wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling Over Taal blok 4 en 5 leerjaar 2

Total questions: 25

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Wat zijn schooltaalwoorden?

a)

Woorden die je alleen op het schoolplein gebruikt

b)

Woorden die je bij alle vakken op school nodig hebt

c)

Woorden die je thuis gebruikt

d)

Woorden uit een andere taal

2.

Wat doe je als je een moeilijk woord in een tekst tegenkomt?

a)

Je slaat het over

b)

Je vraagt het aan een klasgenoot

c)

Je gebruikt het stappenplan moeilijke woorden

d)

Je verzint zelf een betekenis

3.

Wat is een voorbeeld van een schooltaalwoord?

a)

Chill

b)

Samenvatten

c)

Pizza

d)

Appje

4.

Waarom zijn schooltaalwoorden belangrijk?

a)

Ze maken je populair

b)

Ze helpen je teksten beter begrijpen

c)

Ze zijn grappig

d)

Ze zijn makkelijk

5.

Wat hoort NIET bij het stappenplan moeilijke woorden?

a)

Lees de zin opnieuw

b)

Zoek het woord op

c)

Raad het zonder context

d)

Kijk naar de rest van de zin

6.

Welke zin is juist?

a)

Hij is even groter dan zijn broer

b)

Hij is groter als zijn broer

c)

Hij is groter dan zijn broer

d)

Hij is even groot dan zijn broer

7.

Welke zin gebruikt de stellende trap met 'als'?

a)

Zij is aardiger dan haar zus

b)

Zij is even aardig als haar zus

c)

Zij is het aardigst

d)

Zij is niet zo aardig dan haar zus

8.

Wat hoort bij de vergrotende trap?

a)

even … als

b)

net zo … als

c)

groter dan

d)

het grootst

9.

Wat hoort bij de overtreffende trap?

a)

groter dan

b)

even groot als

c)

het grootst

d)

net zo groot als

10.

Welke zin is correct?

a)

Dit boek is drie keer zo spannend dan dat andere

b)

Dit boek is drie keer zo spannend als dat andere

c)

Dit boek is drie keer spannender als dat andere

d)

Dit boek is drie keer spannend dan dat andere

11.

Wat gebruik je na 'niet zo'?

a)

dan

b)

als

c)

of

d)

zoals

12.

Wat is juist?

a)

Het is anders als ik dacht

b)

Het is anders dan ik dacht

c)

Het is anders zoals ik dacht

d)

Het is anders of ik dacht

13.

Wat is je moedertaal?

a)

De taal die je op school leert

b)

De taal die je van je ouders hebt geleerd

c)

De taal van je vrienden

d)

De taal van je land

14.

Wat is groepstaal?

a)

Taal die je in een groep leert

b)

Taal die een groep mensen spreekt, zoals jongerentaal

c)

Taal die je alleen thuis spreekt

d)

Taal die je op vakantie gebruikt

15.

Wat is vaktaal?

a)

Taal die je op vakantie spreekt

b)

Taal die bij een bepaald beroep hoort

c)

Taal die je met vrienden gebruikt

d)

Taal die je op sociale media gebruikt

16.

Wat is chattaal?

a)

Taal die je op school gebruikt

b)

Taal die je in boeken leest

c)

Taal die je gebruikt bij WhatsApp en sms

d)

Taal die je met je ouders spreekt

17.

Welke taal is ook officieel in Nederland naast Nederlands?

a)

Duits

b)

Engels

c)

Frans

d)

Spaans

18.

Waar wordt Fries gesproken?

a)

In Zeeland

b)

In Limburg

c)

In Friesland

d)

In Groningen

19.

Welk signaalwoord geeft een reden aan?

a)

maar

b)

want

c)

ten eerste

d)

daarentegen

20.

Welke signaalwoorden geven een opsomming aan?

a)

maar, echter

b)

omdat, namelijk

c)

ten eerste, vervolgens, bovendien

d)

zo, evenals

21.

Wat is een signaalwoord voor een tegenstelling?

a)

ook

b)

maar

c)

ten slotte

d)

omdat

22.

Wat is het doel van signaalwoorden?

a)

De tekst versieren

b)

Het verband tussen zinnen en alinea’s duidelijk maken

c)

Moeilijke woorden uitleggen

d)

De tekst korter maken

23.

Wat hoort bij een vergelijking?

a)

omdat

b)

evenals

c)

ten eerste

d)

maar

24.

Wat hoort bij een reden?

a)

ten slotte

b)

namelijk

c)

daarentegen

d)

zo

25.

Wat hoort bij een tegenstelling?

a)

bovendien

b)

echter

c)

ten tweede

d)

want