoor namen de spanningen tussen de VS en Duitsland in 1915 toe?

a)

De onbeperkte duikbotenoorlog van Duitsland en de zinking van de Lusitania.

b)
De diplomatieke onderhandelingen tussen de VS en Duitsland.
c)
De toetreding van Duitsland tot de Geallieerden.
d)
De economische sancties van de VS tegen Duitsland.
27.

Wat betekende de onbeperkte duikbotenoorlog voor de VS, die Duitsland gedurende de Eerste Wereldoorlog in februari 1917 afnam?

a)
De onbeperkte duikbotenoorlog leidde tot een vreedzaam verdrag met Duitsland.
b)

Alle schepen rondom Groot-Brittannië, óók Amerikaanse schepen, zouden worden getorpedeerd.

c)

De VS kregen als neutrale staat een aparte status; Duitsland viel geen Amerikaanse schepen aan.

d)
De onbeperkte duikbotenoorlog had geen invloed op de Amerikaanse economie.
28.

Wat hield de telegram van Zimmermann (1917) in?

a)

In deze telegram bood Duitsland aan Mexico aan een alliantie tegen de Verenigde Staten.

b)
De telegram vroeg Mexico om hulp tegen Duitsland.
c)

In deze telegram bood Duitsland aan Canada een alliantie aan tegen de Verenigde Staten.

d)
De telegram kondigde de oorlog aan aan Mexico.
29.

Wat betekent 'Red Scare'?

a)
Een periode van angst voor communisme in de VS.
b)
Een militaire strategie tegen communistische landen.
c)
Een periode van economische groei in de VS.
d)
Een culturele beweging voor sociale gelijkheid.
30.

Wat is een goed voorbeeld van rationalisatie in de Amerikaanse economie vanaf de jaren 1920?

a)

De ontwikkeling van de computertechnologie.

b)

De opkomst van massaproductie in de auto-industrie dankzij de lopende band.

c)

De introductie van de sociale zekerheid.

d)

De groei van de dienstensector.

31.

Wat versterkte de massaconsumptie in de VS vanaf de jaren 1920?

a)

De opkomst van reclames en kredietverlening.

b)
De vermindering van internationale handel.
c)

De daling van de werkloosheid.

d)
De afname van lokale ambachten.
32.

Het oude kapitalisme (crisis, werkloosheid, uitbuiting) verdwijnt en in de plaats komt het nieuwe kapitalisme (welvaart voor iedereen, goede arbeidsomstandigheden). Welk begrip hoort hierbij?

a)

Social Capitalism

b)

New Capitalism

c)

Liberal Capitalism

d)

Neoliberal Capitalism

33.

Welke president is tegen overheidsingrijpen gedurende de Grote Depressie?

a)
Herbert Hoover
b)
Calvin Coolidge
c)
Harry S. Truman
d)
Franklin D. Roosevelt
34.

In oktober 1929 gaat het in de VS gigantisch mis, vanwege....

a)
de Tweede Wereldoorlog
b)
de beurskrach
c)
de oliecrisis
d)
de wereldwijde recessie
35.

De New Deal staat voor:

a)
Een reeks programma's en beleidsmaatregelen om de gevolgen van de Grote Depressie te bestrijden.
b)
Een plan om de economie te nationaliseren.
c)
Een strategie om de oorlog te financieren.
d)
Een programma voor belastingverlagingen voor de rijken.
36.

Zakenlieden zijn tegen de New Deal van Roosevelt, omdat:

a)

Zakenlieden zijn tegen de New Deal omdat ze vreesden voor hogere belastingen en te veel overheidsbemoeienis.

b)

Zakenlieden geloven dat de New Deal de overheid minder sterk maakt.

c)
Zakenlieden zijn voor hogere belastingen om de economie te stimuleren.
d)

Zakenlieden steunen de New Deal niet omdat het geen banen creëert.

37.

Roosevelt krijgt met zijn New Deal weerstand van het Hooggerechtshof, want:

a)

Het Hooggerechtshof vond dat met de New Deal maatregelen de federale overheid te veel macht kreeg.

b)
De New Deal was nooit ter discussie in het Hooggerechtshof.
c)

Het Hooggerechtshof vond de New Deal maatregelen niet noodzakelijk.

d)

Er was verdeeldheid binnen het Hooggerechtshof.

38.

De Tweede Wereldoorlog was voor de Amerikaanse economie gunstig, vanwege: (twee redenen)

a)

Toename productie van oorlogsmateriaal (munitie, wapens, kleding, voertuigen)

b)
Stijgende import van buitenlandse goederen
c)

Toename van werkgelegenheid (vooral door vrouwen)

d)

Nieuw optimisme dat leidt tot de New Capitalism.

39.

Welke Amerikaanse president werkte de Veertien Punten uit?

a)
Theodore Roosevelt
b)
Woodrow Wilson
c)
Abraham Lincoln
d)
Franklin D. Roosevelt
40.

Wat hield de Good Neighbour Policy in?

a)
Een beleid dat gericht was op isolatie van Europese landen.
b)

Een beleid gericht op goede relaties en samenwerking met Latijns-Amerikaanse landen: niet meer gewapend ingrijpen en meer economisch samenwerken.

c)
Een strategie om militaire bases in Azië te vestigen.
d)
Een programma voor economische sancties tegen Afrika.
41.

Wat hield de Neutraliteitswet in 1935 in?

a)

De Neutraliteitswet verplichtte de VS om deel te nemen aan oorlogen.

b)

De Neutraliteitswet stelde de VS in staat om militaire allianties aan te gaan.

c)

De Neutraliteitswet verbood de VS om handel te drijven met andere landen.

d)

De Neutraliteitswet verbood het verschepen van wapens naar oorlogvoerende landen.

42.

Wat hield de Neutraliteitswet van 1936 in?

a)

De Neutraliteitswet van 1936 hield in dat de VS neutraal bleven in oorlogen en geen financiele steun (zoals leningen) verleenden aan andere landen.

b)

De Neutraliteitswet van 1936 verbood de VS om diplomatieke betrekkingen aan te gaan met andere landen.

c)

De Neutraliteitswet van 1936 stelde de VSin staat om deel te nemen aan internationale oorlogen.

d)

De Neutraliteitswet van 1936 verplichtte de VS om militaire steun te verlenen aan bondgenoten.

43.

Waarom had president Roosevelt moeite met de neutraliteitswetten?

a)
De neutraliteitswetten maakten het makkelijker voor Roosevelt om te handelen.
b)
Roosevelt was voorstander van de neutraliteitswetten.
c)
De wetten hielpen Roosevelt om zijn binnenlandse agenda te bevorderen.
d)

De neutraliteitswetten beperkten Roosevelt's mogelijkheden om bondgenoten te steunen die bedreigd werden door Nazi-Duitsland en Japan.

44.

Wat hield de Lend Lease Act in?

a)
De Lend Lease Act verbood militaire hulp aan bondgenoten.
b)
De Lend Lease Act was een handelsverdrag tussen de VS en Duitsland.
c)
De Lend Lease Act stelde de VS in staat om alleen voedsel te verlenen aan bondgenoten.
d)
De Lend Lease Act stelde de VS in staat om militaire hulp te verlenen aan bondgenoten tijdens de Tweede Wereldoorlog.
45.

Wat wordt er bedoeld met de GI Bill?

a)
De GI Bill is een belastingvoordeel voor bedrijven.
b)

De GI Bill was een wet die oorlogsveteranen hielp bij hun terugkeer in de maatschappij.

c)
De GI Bill is een programma voor internationale studenten.
d)
De GI Bill biedt alleen financiële steun voor huisvesting.
46.

Wat was de Fair Deal?

a)
Een militaire strategie van president Truman.
b)
Een belastingverhoging voor de rijken.
c)
Een programma voor de uitbreiding van het leger.
d)
De Fair Deal was een beleidsprogramma van president Harry S. Truman dat gericht was op sociale en economische hervormingen.
47.

Wat was het McCarthyisme?

a)
Een sociale hervorming in de VS in de jaren 1960.
b)
Een economische crisis in de VS in de jaren 1930.
c)
Een politieke beweging in Europa in de jaren 1940.
d)
Het McCarthyisme was een anti-communistische campagne in de VS in de jaren 1950.
48.

Wat was de NAACP?

a)
Een organisatie voor dierenrechten.
b)
Een politieke partij in de Verenigde Staten.
c)
De NAACP is een burgerrechtenorganisatie in de Verenigde Staten die zich inzet voor de rechten van Afro-Amerikanen.
d)
Een sportvereniging voor Afro-Amerikanen.
49.

Op welke wijze gaf Martin Luther King kritiek op de segregatie?

a)
Hij negeerde de segregatie en richtte zich op andere kwesties.
b)
Martin Luther King steunde de segregatie met zijn toespraken.
c)
Martin Luther King organiseerde gewelddadige protesten tegen de segregatie.
d)
Martin Luther King bekritiseerde de segregatie door middel van toespraken, vreedzame protesten en pleidooien voor gelijke rechten.
50.

Wie was Rosa Parks?

a)

Rosa Parks was een beroemde zangeres uit de jaren 1960.

b)

Rosa Parks was een politica die nieuwe wetten realiseerden tegen de segregatie.

c)

Rosa Parks was een burgerrechtenactivist en werd gearresteerd omdat ze weigerde in de bus haar zitplaats af te staan aan een blanke medepassagier.

d)

Rosa Parks was een beroemde actrice.

51.

Op welke manier protesteerde Malcolm X tegen de segregatie?

a)
Malcolm X schreef boeken over de geschiedenis van de VS.
b)
Malcolm X organiseerde een vreedzaam protest met bloemen.
c)

Malcolm X protesteerde door te zeggen dat het zwarte ras superieur was en dat blanken duivels waren.

d)

Malcolm X protesteerde tegen de segregatie door krachtige toespraken.