WorksheetsHA1 Leerdoelen+begrippen 3.5
Total questions: 16
Worksheet time: 8hrs 0mins
Name
Class
Date
1.
Wat veroorzaakt het verschil in temperatuur in de zomer en de winter?
a)
In de zomer is de invalshoek van de zon groter.
b)
In de zomer is de aarde dichter bij de zon.
c)
In de winter draait de aarde langzamer om haar as.
d)
In de winter is er minder zonlicht vanwege de maanstand.
2.
Waardoor is zomertemperatuur in Saratov hoger dan in Amsterdam, maar de wintertemperatuur veel lager?
a)
Saratov ligt veel verder van de zee af, dan Amsterdam.
b)
Saratov ligt op een lagere breedtegraad dan Amsterdam.
c)
Amsterdam ligt in een dal, Saratov op een berg.
d)
In Saratov regent het meer dan in Amsterdam.
3.
Wat gebeurt er met de temperatuur van zeewater in de zomer en winter?
a)
In de zomer is het zeewater kouder dan het land.
b)
In de zomer is het zeewater warmer dan het land.
c)
In de winter is het zeewater kouder dan het land.
d)
In de winter is het zeewater even koud als het land.
4.
Waar komt in Nederland het vaakst de wind vandaan?
a)
Uit het westen.
b)
Uit het oosten.
c)
Uit het zuiden.
d)
Uit het noorden.
5.
Welke werking heeft zeewind in de zomer?
a)
Zeewind koelt het land af in de zomer.
b)
Zeewind warmt het land op in de zomer.
c)
Zeewind veroorzaakt regen in de zomer.
d)
Zeewind veroorzaakt droogte in de zomer.
6.
Welke werking heeft zeewind in de winter?
a)
Zeewind warmt het land op in de winter.
b)
Zeewind koelt het land af in de winter.
c)
Zeewind veroorzaakt mist in de winter.
d)
Zeewind veroorzaakt sneeuwval in de winter.
7.
Wat gebeurt er met de zomertemperatuur en wintertemperatuur bij aflandige wind?
a)
Zomer: droog en warm, winter: droog en koud.
b)
Zomer: nat en koel, winter: nat en zacht.
c)
Zomer: winderig en koel, winter: winderig en warm.
d)
Zomer: vochtig en warm, winter: vochtig en koud.
8.
Waardoor wordt het opwarmende effect van de zee nog versterkt?
a)
De warme Golfstroom.
b)
De maanstand.
c)
De draaiing van de aarde.
d)
De ligging van de continenten.
9.
Wat is de naam van wind uit verschillende windrichtingen?
a)
Noorden = polair, westen = maritiem, oosten = continentaal, zuiden = tropisch.
b)
Noorden = continentaal, westen = tropisch, oosten = maritiem, zuiden = polair.
c)
Noorden = maritiem, westen = continentaal, oosten = tropisch, zuiden = polair.
d)
Noorden = tropisch, westen = polair, oosten = maritiem, zuiden = continentaal.
10.
Wind die van zee naar land waait.
(a)
11.
Wind die van land naar zee waait.
(a)
12.
Een zeestroom die vanaf de evenaar naar de polen stroomt of vanaf de polen richting de evenaar.
(a)
13.
Windstroom met warme, vochtige lucht afkomstig uit het zuiden
(a)
14.
Windstroom met koude lucht afkomstig van hogere breedte
(a)
15.
Windstroom met droge lucht afkomstig van land.
(a)
16.
Windstroom met vochtige lucht afkomstig van zee.
(a)
100 %
