wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

4V H17 Vreemd Vermogen

Total questions: 49

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.

Wat is een onderhandse lening?

a)

Een lening met meerdere geldgevers

b)

Een lening tussen één geldgever en één geldnemer

c)

Een lening zonder rente

d)

Een lening zonder aflossing

2.

Wat is een achtergestelde lening?

a)

Een lening met hoge rente

b)

Een lening die pas wordt afgelost na andere schulden

c)

Een lening zonder looptijd

d)

Een lening met aandelen als onderpand

3.

Wat is een hypothecaire lening?

a)

Een lening zonder onderpand

b)

Een lening met onroerend goed als onderpand

c)

Een lening met aandelen als onderpand

d)

Een lening met variabele rente

4.

Wat is kenmerkend voor een lineaire lening?

a)

De aflossing stijgt elk jaar

b)

De aflossing is elk jaar gelijk

c)

De rente stijgt elk jaar

d)

De looptijd is variabel

5.

Wat is kenmerkend voor een annuïteitenhypotheek?

a)

De aflossing is elk jaar gelijk

b)

Het totaalbedrag per jaar blijft gelijk

c)

De rente blijft gelijk

d)

De looptijd is kort

6.

Wat is een obligatielening?

a)

Een lening op korte termijn

b)

Een lening op lange termijn in kleine delen opgesplitst

c)

Een lening zonder rente

d)

Een lening met aandelen als onderpand

7.

Wat is een obligatie?

a)

Een aandeel in een bedrijf

b)

Een bewijs van deelname in een lening

c)

Een verzekering

d)

Een spaarrekening

8.

Wat is een obligatie?

a)

Een aandeel

b)

Een bewijs van deelneming in een obligatielening

c)

Een leningsovereenkomst

d)

Een winstbewijs

9.

Wat is de nominale waarde van een obligatie?

a)

De marktprijs

b)

De waarde die op de obligatie staat

c)

De rentevergoeding

d)

De koerswaarde

10.

Wat is de koerswaarde van een obligatie?

a)

De rentevergoeding

b)

Het bedrag dat je betaalt voor de obligatie

c)

De nominale waarde

d)

De looptijd

11.

Wat is de emissiekoers van een obligatie?

a)

De rentevergoeding

b)

De prijs bij uitgifte van de obligatie

c)

De koerswaarde op de beurs

d)

De looptijd van de lening

12.

Wanneer wordt een obligatie a pari geplaatst?

a)

Als de rente lager is dan de marktrente

b)

Als de emissiekoers gelijk is aan de nominale waarde

c)

Als de koerswaarde hoger is dan de nominale waarde

d)

Als de obligatie niet wordt afgelost

13.

Wat ontstaat bij plaatsing boven pari?

a)

Disagio

b)

Agio

c)

Renteverlies

d)

Koersverlies

14.

A. Agio B. Disagio C. Dividend D. Koerswinst

a)

Agio

b)

Disagio

c)

Dividend

d)

Koerswinst

15.

Wat is een prospectus bij een obligatielening?

a)

Een aandeelhoudersoverzicht

b)

Een brochure met informatie over de lening en de uitgevende instelling

c)

Een balans

d)

Een jaarrekening

16.

Hoe kan een obligatielening worden afgelost?

a)

Alleen ineens

b)

Alleen via uitloting

c)

Ineens, via uitloting of inkoop van eigen obligaties

d)

Alleen via verkoop van activa

17.

Wat is een converteerbare obligatie?

a)

Een obligatie met variabele rente

b)

Een obligatie die kan worden omgezet in aandelen

c)

Een obligatie zonder aflossing

d)

Een obligatie met vaste looptijd

18.

Wat is de conversieprijs?

a)

De koerswaarde van een aandeel

b)

Nominale waarde van obligaties plus bijbetaling voor één aandeel

c)

De rente op een obligatie

d)

De waarde van een aandeel op de beurs

19.

Wat is een winstdeelende obligatie?

a)

Een obligatie zonder rente

b)

Een obligatie met vaste rente én winstdeling

c)

Een aandeel

d)

Een lening zonder aflossing

20.

Wat is een achtergestelde obligatie?

a)

Een obligatie met vaste rente

b)

Een obligatie die pas wordt afgelost na andere schulden

c)

Een obligatie zonder looptijd

d)

Een obligatie met aandelen als onderpand

21.

Wat is consumptief leverancierskrediet?

a)

Krediet tussen bedrijven

b)

Krediet van leverancier aan consument

c)

Krediet van consument aan bank

d)

Krediet van overheid aan consument

22.

Wat is productief leverancierskrediet?

a)

Krediet van consument aan bedrijf

b)

Krediet van bedrijf aan ander bedrijf

c)

Krediet van overheid aan bedrijf

d)

Krediet van bank aan consument

23.

Wat is korting voor contant?

a)

Een toeslag bij late betaling

b)

Een korting bij snelle betaling

c)

Een korting op de nominale waarde

d)

Een korting op de rente

24.

Wat is kredietbeperkingstoeslag?

a)

Een korting bij snelle betaling

b)

Een toeslag bij te late betaling

c)

Een boete bij wanbetaling

d)

Een rentevergoeding

25.

Wat is afnemerskrediet?

a)

Krediet van bank aan afnemer

b)

Krediet van afnemer aan leverancier

c)

Krediet van leverancier aan afnemer

d)

Krediet van overheid aan consument

26.

Waar komt afnemerskrediet vaak voor?

a)

In de supermarkt

b)

Bij dienstverlenende bedrijven en speciale orders

c)

Bij banken

d)

Bij verzekeraars

27.

Een rekening-courantkrediet is:

a)

een krediet waarbij je tot een bepaald limiet rood mag staan op je betaalrekening.

b)

een lening voor de aankoop van een huis.

c)

een spaarrekening met vaste rente.

d)

een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid.

28.

Wat is het kredietplafond?

a)

Het bedrag dat al is opgenomen

b)

Het maximale bedrag dat mag worden opgenomen

c)

Het bedrag dat nog beschikbaar is

d)

De rente op het krediet

29.

Wat is de dispositieruimte?

a)

Het opgenomen bedrag

b)

Het verschil tussen kredietplafond en opgenomen bedrag

c)

De rentevergoeding

d)

De looptijd van het krediet

30.

Wat is een anticipatiekrediet?

a)

Een lening voor aankoop van activa

b)

Een krediet dat vooruitloopt op plaatsing van aandelen of obligaties

c)

Een lening zonder onderpand

d)

Een lening met vaste rente

31.

Wat is leasing?

a)

Het kopen van activa op afbetaling

b)

Het huren van duurzame productiemiddelen

c)

Het verkopen van aandelen

d)

Het afsluiten van een lening

32.

Wat is operational leasing?

a)

Leasing waarbij het object op de balans van de huurder komt

b)

Leasing waarbij het risico bij de verhuurder ligt

c)

Leasing zonder onderhoud

d)

Leasing met vaste looptijd

33.

Wie draagt het risico van economische veroudering bij operational leasing?

a)

De huurder

b)

De verhuurder

c)

De bank

d)

De leverancier

34.

Wat is financial leasing?

a)

Leasing zonder risico

b)

Leasing voor de economische levensduur van het object

c)

Leasing met tussentijdse opzegmogelijkheid

d)

Leasing zonder rente

35.

Wat is kenmerkend voor financial leasing?

a)

De verhuurder betaalt onderhoud

b)

De huurder neemt het object op de balans

c)

De overeenkomst is flexibel

d)

De huurder betaalt geen rente

36.

Wie draagt het risico van economische veroudering bij financial leasing?

a)

De verhuurder

b)

De huurder

c)

De bank

d)

De leverancier

37.

Wat is sale-and-leaseback?

a)

Het kopen van een object en het direct verkopen

b)

Het verkopen van een actief en het direct terugleasen

c)

Het leasen van een object zonder koopoptie

d)

Het verkopen van aandelen en terugkopen

38.

Wat is een voordeel van leasing voor de huurder?

a)

Lagere rente

b)

Geen grote uitgave ineens

c)

Geen afschrijving

d)

Geen onderhoudskosten

39.

Een motief voor een leasemaatschappij om te leasen is:

a)

het genereren van vaste inkomsten

b)

het verminderen van kosten voor de klant

c)

het verhogen van de restwaarde van voertuigen

d)

het beperken van concurrentie

40.

Wat is een kenmerk van een lening op lange termijn?

a)

Looptijd korter dan 1 jaar

b)

Looptijd langer dan 1 jaar

c)

Geen rente

d)

Alleen voor consumenten

41.

Wat is het verschil tussen een obligatie en een aandeel?

a)

Een obligatie geeft stemrecht

b)

Een aandeel geeft eigendomsrecht, een obligatie niet

c)

Een obligatie is risicovoller

d)

Een aandeel heeft vaste rente

42.

Wat is het doel van een prospectus bij een lening?

a)

Belastingaangifte

b)

Informatie geven aan potentiële beleggers

c)

Interne administratie

d)

Jaarlijkse rapportage

43.

Wat is een voordeel van converteerbare obligaties voor de onderneming?

a)

Hogere rentelasten

b)

Mogelijkheid om vreemd vermogen om te zetten in eigen vermogen

c)

Lagere emissiekosten

d)

Kortere looptijd

44.

Wat is een nadeel van een achtergestelde lening voor de geldgever?

a)

Hogere rente

b)

Lager verhaalsrecht bij faillissement

c)

Kortere looptijd

d)

Hogere aflossing

45.

Wat is een voordeel van een achtergestelde lening voor de onderneming?

a)

Lagere rente

b)

Wordt gezien als risicodragend vermogen

46.

Wat is het verschil tussen leasing en huur?

a)

Er is geen verschil

b)

Leasing is gericht op bedrijfsmiddelen, huur op gebruiksgoederen

c)

Huur is altijd goedkoper

d)

Leasing is alleen voor consumenten

47.

Wat is een kenmerk van een anticipatiekrediet?

a)

Wordt pas verstrekt na plaatsing van aandelen

b)

Wordt verstrekt vóór de plaatsing van aandelen of obligaties

c)

Is alleen voor consumenten

d)

Heeft geen rente

48.

Wat is het doel van een kredietbeperkingstoeslag?

a)

Belonen van snelle betalers

b)

Aansporen tot tijdige betaling

c)

Verlaging van de rente

d)

Verhoging van de aflossing

49.

Wat is het verschil tussen consumptief en productief leverancierskrediet?

a)

Er is geen verschil

b)

Consumptief is aan consumenten, productief aan bedrijven

c)

Productief is zonder rente

d)

Consumptief is altijd korter