wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling derde trim 2B Nederlands

Total questions: 45

Worksheet time: 37mins

Name
Class
Date
1.

Zet de onderstaande zin in het meervoud.

Zijn neef beoefende motorcross.

(a)  

2.

Zet de onderstaande zin in het enkelvoud.

Deze jongens hebben een speciale hobby.

(a)  

3.

Zet de onderstaande zin in het meervoud.

Een stuntman traint vijf keer per week.

(a)  

4.

Zet deze zin om naar het meervoud.

Deze atleet neemt vaak aan wedstrijden deel.

(a)  

5.

Zet deze zin om naar het meervoud.

Dit wilde de sportieveling ook doen.

(a)  

6.

Welk woord past bij X?

Probeer X wat wiskunde te herhalen.

a)

boeiend

b)

geregeld

c)

parcours

d)

zinvol

7.

Welk woord past bij X?

Een kersenpitkussentje kan de warmte lang X.

a)

vasthouden

b)

beïnvloeden

c)

uniek

d)

aspecten

8.

Welk woord past bij X?

Ik heb de X dat je weinig hebt gestudeerd.

a)

uniek

b)

van belang

c)

indruk

d)

aspecten

9.

Welk woord past bij X?

X je zus is het niet eerlijk dat jij twee ijsjes krijgt.

a)

aspecten

b)

aan bod komen

c)

van belang

d)

ten opzichte van

10.

Welk woord past bij X?

Ik kom hier X zwemmen. Toch zeker wekelijks.

a)

indruk

b)

geregeld

c)

daarentegen

d)

belang

11.

Zet de PV in de verleden tijd.

Ik til de racket hoog boven mijn hoofd.

(a)  

12.

Zet de PV in de verleden tijd.

Wij klikken onze gordel vast.

(a)  

13.

Zet de PV in de verleden tijd.

Snel schud ik mijn vader van me af.

(a)  

14.

Zet de PV in de verleden tijd.

Aarzelend zet ik een voet op het veld.

(a)  

15.

Zet de PV in de verleden tijd.

Ik kleed me snel aan.

(a)  

16.

Schrijf de PV in de verleden tijd.

We rijden met een tandem langs de Zeelaan.

(a)  

17.

Schrijf de PV in de verleden tijd.

We genieten van de zon op het leuke terras.

(a)  

18.

Schrijf de PV in de verleden tijd.

Als afsluiter drinken we nog een frisdrank.

(a)  

19.

Schrijf de PV in de verleden tijd.

De buurman slaat het oud papier in het tuinhuis op.

(a)  

20.

Schrijf de PV in de verleden tijd.

Mijn buurmand lijdt aan kanker.

(a)  

21.

Welk leesteken moet op de plaats van de X komen?

Je vindt alles in de kringwinkel X kleding, meubelen, boeken en fietshelmen.

a)

,

b)

.

c)

:

d)

?

22.

Welk leesteken moet op de plaats van de X komen?

De kust is een leefgebied van veel soorten vissen X vogels en zeeschildpadden.

a)

,

b)

.

c)

:

d)

?

23.

Welk leesteken moet op de plaats van de X komen?

Ik wil deze koffiemachine wel herstellen X maar ik weet niet hoe dat moet.

a)

,

b)

.

c)

:

d)

?

24.

Welk leesteken moet op de plaatsen van de X komen?

Hij vroeg X "Wil je dit laten herstellen X"

a)

,

b)

.

c)

:

d)

?

25.

Welk leesteken moet op de plaatsen van de X komen?

De meneer zei X "Ik zal hem eens openschroeven X"

a)

,

b)

.

c)

:

d)

?

26.

Waarom wordt hier een verkleinwoord gebruikt?

a)

Om te tonen dat iets of iemand klein is.

b)

Om lief te doen.

c)

Om duidelijk te maken dat je boos bent, of iemand minacht.

d)

In een spreekwoord of uitdrukking.

27.

Waarom wordt hier een verkleinwoord gebruikt?

a)

Om te tonen dat iets of iemand klein is.

b)

Om lief te doen.

c)

Om duidelijk te maken dat je boos bent, of iemand minacht.

d)

In een spreekwoord of uitdrukking.

28.

Waarom wordt hier een verkleinwoord gebruikt?

a)

Om te tonen dat iets of iemand klein is.

b)

Om lief te doen.

c)

Om duidelijk te maken dat je boos bent, of iemand minacht.

d)

In een spreekwoord of uitdrukking.

29.

Wat stelt deze afbeelding voor? Schrijf het als verkleinwoord.

(a)  

30.

Wat stelt deze afbeelding voor? Schrijf het als verkleinwoord.

(a)  

31.

Welke samenstelling kan je met deze twee woorden maken?

(a)  

32.

Welke samenstelling kan je met deze twee woorden maken?

(a)  

33.

Hoe noemen we deze samenstelling? Schrijf het volledige woord.

(a)  

34.

Hoe noemen we deze samenstelling? Schrijf het volledige woord.

(a)  

35.

Hoe noemen we deze samenstelling? Schrijf het volledige woord.

(a)  

36.

Wat stelt de foto voor?

(a)  

37.

Vervang het vetgedrukte woord door een synoniem.

Wat is jouw favoriete jaargetijde? Zomer, herfst, lente of winter.

(a)  

38.

Vervang het vetgedrukte woord door een synoniem.

Mijn vader kijkt elke dag naar het journaal.

(a)  

39.

Hoe noemen we deze voorwerpen?

(a)  

40.

Hoe noemen we deze tekst?

(a)  

41.

Hoe zeg je dat iets niet aangenaam is?

a)

onaangenaam

b)

wanaangenaam

c)

aangenaamloos

d)

aangenamelijk

42.

Hoe zeg je dat iemand geen haar heeft?

Hij is ... .

a)

onhaar

b)

haarloos

c)

wanhaar

d)

haarbaar

43.

Hoe zeg je dat iemand iets organiseert?

Zij is de ... .

a)

organiseerder

b)

organisator

c)

organisar

d)

organiser

44.

Hoe zeg je dat iemand ontvoerd is?

a)

de ontvoerd

b)

de ontvoerder

c)

de ontvoering

d)

de ontvoertie

45.

Hoe zeg je dat iets weinig zin heeft?

Het is ... .

a)

zinvol

b)

zinnig

c)

zinloos

d)

wanzin