wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 5, 6 en 7

Total questions: 48

Worksheet time: 36mins

Name
Class
Date
1.

Op welke manieren zijn wij afhankelijk van het milieu?

a)

we halen zuurstof uit het milieu

b)

we halen grondstoffen uit het milieu

c)

we halen energie uit het milieu

d)

we halen voedsel uit het milieu

2.

Angelina zegt: de biodiversiteit is de variatie aan soorten in een gebied.

Bart zegt: door menselijke handelen neemt de biodiversiteit toe.

Wie heeft gelijk?

a)

Angelina

b)

Bart

c)

Angeline en Bart

d)

Geen van beiden

3.

Bij recycling worden

a)

afvalproducten hergebruikt

b)

afvalproducten gebruikt als grondstoffen voor nieuwe producten

c)

afvalproducten verbrand in een verbrandingsoven

d)

afvalproducten bij Malpais gestort

4.

gft staat voor:

a)

geweldig fantastische theater

b)

goede forse toeter

c)

groente fruit tuinafval

d)

groente fruit thuisafval

5.

Composteren is het afbreken van biologisch afbreekbaar afval door

(a)  

6.

Wat komt vrij bij composteren:

a)

afvalstoffen

b)

schimmels en bacterien

c)

een rotte geur

d)

voedingsstoffen voor planten

7.

Welke zin klopt?

a)

Door het versterkt broeikaseffect is er leven mogelijk op aarde

b)

Door het broeikaseffect is er een leven mogelijk op aarde

c)

Door het broeikaseffect is de gemiddele temperatuur op aarde 0 graden.

d)

Door het versterkt broeikaseffect is de gemiddelde temperatuur op aarde -18 graden.

8.

Hoe noem je de ophoping van schadelijke stoffen in de voedselketen?

(a)  

9.

Hoe noem je door rook en uitlaatgassen vervuilde lucht?

(a)  

10.

Hoe noem je het verdwijenen van bossen door kappen of platbranden?

(a)  

11.

Hoe noem je het veranderen van de erfelijke eigenschappen van een organisme?

(a)  

12.

Hoe noem je de ongevoeligheid van een organisme voor een bestrijdingsmiddel?

(a)  

13.

Hoe noem je een grote akker met één soort gewas?

(a)  

14.

Hoe noem je de vorm van landbouw waarbij er extra aandacht is voor het milieu en het welzijn van dieren?

(a)  

15.

Hoe noem je brandstoffen die zijn ontstaan uit resten van dode planten en dieren?

(a)  

16.

Hoe noem je het schoonmaken van vervuilde grond?

(a)  

17.

Hoe noem je het afbreken van gft-afval door reducenten?

(a)  

18.

Duurzame energie is energie die...

a)

Meer oplevert

b)

Sneller opgewekt wordt

c)

Het milieu zo min mogelijk aantast

d)

goedkoper is

19.

Bio-industrie is....

a)

Schone industrie

b)

veel dieren op een klein stukje grond, slechte omstandigheden

c)

weinig dieren op een klein stukje grond, goede omstandigheden

d)

hier worden alleen biologische groenten gekweekt

20.

Twee dieren kruisen om met de beste eigenschappen verder te fokken noem je....

a)

genetische modificatie

b)

fokken

c)

veredeling

d)

transgeen

21.

Tot welk niveau van de ecologie behoren alle organismen in een bos samen?

a)

ecosysteem

b)

individu

c)

levensgemeenschap

d)

biotoop

22.

Tot welk niveau van de ecologie behoort een hert in een bos?

a)

individu

b)

populatie

c)

ecosysteem

d)

levensgemeenschap

23.

In de afbeelding zijn enkele voedselrelaties in een levensgemeenschap in zoetwater schematisch weergegeven. Drie schakels, aangeduid met 1, 2 en 3, zijn niet ingevuld.

Bij welk nummer moet een plantensoort worden ingevuld?

a)

1

b)

2

c)

3

24.

Een regenbui is een abiotische factor

a)

juist

b)

onjuist

25.

Een roodborstje bouwt een nest in een boom. Voor een roodborstje is

nestgelegenheid een biotische factor.

a)

juist

b)

onjuist

26.

In afbeelding 1 zijn enkele voedselrelaties schematisch weergegeven. Drie

schakels, 1, 2 en 3, zijn in afbeelding 2 niet ingevuld.

Welke van de volgende dieren kan in schakel 3 thuishoren?

a)

garnaal

b)

kever

c)

kikker

d)

krokodil

27.

Kikkervisjes eten alleen de organismen die in schakel 1 thuishoren.

Tot welke groep behoren kikkervisjes?

a)

planteneters

b)

vleeseters

c)

alleseters

28.

In afbeelding 4 zijn voedselrelaties tussen een aantal organismen in zee

weergegeven.

Hoeveel voedselketens zijn in de afbeelding weergegeven?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

29.
Welke schakel in een voedselketen vormt altijd de basis?
a)
planten
b)
kleine diertjes
c)
kleine vogels
d)
roofvogel
30.
In een voedselketen wordt de biomassa in elke volgende schakel kleiner.
a)
juist
b)
onjuist
31.
In een voedselketen gaat een deel van de energie verloren aan verbranding.
a)
juist
b)
onjuist
32.
De zon is een biotische factor.
a)
juist
b)
onjuist
33.
Een soortgenoot is een biotische factor.
a)
juist
b)
onjuist
34.

Een voorbeeld van een producent is

a)

mens

b)

alg

c)

bacterie

d)

schimmel

35.

Een brood werd twee weken op een vochtige plaats weggezet in een keuken. Drie verschillende soorten schimmels groeiden op het brood. Wanneer we aannemen dat het brood niet uitdroogt, wat is dan een waarschijnlijke voorspelling over het gewicht van het brood + de schimmels na drie weken?

a)

Het gewicht/de massa is toegenomen door de groei van de schimmels

b)

Het gewicht/de massa is hetzelfde gebleven omdat de schimmel brood omzet in biomassa

c)

Het gewicht/de massa neemt af omdat de groeiende schimmel brood omzet in energie

d)

Het gewicht/de massa neemt af omdat de schimmel brood omzet in biomassa en gassen.

36.

Wat is de producent in deze voedselketen?

a)

De alg

b)

De garnaal

c)

Vis 1

d)

De vogel

37.

Welke voedselketen is juist

a)

gras - koe - mens

b)

mens - koe - gras

c)

mens --> koe --> gras

d)

gras --> koe --> mens

38.

Welke stoffen zijn alleen maar abiotisch?

a)

water, grond, biotoop, temperatuur

b)

grond, voedsel, lucht, neerslag

c)

vijand, aarde, water, bodem

d)

neerslag, roofdier, levensgemeenschap

39.

Wat zijn de namen van de botten met nummer 5 en 6?

a)

5=schouderblad en 6=spaakbeen

b)

5=ellepijp en 6=rib

c)

5=opperarmbeen en 6=borstbeen

d)

5=dijbeen en 6=borstbeen

40.

Over het skelet van het paard worden twee uitspraken gedaan: Petra - nummer 9 is het borstbeen en Kees - nummer 10 is het opperarmbeen. Wie heeft gelijk?

a)

alleen Petra

b)

alleen kees

c)

beide

d)

geen van beide

41.

Bekijk het kattenskelet. Welke beenverbinding bevindt zich tussen nummer 1 en 2?

a)

een kraakbeenverbinding

b)

een scharniergewricht

c)

een kogelgewricht

d)

een naad

42.

Tussen welke twee botten bevindt zich een kraakbeenverbinding?

a)

tussen de halswervels

b)

tussen schouderblad en opperarmbeen

c)

tussen de wervels in het heiligbeen

d)

tussen de schedelbotten

43.

Je ziet hier een type gewricht uit het menselijk lichaam. Op welke twee plekken komt dit type gewricht voor?

a)

in je schedel en tussen je vingerkootjes

b)

tussen het spaakbeen en ellepijp en in de knie

c)

in de schouder en in de elleboog

d)

in de heup en in de schouder

44.

Vijf voorbeelden van botten zijn: borstbeen - dijbeen - onderkaak - sleutelbeen - lendenwervels. wat is de goede volgorde van beneden naar boven in het skelet?

a)

sleutelbeen, borstbeen, lendenwervels, onderkaak, dijbeen

b)

onderkaak, borstbeen, sleutelbeen, lendenwervels, dijbeen

c)

onderkaak, sleutelbeen, borstbeen, lendenwervels, dijbeen

d)

dijbeen, lendenwervels, borstbeen, sleutelbeen, onderkaak

45.

Welk gewrichtsonderdeel wordt bedoeld met nummer 1?

a)

gewrichtskapsel

b)

kraakbeenlaagje

c)

gewrichtssmeer

d)

kapselband

46.

Welke twee onderdelen zorgen ervoor dat een gewricht soepel beweegt?

a)

het kraakbeenlaagje en het gewrichtskapsel

b)

de gewrichtskom en de gewrichtskogel

c)

gewrichtssmeer en het kraakbeenlaagje

d)

de kapselband en het gewrichtssmeer

47.

Wat zijn elkaars antagonisten? Meerdere antwoorden mogelijk.

a)

buikspier en rugspier

b)

biceps en triceps

c)

borstspier en dijspier

d)

buikspier en kuitspier

48.

Welke uitspraak over spieren en pezen is waar? Meerdere antwoorden mogelijk.

a)

zowel spieren als pezen kunnen samentrekken

b)

de triceps is een voorbeeld van een skeletspier

c)

spiertjes in de wand van je darmkanaal zijn gladde spieren

d)

het nut van spieren is: een beweging tot stand brengen