wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

4V H18 Investeringsanalyse

Total questions: 60

Worksheet time: 30mins

Name
Class
Date
1.

Wat is een uitbreidingsinvestering?

a)

Een investering in aandelen

b)

Een investering om de productiecapaciteit te vergroten

c)

Een investering in personeel

d)

Een investering in reclame

2.

Wat is een vervangingsinvestering?

a)

Een investering in nieuwe producten

b)

Een investering om versleten kapitaalgoederen te vervangen

c)

Een investering in voorraad

d)

Een investering in marketing

3.

Wat is risicoreductie?

a)

Het verhogen van de winst

b)

Het verkleinen van onzekerheden

c)

Het verhogen van de cashflow

d)

Het verlagen van de belasting

4.

Wat is cashflow?

a)

De winst voor belasting

b)

Het verschil tussen ontvangsten en uitgaven door een investering

c)

De afschrijving

d)

De omzet

5.

Hoe bereken je de jaarlijkse cashflow?

a)

Nettowinst – afschrijving

b)

Nettowinst + afschrijving

c)

Brutowinst + afschrijving

d)

Nettowinst – belasting

6.

Wat is de cashflow aan het begin van een project?

a)

Nettowinst

b)

Negatief bedrag van de investering

c)

Afschrijving

d)

Desinvestering

7.

Wat is de cashflow in het laatste jaar van een project?

a)

Alleen nettowinst

b)

Nettowinst + afschrijving + desinvestering

c)

Alleen afschrijving

d)

Alleen desinvestering

8.

Wat berekent de terugverdientijd?

a)

De winst van een project

b)

Hoe lang het duurt voordat de investering is terugverdiend

c)

De looptijd van het project

d)

De rente over de investering

9.

Wat is een bezwaar van de terugverdientijdmethode?

a)

Houdt rekening met rente

b)

Houdt geen rekening met interestkosten

c)

Is moeilijk te berekenen

d)

Is alleen geschikt voor korte projecten

10.

Wat is een ander bezwaar van de terugverdientijdmethode?

a)

Houdt rekening met inflatie

b)

Negeert cashflows na de terugverdientijd

c)

Is gebaseerd op marktwaarde

d)

Is alleen geschikt voor vervangingsinvesteringen

11.

Wat houdt de nettocontantewaardemethode in?

a)

Alleen het berekenen van de winst

b)

Rekening houden met de tijdswaarde van geld

c)

Alleen kijken naar de looptijd

d)

Alleen kijken naar de cashflow

12.

Wat is de netto contante waarde (NCW)?

a)

De winst na belasting

b)

Contante waarde van cashflows minus investeringen

c)

De totale cashflow

d)

De afschrijving plus winst

13.

Wanneer komt een investeringsproject niet in aanmerking volgens de NCW-methode?

a)

Als de looptijd te lang is

b)

Als de netto contante waarde negatief is

c)

Als de cashflow te hoog is

d)

Als de investering te laag is

14.

Welk project verdient de voorkeur bij gelijke investeringen?

a)

Het project met de langste looptijd

b)

Het project met de hoogste netto contante waarde

c)

Het project met de laagste cashflow

d)

Het project met de hoogste afschrijving

15.

Wat doe je als projecten een verschillend investeringsbedrag hebben?

a)

Vergelijken op basis van looptijd

b)

Vergelijken op basis van NCW per geïnvesteerde euro

c)

Vergelijken op basis van afschrijving

d)

Vergelijken op basis van belastingdruk

16.

Wat doe je als projecten een gelijke NCW hebben?

a)

Kiezen op basis van cashflow

b)

Kiezen op basis van kortste looptijd

c)

Kiezen op basis van afschrijving

d)

Kiezen op basis van belastingdruk

17.

Waarom heeft een kortere looptijd de voorkeur bij gelijke NCW?

a)

Minder belasting

b)

Cashflows verder in de toekomst zijn onzekerder

c)

Hogere afschrijving

d)

Lagere investering

18.

Wat is een gevoeligheidsanalyse?

a)

Een analyse van de winst

b)

Berekeningen met aangepaste gegevens om risico’s te beoordelen

c)

Een analyse van de afschrijving

d)

Een analyse van de belastingdruk

19.

Wat is de intrinsieke waarde van een onderneming?

a)

De waarde van de aandelen

b)

De waarde van activa minus schulden

20.

Wat is de liquidatiewaarde?

a)

De waarde van de aandelen

b)

De opbrengst bij gedwongen verkoop van bezittingen minus schulden

c)

De waarde van de cashflow

d)

De waarde van de winst

21.

Wat is de rentabiliteitswaarde?

a)

De waarde van activa

b)

De contante waarde van toekomstige winst na belasting

c)

De waarde van de cashflow

d)

De waarde van de afschrijving

22.

Wat is de marktwaarde van een onderneming?

a)

De waarde van de activa

b)

De prijs die de markt bereid is te betalen

c)

De waarde van de cashflow

d)

De waarde van de winst

23.

Wat is de discounted cashflow methode?

a)

De som van de cashflows

b)

De contante waarde van verwachte kasstromen

c)

De waarde van de winst

d)

De waarde van de activa

24.

Wat is een voordeel van de NCW-methode t.o.v. de terugverdientijdmethode?

a)

Eenvoudiger te berekenen

b)

Houdt rekening met tijdswaarde van geld

c)

Negeert rente

d)

Negeert cashflows

25.

Een nadeel van de NCW-methode is:

a)

dat het toekomstige kasstromen moeilijk te voorspellen zijn.

b)

dat het altijd de hoogste winst oplevert.

c)

dat het geen rekening houdt met inflatie.

d)

dat het alleen geschikt is voor kleine investeringen.

26.

Wat is een voordeel van de terugverdientijdmethode?

a)

Houdt rekening met rente

b)

Eenvoudig te berekenen

c)

Houdt rekening met inflatie

d)

Houdt rekening met looptijd

27.

Wat is een investering met een negatieve NCW?

a)

Altijd winstgevend

b)

Niet aantrekkelijk voor de onderneming

c)

Altijd aantrekkelijk

d)

Alleen geschikt voor korte termijn

28.

Wat is een investering met een positieve NCW?

a)

Niet aantrekkelijk

b)

Aantrekkelijk voor de onderneming

c)

Alleen geschikt voor vervanging

d)

Alleen geschikt voor risicoreductie

29.

Wat is het doel van een investeringsanalyse?

a)

Het bepalen van de voorraad

b)

Het beoordelen van de aantrekkelijkheid van investeringen

c)

Het berekenen van de winstbelasting

d)

Het bepalen van de afschrijving

30.

Wat is een desinvestering?

a)

Een extra investering

b)

De restwaarde aan het einde van een project

c)

Een negatieve cashflow

d)

Een belastingvoordeel

31.

Wat is het effect van een hogere rente op de NCW?

a)

NCW stijgt

b)

NCW daalt

c)

Geen effect

d)

NCW blijft gelijk

32.

Wat is het effect van een langere looptijd op de betrouwbaarheid van cashflows?

a)

Wordt betrouwbaarder

b)

Wordt onzekerder

c)

Blijft gelijk

d)

Wordt zekerder

33.

Wat is het doel van een gevoeligheidsanalyse?

a)

Het berekenen van de winst

b)

Het inschatten van risico’s bij veranderende omstandigheden

c)

Het bepalen van de looptijd

d)

Het berekenen van de afschrijving

34.

Wat is een kenmerk van de discounted cashflow methode?

a)

Gebaseerd op winst

b)

Gebaseerd op verwachte kasstromen

c)

Gebaseerd op activa

d)

Gebaseerd op afschrijving

35.

Wat is een voordeel van de discounted cashflow methode?

a)

Houdt geen rekening met tijd

b)

Houdt rekening met tijdswaarde van geld

c)

Houdt geen rekening met risico

d)

Houdt geen rekening met cashflows

36.

Wat is een nadeel van de discounted cashflow methode?

a)

Te eenvoudig

b)

Moeilijker te berekenen en afhankelijk van schattingen

c)

Houdt geen rekening met tijd

d)

Houdt geen rekening met winst

37.

Wat is het verschil tussen intrinsieke en liquidatiewaarde?

a)

Er is geen verschil

b)

Liquidatiewaarde is gebaseerd op gedwongen verkoop

c)

Intrinsieke waarde is altijd lager

d)

Liquidatiewaarde is gebaseerd op winst

38.

Wat is een kenmerk van de rentabiliteitswaarde?

a)

Gebaseerd op activa

b)

Gebaseerd op toekomstige winst

39.

Wat is een kenmerk van marktwaarde?

a)

Gebaseerd op boekwaarde

b)

Wat de markt bereid is te betalen

c)

Gebaseerd op afschrijving

d)

Gebaseerd op winst

40.

Wat is een nadeel van marktwaarde?

a)

Te objectief

b)

Kan sterk fluctueren

c)

Gebaseerd op vaste gegevens

d)

Gebaseerd op afschrijving

41.

Wat is een voordeel van marktwaarde?

a)

Gebaseerd op boekhouding

b)

Geeft actuele waarde weer

c)

Gebaseerd op afschrijving

d)

Gebaseerd op historische kosten

42.

Wat is het doel van waardebepaling van een onderneming?

a)

Belastingaangifte

b)

Inzicht krijgen in waarde bij verkoop of fusie

c)

Jaarrekening opstellen

d)

Afschrijving berekenen

43.

Wat is een nadeel van waardebepaling op basis van winst?

a)

Te objectief

b)

Afhankelijk van schattingen en verwachtingen

c)

Gebaseerd op activa

d)

Gebaseerd op afschrijving

44.

Wat is een voordeel van waardebepaling op basis van cashflow?

a)

Gebaseerd op boekwaarde

b)

Houdt rekening met liquiditeit en tijdswaarde

c)

Gebaseerd op afschrijving

d)

Gebaseerd op winst

45.

Het doel van investeren is:

a)

Het behalen van financieel rendement

b)

Het verminderen van uitgaven

c)

Het verhogen van schulden

d)

Het vermijden van risico's

46.

Wat is een nadeel van investeren?

a)

Verhoogt de winst

b)

Gaat gepaard met risico’s en onzekerheden

c)

Verhoogt de cashflow

d)

Verlaagt de afschrijving

47.

Wat is een voordeel van investeren?

a)

Verlaagt de winst

b)

Kan leiden tot hogere opbrengsten

c)

Verlaagt de cashflow

d)

Verlaagt de waarde van activa

48.

Wat is een belangrijk aspect bij investeringsbeslissingen?

a)

Alleen de afschrijving

b)

De verwachte cashflows en risico’s

c)

Alleen de looptijd

d)

Alleen de winst

49.

Wat is het verschil tussen cashflow en winst?

a)

Er is geen verschil

b)

Cashflow houdt ook rekening met afschrijvingen

c)

Winst is altijd hoger

d)

Cashflow is altijd negatief

50.

Wat is een investering met een korte terugverdientijd?

a)

Altijd ongunstig

b)

Vaak aantrekkelijk vanwege snelle terugbetaling

c)

Altijd risicovol

d)

Alleen geschikt voor grote bedrijven

51.

Wat is een investering met een lange terugverdientijd?

a)

Altijd aantrekkelijk

b)

Risicovoller vanwege onzekerheid op lange termijn

c)

Altijd winstgevend

d)

Alleen geschikt voor kleine bedrijven

52.

Het effect van inflatie op investeringsanalyse is dat:

a)

de toekomstige kasstromen moeten worden aangepast aan de verwachte prijsstijgingen.

b)

de investeringskosten altijd dalen.

c)

inflatie geen invloed heeft op de analyse.

d)

alleen de rentevoet verandert door inflatie.

53.

Wat is een belangrijk uitgangspunt bij NCW-berekeningen?

a)

Boekwaarde

b)

Tijdswaarde van geld

c)

Historische kosten

d)

Afschrijving

54.

Wat is een kenmerk van een goede investeringsanalyse?

a)

Gebaseerd op intuïtie

b)

Gebaseerd op betrouwbare gegevens en scenario’s

c)

Gebaseerd op afschrijving

d)

Gebaseerd op boekwaarde

55.

Wat is het doel van het vergelijken van investeringsprojecten?

a)

Verlaging van belasting

b)

Kiezen van het meest rendabele project

c)

Verlaging van afschrijving

d)

Verlaging van cashflow

56.

Wat is een nadeel van alleen kijken naar winst bij investeringen?

a)

Te objectief

b)

Houdt geen rekening met kasstromen en tijdswaarde

c)

Te eenvoudig

d)

Te nauwkeurig

57.

Wat is een voordeel van het gebruik van meerdere waarderingsmethoden?

a)

Verhoogt de onzekerheid

b)

Geeft een completer beeld van de waarde

c)

Verlaagt de winst

d)

Verhoogt de afschrijving

58.

Wat is een nadeel van waardering op basis van liquidatiewaarde?

a)

Te optimistisch

b)

Gebaseerd op gedwongen verkoop, vaak lage opbrengst

59.

Wat is een voordeel van waardering op basis van intrinsieke waarde?

a)

Gebaseerd op marktwaarde

b)

Eenvoudig te berekenen op basis van balansgegevens

c)

Gebaseerd op winst

d)

Gebaseerd op afschrijving

60.

Welk van de volgende uitspraken is correct?

a)

Houdt rekening met inflatie

b)

Negeert cashflows na terugverdientijd

c)

Houdt rekening met rente

d)

Is nauwkeuriger dan NCW