wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

1A eindquiz juni

Total questions: 50

Worksheet time: 38mins

Name
Class
Date
1.

Welk spreekwoord betekent: 'betrapt worden'?

a)

lange vingers hebben

b)

tegen de lamp lopen

c)

in zak en as zitten

d)

op straat staan

2.

Welk spreekwoord betekent: 'een beetje toegeven door compromissen te sluiten'?

a)

met de gebakken peren zitten

b)

water bij de wijn doen

c)

op rozen zitten

d)

groene vingers hebben

3.

Wat betekent het spreekwoord: 'iemand tegen de schenen schoppen'?

a)

brutaal zijn

b)

iemand met opzet kwetsen

c)

te snel geld uitgeven

d)

mislukken

4.

Welk spreekwoord betekent: 'er niet veel over weten'?

a)

voor de deur staan

b)

zijn kat sturen

c)

de mist ingaan

d)

ergens geen kaas van hebben gegeten

e)

iemand in de kou laten staan

5.

Wat betekent het spreekwoord: 'je neus ergens voor ophalen'?

a)

brutaal zijn

b)

iemand bijna te pakken hebben

c)

snel beledigd zijn

d)

iets minderwaardig vinden omdat je jezelf te goed voelt om iets te doen

6.

Wat is het voltooid deelwoord van 'werken'?

(a)  

7.

Wat is het voltooid deelwoord van 'ordenen'?

(a)  

8.

Wat is het voltooid deelwoord van 'inloggen'?

(a)  

9.

Wat is het voltooid deelwoord van 'relaxen'?

(a)  

10.

Wat is het voltooid deelwoord van 'betalen'?

(a)  

11.

Wat is het voltooid deelwoord van 'wandelen'?

(a)  

12.

Wat is het voltooid deelwoord van 'opmerken'?

(a)  

13.

Van welk werkwoord moet het hoofdwerkwoord afgeleid zijn om te kunnen spreken van een NWG?

(meerdere opties)

a)

zijn

b)

eten

c)

worden

d)

gaan

e)

hebben

14.

Welk zinsdeel vind je door de vraag:

'Wie/Wat + WWG + O?'

a)

NWD

b)

LV

c)

MV

d)

WWG

e)

PV

15.

Welk zinsdeel vind je door de vraag:

'Aan wie/wat + WWG + O + LV?'

a)

MV

b)

NWD

c)

O

d)

PV

e)

NWG

16.

Welk zinsdeel vind je door de vraag:

'Voor wie/wat + WWG + O + LV?'

a)

LV

b)

MV

c)

NWD

d)

PV

e)

VZV

17.

Welk schooltaalwoord past het best in de zin:

'Hier en daar zorgden we voor wat .......... bij de beelden.'

a)

afleiding

b)

toelichting

c)

presentatie

d)

techniek

18.

Welk schooltaalwoord past het best in de zin:

'De voorzitter wil zijn opvolger aan de groep ...........'

a)

situeren

b)

bereiken

c)

presenteren

d)

raadplegen

19.

Welk schooltaalwoord past het best in de zin:
'De robot is heel handig omdat hij die ook gebruikt kan worden op plaatsen die moeilijk te .......... zijn.'

a)

afleiden

b)

raadplegen

c)

toelichten

d)

controleren

e)

bereiken

20.

Vul de zinnen aan met een voltooid deelwoord.

'Wie heeft Google (a)     (bedenken)?'

21.

Vul de zinnen aan met een voltooid deelwoord.

'Het hoofdkantoor is (a)     (vestigen) in Amsterdam.'

22.

Vul de zinnen aan met een voltooid deelwoord.

'We hebben meteen honderdduizenden resultaten (a)   (krijgen).'

23.

'vroor' is de verleden tijd van welke infinitief?

(a)  

24.

'geslagen' is het voltooid deelwoord van welke infinitief?

(a)  

25.

Vul de juiste vorm van het werkwoord in de verleden tijd in.

'Gisteren (a)   (verhuizen) mijn buren naar een groter huis buiten de stad.'

26.

Vul de juiste vorm van het werkwoord in de verleden tijd in.

'Mijn broer (a)   (melden) de diefstal direct bij de politie.'

27.

Vul de juiste vorm van het werkwoord in de verleden tijd in.

'De burgemeester (a)   (beantwoorden) alle vragen van de inwoners.'

28.

Vul de juiste vorm van het werkwoord in de verleden tijd in.

'In 2019 (1 verplichten) ik mezelf om mijn dromen na te jagen in plaats van ze te blijven koesteren.'

(a)  

29.

Vul de juiste vorm van het werkwoord in de verleden tijd in.

'Mijn vriendin en ik (7 verkopen) ons huis zodat ik kon vertrekken.'

(a)  

30.

Vul de juiste vorm van het werkwoord in de verleden tijd in.

'De kok (a)   ( bereiden) een heerlijk gerecht voor de gasten.'

31.

Wat is het LV in deze zin?

'Na de viering ging ik een koffietje drinken bij mijn tante.'

a)

Na de viering

b)

ik

c)

een koffietje

d)

bij mijn tante

e)

Er is geen LV.

32.

Wat is het LV in deze zin?

'Jonathan zocht voor mij dat stickertje al maanden.'

a)

Jonathan

b)

voor mij

c)

dat stickertje

d)

al maanden

e)

Er is geen LV.

33.

Wat is het LV in deze zin?

'Ik ben helemaal niet blij!'

a)

Ik

b)

ben

c)

helemaal

d)

helemaal niet blij

e)

Er is geen LV.

34.

Wat is het MV in deze zin?

'Ik doe de afwas voor mama.'

a)

Ik

b)

doe

c)

de afwas

d)

voor mama

e)

Er is geen MV.

35.

Wat is het MV in deze zin?

'Tijdens de beurs stelde Jonas Boets zijn nieuwe boek voor aan zijn medeleerlingen.'

a)

Tijdens de beurs

b)

Jonas Boets

c)

zijn nieuwe boek

d)

aan zijn medeleerlingen

e)

Er is geen MV.

36.

Wat is het MV in deze zin?

'Mevrouw Van Erdeghem vond de halsketting veel te duur.'

a)

Mevrouw Van Erdeghem

b)

vond

c)

de halsketting

d)

veel te duur

e)

Er is geen MV.

37.

Wat is het antoniem van 'moedig'?

a)

laf

b)

onbeduidend

c)

asociaal

d)

stom

38.

Wat is het antoniem van 'ongeïnteresseerd'?

a)

leergierig

b)

ongemotiveerd

c)

geweldig

d)

besluiteloos

39.

Wat is het antoniem van 'onbetrouwbaar'?

(a)  

40.

Wat is het antoniem van 'abnormaal'?

(a)  

41.

Wat is het antoniem van 'waardevol'?

(a)  

42.

Wat is het antoniem van 'legaal'?

(a)  

43.

Wat is het antoniem van 'motiveren'?

(a)  

44.

Wat is het antoniem van 'calorierijk'?

(a)  

45.

Wat is het antoniem van 'inwendig'?

(a)  

46.

In welke vorm staat het onderstreepte werkwoord?

"Toen ze thuiskwam, was de deur al gesloten."

a)

PV

b)

IMP

c)

VD

d)

INF

47.

In welke vorm staat het onderstreepte werkwoord?

"Wij willen een langere speeltijd!"

a)

PV

b)

IMP

c)

VD

d)

INF

48.

In welke vorm staat het onderstreepte werkwoord?

"Hij wil later een reis naar Australië maken."

a)

PV

b)

INF

c)

IMP

d)

VD

49.

Hoeveel zelfstandige naamwoorden zitten er in deze zin?

"Vorig weekend schoten daders in Anderlecht op een nachtwinkel."

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

5

50.

In welke vorm staat het onderstreepte werkwoord?

"Ik heb dat verhaal toch al honderd keer verteld?"

a)

PV

b)

IMP

c)

INF

d)

VD