wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefentoets hoofdstuk 4

Total questions: 65

Worksheet time: 33hrs 30mins

Name
Class
Date
1.
Wat is er nodig voor alle producten?
a)
Grondstoffen
b)
Reclame
c)
Dienstverlening
d)
Geld
2.
Waar komen onze grondstoffen vandaan?
a)
Ze worden uit de natuur gehaald en komen overal vandaan
b)
Ze komen uit fabrieken in Europa
c)
Ze worden geproduceerd in laboratoria
d)
Ze worden gemaakt in steden
3.
Waar wordt de meeste energie mee opgewekt?
a)
Fossiele energiebronnen
b)
Zonnepanelen
c)
Kernenergie
d)
Windmolens
4.
Welke hulpbronnen zijn opnieuw te gebruiken?
a)
Wind, zon, hout en voedselgewassen
b)
Aardolie en steenkool
c)
Tin en koper
d)
Kolen en uranium
5.
Wat is het probleem van zeldzame aardmetalen?
a)
Ze kunnen opraken en er is steeds meer van nodig
b)
Ze zijn goedkoop en daarom oninteressant
c)
Ze veroorzaken overstromingen
d)
Ze komen vooral uit Nederland
6.
Door welke twee dingen neemt de vraag naar natuurlijke hulpbronnen toe?
a)
Groei van de wereldbevolking en toename van welvaart
b)
Groei van technologie en minder afval
c)
Toename van recyclage en minder consumptie
d)
Stijgende energieprijzen en dalende productie
7.
Waarom staat de draagkracht van de aarde onder druk?
a)
We gebruiken hulpbronnen sneller dan de aarde ze kan aanvullen
b)
De zon geeft minder energie
c)
Er is te weinig landbouwgrond beschikbaar
d)
De aarde wordt kleiner door klimaatverandering
8.
Hoe houden we de aarde leefbaar?
a)
Door verantwoord om te gaan met hulpbronnen en duurzaam te leven
b)
Door meer te bouwen en te investeren in industrie
c)
Door meer technologie te gebruiken en minder te reizen
d)
Door fossiele brandstoffen efficiënter te gebruiken
9.
Hoeveel ruimte is er beschikbaar per persoon voor wonen, voedsel, energie, grondstoffen en water?
a)
1,6 hectare per persoon
b)
2,6 hectare per persoon
c)
0,9 hectare per persoon
d)
5 hectare per persoon
10.
Hoe groot is de gemiddelde mondiale ecologische voetafdruk?
a)
2,6 hectare
b)
1,6 hectare
c)
0,9 hectare
d)
3,5 hectare
11.
Hoeveel hectare van de 1,6 hectare is beschikbaar voor voedsel?
a)
0,9 hectare
b)
0,5 hectare
c)
1,1 hectare
d)
2,6 hectare
12.
Waarom is er veel ruimte nodig voor de productie van vlees?
a)
Voor grazen en veevoerproductie is veel land nodig
b)
Vleesdieren groeien alleen in natuurgebieden
c)
Omdat vlees sneller bederft dan groente
d)
Omdat vlees veel water nodig heeft bij het koken
13.
Waarom wordt er in Brazilië tropisch regenwoud gekapt voor Nederlandse boeren?
a)
Voor het telen van soja als veevoer
b)
Voor het bouwen van Nederlandse boerderijen
c)
Voor houtproductie voor Nederland
d)
Voor toerismeprojecten van Nederlandse investeerders
14.
Wat is het voordeel van biologische landbouw?
a)
Er worden minder of geen kunstmest en bestrijdingsmiddelen gebruikt
b)
Er wordt meer energie gebruikt
c)
Er worden meer dieren gehouden
d)
Het geeft hogere opbrengsten dan gewone landbouw
15.
Hoe kan de consument duurzamer met water en voedsel omgaan?
a)
Door zuinig te zijn met water en minder voedsel te verspillen
b)
Door meer voedsel in te slaan
c)
Door meer vlees te eten
d)
Door lokaal geproduceerd voedsel te vermijden
16.
Waar komen de grondstoffen van elektrische apparaten vandaan?
a)
Overal in de wereld
b)
Alleen uit Afrika
c)
Voornamelijk uit Europa
d)
Alleen uit ontwikkelde landen
17.
Waarom is de productieketen tegenwoordig mondiaal geworden?
a)
Omdat onderdelen op verschillende continenten worden geproduceerd
b)
Omdat alles lokaal geproduceerd moet worden
c)
Omdat landen geen eigen producten maken
d)
Omdat transport goedkoper is dan productie
18.
Om welke drie redenen heeft het wereldwijd winnen van grondstoffen en fabriceren van producten een grote impact op het milieu?
a)
Uitputting, CO₂-uitstoot en afval
b)
Herstel van ecosystemen, minder transport, lage kosten
c)
Meer werkgelegenheid, schonere energie, betere logistiek
d)
Groene productie, lage CO₂-uitstoot, hergebruik
19.
Waarom neemt de vraag naar elektronische apparaten toe?
a)
Groeiende wereldbevolking en stijgende welvaart
b)
Daling van technologische innovatie
c)
Minder interesse in elektronica
d)
Groei van traditionele landbouw
20.
Noem een voorbeeld van urban mining.
a)
Goud en zilver uit oude mobieltjes halen
b)
Nieuwe mijnen bouwen in steden
c)
Grondstoffen delven in plattelandsgebieden
d)
Bomen planten op industrieterreinen
21.
Waarom is de manier van consumeren belastend voor het milieu?
a)
Omdat producten vaak worden weggegooid of verbrand
b)
Omdat mensen te weinig kopen
c)
Omdat winkels te snel sluiten
d)
Omdat consumenten duurzame producten kiezen
22.
Hoe kan consumeren anders verlopen?
a)
Door recycling en hergebruik van grondstoffen
b)
Door alles lokaal te kopen
c)
Door alleen te reizen
d)
Door meer voedsel te produceren
23.
Op welke twee manieren kunnen we producten minder snel bij het afval laten komen?
a)
Door producten langer en minder te gebruiken
b)
Door alles nieuw te kopen
c)
Door producten weg te geven
d)
Door meer verpakkingen te gebruiken
24.
Wat is het nadeel van vliegen met vliegtuigen?
a)
Vliegtuigen stoten vervuilende gassen uit
b)
Vliegen kost weinig energie
c)
Vliegtuigen maken weinig geluid
d)
Vliegtuigen gebruiken groene stroom
25.
Wat is het nadeel van benzine- en dieselauto’s?
a)
Ze stoten veel CO2 uit
b)
Ze rijden op water
c)
Ze produceren geen warmte
d)
Ze zijn altijd elektrisch
26.
Noem een broeikasgas.
a)
CO2 (koolstofdioxide)
b)
Zuurstof
c)
Stikstof
d)
Waterdamp
27.
Wat zijn broeikasgassen?
a)
Gassen die warmte vasthouden in de atmosfeer
b)
Gassen die kou vasthouden
c)
Gassen die alleen onder de grond voorkomen
d)
Gassen die alleen bij vulkanen ontstaan
28.
Wat leidt tot versterking van het broeikaseffect?
a)
Een teveel aan CO2 in de lucht
b)
Te weinig zonlicht
c)
Hoge windkracht
d)
Lage temperatuur
29.
Noem twee ernstige gevolgen van klimaatopwarming.
a)
Smeltend landijs en extreem weer
b)
Meer vogels en bloemen
c)
Stijging van technologie
d)
Toename van fossiele brandstoffen
30.
Waarom komen landen samen op klimaatconferenties?
a)
Om afspraken te maken over opwarming van de aarde
b)
Om toerisme te stimuleren
c)
Om handelsverdragen te sluiten
d)
Om verkiezingen te organiseren
31.
Hoe kunnen landen de opwarming beperken tot 1,5 graden?
a)
Door regels voor CO2-uitstoot en investeren in duurzame energie
b)
Door meer steenkool te gebruiken
c)
Door fossiele brandstoffen te subsidiëren
d)
Door kernenergie uit te faseren
32.
Op welke energiebron kan worden overgestapt om minder CO2 uit te stoten?
a)
Kernenergie
b)
Steenkool
c)
Aardgas
d)
Diesel
33.
Door welke twee dingen kan de uitstoot van broeikasgassen omlaag?
a)
Technologische vernieuwing en gedragsverandering
b)
Meer productie en minder transport
c)
Import uit ontwikkelingslanden
d)
Gebruik van plastic verpakkingen
34.
Noem een voorbeeld van gedragsverandering voor minder uitstoot.
a)
Minder vliegen, meer fiets of trein
b)
Meer autorijden en meer vlees eten
c)
Meer spullen kopen
d)
Elke dag douchen met warm water
35.
Hoe worden nieuwe huizen klimaatneutraal gebouwd?
a)
Goede isolatie, warmtepompen en zonnepanelen
b)
Gasverwarming en airco's
c)
Met houtkachels en gloeilampen
d)
Met metalen daken en oude leidingen
36.

Het vermogen van de aarde om alle mensen te kunnen laten leven en wonen.

(a)  

37.

Energiebronnen die zijn ontstaan uit miljoenen jaren oude planten, dieren en andere organismen.

(a)  

38.

Aardgas, aardolie en steenkool

(a)  

39.

Stroom die is opgewekt door hernieuwbare energiebronnen, zoals windenergie en zonne-energie.

(a)  

40.

Stroom die is opgewekt door hernieuwbare energiebronnen, zoals windenergie en zonne-energie.

(a)  

41.

Grondstoffen van de aarde die niet opraken en weer kunnen aangroeien.

(a)  

42.

Het opraken van natuurlijke hulpbronnen door menselijk gebruik.

(a)  

43.

Grondstoffen uit de natuur die wij gebruiken voor onze producten en voor energie.

(a)  

44.

Zeldzame metalen uit de natuur die wij gebruiken voor onze producten.

(a)  

45.

Manier van landbouw waarbij geen kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen worden gebruikt.

(a)  

46.

Vorm van irrigatie, waarbij gewassen druppelsgewijs precies voldoende water krijgen.

(a)  

47.

Vorm van irrigatie, waarbij gewassen druppelsgewijs precies voldoende water krijgen.

(a)  

48.

Het aantal hectares dat een persoon nodig heeft om zijn of haar leven te kunnen leiden.

(a)  

49.

Indirect water dat nodig is om een product te maken.

(a)  

50.

Het aantal hectares voor voedsel dat een persoon nodig heeft om te kunnen bestaan.

(a)  

51.

Het aantal hectares water dat een persoon nodig heeft om te kunnen bestaan.

(a)  

52.

Product dat klaar is om te worden verkocht, gekocht en gebruikt.

(a)  

53.

In plaats van een product weg te gooien het opnieuw te gebruiken.

(a)  

54.

Aantasten van de leefomgeving door er afvalstoffen in te storten.

(a)  

55.

De schakels waaruit het productieproces van goederen bestaat, van grondstof tot eindproduct.

(a)  

56.

Het hergebruiken van afvalmaterialen voor nieuwe producten.

(a)  

57.

Gebruikte technologische apparaten verzamelen en de zeldzame aardmetalen eruithalen.

(a)  

58.

Alle gassen die warmte kunnen vasthouden en die van nature in de atmosfeer voorkomen.

(a)  

59.

Belangrijk broeikasgas dat warmte kan vasthouden en dat van nature in de atmosfeer voorkomt.

(a)  

60.

Energie gewonnen uit onuitputbare bronnen.

(a)  

61.

Waterkracht, zonne-energie en windenenergie.

(a)  

62.

Vorm van energiewinning die ontstaat uit warmte opgewekt door kernreactie.

(a)  

63.

Manier van leven van de mens die geen invloed heeft op klimaatverandering.

(a)  

64.

Het warmer worden van de aardse atmosfeer door de toename van broeikasgassen.

(a)  

65.

Duurzaam omgaan met natuurlijke hulpbronnen, zodat de natuur niet achteruitgaat en kan herstellen.

(a)