Font size
WorksheetsA1 toets Nederlands 1
Total questions: 38
Worksheet time: 30mins
1a. Hoe groet je in Nederland? "Dag!" En dan...
Alles fijn?
Hoe maakt het?
Hoe ga jij?
Hoe gaat het?
Hoe ben jij?
1b. "Alles goed?" Antwoord:
Het is wel.
Ik ben goed!
Het gaat wel.
Je heet Alex. Hoe heet je?
Ik hete Alex.
Ik ben Alex.
Mijn naam ben Alex.
De naam is Alex.
Hallo Alex Gomez "En wat is je achternaam?"
Ik heet Alex.
Ik heet Gomez.
Ik heet Alex Gomez.
Spreken. Over jouw gezin. Wat is goed?
Ik heb twee ouders, mijn moeder en mijn vader. Ik heb twee zussen en twee broers.
Ik heb twee ouderen, mijn vader en mijn mama. Ik heb twee zuster en twee broers.
Ik heb twee grootouders, mijn vader en mijn moeder. Ik heb twee zuses en twee broers.
Ik heb twee parents, mijn vader en mijn moeder. Ik heb twee tantes en twee ooms.
2d. Spreken: voorstellen. Wat is goed?
Mag ik iemand voorstellen? - Ja hoor. - Ik is Cindy. Hoe heet jij? - Hij heet Alex. Leuk!
Mag ik mij voorstellen? - Ja hoor. - Ik ben Cindy. Hoe heet jij? - Ik heet Alex. Leuk!
Mag ik jou voorstellen? - Ja hoor. - Ik zijn Cindy. Hoe heet jullie? - Wij is Alex en Lisa. Leuk!
"Wat is jouw adres?"
"Ik woon in de Markt in nummer drie."
"Ik woon op Markt aan nummer drie."
"Ik woon aan de Markt op nummer drie."
Wat is goed?
Schrijf jij het op?
Schrijft jij het op?
Schrijven jij het op?
Welke zin is correct?
Ik kom van Nederland. Ik ben een Nederlander.
Ik kom vanaf Nederland. Ik ben een Nederlands.
Ik kom uit Nederland. Ik ben een Nederlander.
Waarom woon jij in Nederland?
Voor het werk. Voor het werken.
Voor de werk. Voor de werken.
Voor een werk. Voor een werken.
Wat vind jij van Nederland?
Ik hou van land
Ik hou van de land
Ik hou van het land
En is jouw stad leuk?
(de stad)
Eindhoven is geen mooie stad, maar wel een leuke woonplaats.
Eindhoven is geen mooi stad, maar wel een leuk woonplaats.
Spreken. In een restaurant. De ober vraagt: "Wat kan ik voor u doen?" Jij zegt:
We pizza willen graag.
Pizza we willen graag.
Een pizza graag.
Pizza!
Nu pizza eten.
De serveerster of ober vraagt: "Met hoeveel personen bent u? Jij zegt:"
Wij zijn vieren.
We zijn met vier.
We zijn vier personen.
Lezen. Je hebt niet veel geld. Kies het goedkope menu.
Menu van 20€: Tomatensoep, vegetarische schotel, vruchtenijs.
Menu van 35€: Biefstuk, frietjes, chocoladetaart.
Menu van 50€: Kreeft, salade, champagne.
Menu van 40€: Kipfilet, aardappelpuree, kaasplankje.
Wat is jouw leeftijd? Hoe oud ben jij?
Eénentwintig uur.
Negen uur.
Eénentwintig jaar.
Twintigéén jaar.
Hoeveel kost de cursus?
Honderd euros. Twee tijden vijftig.
Honderd euro. Twee keer vijftig.
Eénhonderd euro's. Twee maak vijftig.
Eenhonderd euroën. Twee maal vijftig.
Wat zeg je als je wilt dat iemand oplet en je vraagt om aandacht?
Sorry
Tot ziens!
Goed gedaan!
Let op!
6b. Maar ik kan ook zeggen betekent ....
Ik kan het op een andere manier formuleren.
Ik kan het niet anders zeggen.
Ik weet het niet zeker.
Ik wil niets zeggen.
Jullie kunnen, mogen, zullen en willen komen. Maar ik... ook!
Klik alles aan wat goed is. Klik dan op Submit.
wil
kun
kan
mag
zul
7b. Geef antwoord. Hoe gaat het met je?
Och, het gaat wel.
Nee, helemaal niet.
Misschien morgen.
Wat bedoelt hij/zij met "Och, het gaat wel"?
Hijzij voelt zich niet heel goed, maar ook niet slecht.
Hij/zij is heel gelukkig.
Hij/zij is erg ziek.
Hij/zij is boos.
"Ik voel me niet goed. Ik ben onderweg (op weg)... ..."
... naar thuis.
... thuis.
... naar huis.
"Maar waar is jouw huis?"
Welk antwoord klopt?
Ga linksaf, tweede straat rechtsaf, dan recht.
Ga linksaf, tweede straat rechtsaf, dan rechtdoor.
Ga linkaf, dan tweede straat rechtsaf, sla dan rechtdoor.
Wat staat (is) er in jullie woning?
In haar woning staan twee beds, twee tafel's en wat stoelen.
In hun woning is een bad, twee tafelen en een koppel stoelen.
In onze woning heb je een bed, twee tafels en een paar stoelen.
En jullie? Zijn jullie gelukkig met de (DE!) woning?
Ja! Ons woning is lelijk, hé!
Ja! Onze woning is leuk, hoor!
Nee. Ons woning is lekker, wel?
Nee. Onze woning is te lek, hé?
10a. Waarom blijf je thuis?
Ik ga vandaag naar het park.
Ik heb mijn huiswerk al af.
Ik wil graag een appel eten.
Ik voel me een beetje ziek. Ik blijf graag thuis.
Welke zin is correct?
Ik wil blijven graag thuis.
Ik wil thuis graag blijven.
Ik wil graag thuisblijven.
Ik wil graag blijven thuis.
Ik graag wil thuis blijven.
"Wat ga je doen?" Welke zin is goed?
Ik ga bellen de dokter.
Ik zal aanbellen de dokter.
Ik wil bellen op de dokter.
Ik ga de dokter bellen.
Lezen. Wat betekent dit? "SUIKERVRIJ"
Gratis suiker (in het product).
Geen suiker (in het product).
Suiker moet weg (uit het product).
Suiker moet erbij (bij het product).
Lezen. Wat betekent dit? HOUDBAAR TOT 2025!
Je kan dit nu eten.
Je kan dit nu niet meer eten.
Houden tot 2024
Lezen. Wat betekent dit? PINNEN EN CONTANT.
Je kan hier prikken.
Je kan hier met kaart betalen.
Je kan hier cash betalen.
Kaart en cash zijn goed.
Waar ontmoet je Sylvie? Lezen: "Lieve schat! Mijn trein komt niet om zeven uur aan, maar om twee uur. Ik neem dan een taxi of de bus. Ik stap uit op de Markt, en ik loop dan naar jouw huis. Tot morgen, Sylvie."
Op het station.
Bij jou thuis.
Bij de bus, bij de halte.
Op de Markt.
Lezen. Ik ben er om half drie.
Hoe laat ontmoet je Sylvie?
02:30
14:30
03:00
03:30
13b. Welke van de volgende werkwoorden kun je gebruiken om te vragen of iets mogelijk is?
Wil dat?
Moog dat?
Zal dat?
Kan dat?
Uit welk land kom je? Vul in.
Schrijf je voornaam en achternaam.
Schrijf je mailadres.
