wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Voeding en vertering

Total questions: 37

Worksheet time: 58mins

Name
Class
Date
1.

Eten en drinken zijn ....

a)

Voedingsmiddelen

b)

Voedingsstoffen

2.

Vitaminen en mineralen zijn ...

a)

Voedingsmiddelen

b)

Voedingsstoffen

3.

Wat zijn de belangrijkste functies van eiwitten in ons lichaam?

a)

Brandstof voor energie

b)

Opbouw en herstel van het lichaam

4.

Welke voedingsstoffen zijn brandstoffen (geven energie)?

a)

Koolhydraten

b)

Water

c)

Vitaminen

d)

Mineralen

5.

Welke voedingsstoffen zijn bouwstoffen (zorgen voor opbouw en herstel)?

a)

Alle 6 voedingsstoffen

b)

Alleen water

c)

Alleen vitaminen en mineralen

d)

Alleen vetten

6.

Welke voedingsstoffen zijn beschermende stoffen (zorgen dat je niet ziek wordt)?

a)

Vitaminen en mineralen

b)

Koolhydraten en vetten

c)

Eiwitten

d)

Alleen vitaminen

7.

Welke voedingsmiddelen bevatten veel vetten?

a)

Olie en boter

b)

Thee en sap

c)

Groente en fruiten

d)

Brood en pasta

8.

Welke voedingsmiddelen bevatten veel vitaminen?

a)

Olie en boter

b)

Thee en sap

c)

Groente en fruiten

d)

Brood en pasta

9.

Welke voedingsmiddelen bevatten veel eiwitten?

a)

Olie en boter

b)

Vis, ei en groente

c)

Kip en vlees

d)

Brood en pasta

10.

Wat zijn de belangrijkste functies van koolhydraten in ons lichaam?

a)

Brandstof voor energie

b)

Opbouw en herstel van het lichaam

11.

Welke voedingsmiddelen zijn rijk aan vezels?

a)

Vlees en vis

b)

Brood en granen

c)

Groente en fruiten

d)

Olie en boter

12.

Wat is de schijf van vijf?

a)

Een bamischijf

b)

De top 5 gezondste producten

c)

Een schijf met gezonde voedingsmiddelen

d)

Vijf producten met veel vitamines

13.
Welke voedingsstof wordt vooral geleverd door de producten uit het plaatje?
a)
Vetten
b)
Mineralen
c)
Vitamines
d)
Voedingsvezels
14.
Welke voedingsstof wordt vooral geleverd door de producten uit het plaatje?
a)
Koolhydraten
b)
Vitamines
c)
Water
d)
Eiwitten
15.

Verzadigde vet is beter dan onverzadigde vet.

a)

juist

b)

onjuist

16.
Gevarieerd eten betekent:
a)
Dat je veel dezelfde producten eet.
b)
Dat je veel verschillende producten eet.
c)
Dat je veel zuivel eet.
17.

Een voedselvergifting wordt veroorzaakt door:

a)

voedingsstoffen

b)

bacteriën en schimmels

c)

E-nummers

d)

ingrediënten

18.

Wat zijn de belangrijkste kenmerken van planteneters?

a)

Ze hebben scherpe tanden

b)

Ze hebben plooikiezen

c)

Ze zijn altijd herbivoren

d)

Ze kunnen geen cellulose verteren

19.

Is voedingsvezel een voedingsstof?

a)

Ja

b)

Nee

20.

Zit de maag tussen de slokdarm en de twaalfvingerige darm?

a)

Ja

b)

Nee

21.

Bij welk nummer staat de slokdarm

a)

nummer 6

b)

nummer 7

c)

nummer 8

d)

nummer 9

22.

Wat is nummer 4?

a)

De maag

b)

De lever

c)

De alvleesklier

d)

De dikke darm

23.

Waar ligt de twaalfvingerige darm?

a)

nummer 5

b)

nummer 6

c)

nummer 7

d)

nummer 8

24.

Wat is nummer 1?

a)

speekselklieren

b)

strotklepje en huig

c)

tanden

d)

darmsapklieren

25.

Wat is nummer 5?

a)

De dunne darm

b)

De twaalfvingerige darm

c)

De slokdarm

d)

De luchtpijp

26.

Reservestoffen hebben als speciale functie ervoor te zorgen dat je gezond blijft.

a)

juist

b)

onjuist

27.

Zowel in de slokdarm als in de twaalfvingerige darm komen peristaltische bewegingen voor.

a)

juist

b)

onjuist

28.

Waar in het darmkanaal komt gal (=galsap) bij de voedselbrij?

a)

In de dunne darm.

b)

In de dikke darm.

c)

In de twaalfvingerige darm.

d)

In de maag.

29.

Wat is een voorbeeld van een bouwstof?

a)

Eiwit

b)

Glucose

c)

Vet

d)

Zetmeel

30.

Wat zijn vetten niet?

a)

Brandstof

b)

Bouwstof

c)

beschermende stof

d)

Reservestof

31.

Voorbeelden van voedingsmiddelen zijn:

a)

melk, ei, boter en juice

b)

water, eiwitten, koolhydraat en vetten

c)

schnitzel, eiwitten, boterkoek en appel

d)

koolhydraat, aardappel, melk en boter

32.

Wat is anorexia

a)

Wanneer je eetpatroon anders dan normaal is

b)

Dan eet je minder dan dat je zou moeten eten

c)

Dan eet je meer dan dat je zou moeten eten

d)

Dan eet je helemaal niet of bijna niks

33.
Waar onder valt dit eten vooral?
a)
Koolhydraten
b)
Vetten
c)
Minaralen
d)
Eiwitten
34.

Dit sap maakt bacteriën dood

a)

alvleessap

b)

maagsap

c)

gal

d)

darmsap

35.

Waar wordt gal geproduceerd en waar wordt het opgeslagen?

a)

Geproduceerd in lever, opgeslagen in galblaas

b)

Geproduceerd in maag, opgeslagen in lever

c)

Geproduceerd in alvleesklier, opgeslagen in darm

d)

Geproduceerd in galblaas, opgeslagen in lever

36.

Welk gebitskenmerk past het best bij vleeseters?

a)

Langgerekte snijtanden voor schrapen

b)

Scherpe knipkiezen voor scheuren

c)

Knobbelkiezen voor vermengen

d)

Kegelvormige kiezen voor pletten

37.

Welke bewering over de mens is correct?

a)

De mens is een vleeseter met knipkiezen

b)

De mens is een alleseter met knobbelkiezen

c)

De mens is een planteneter met plooikiezen