WorksheetsKennistoets Groepstherapie
Total questions: 12
Worksheet time: 12mins
Tijdens een MBT-groepssessie voelt cliënt A zich buitengesloten en beschuldigt cliënt B ervan "alle aandacht te krijgen". B reageert defensief en de spanning loopt op. Wat is in lijn met de uitgangspunten van MBT in groepen de meest passende interventie van de therapeut?
De therapeut benoemt de groepsdynamiek en stelt samen nieuwe regels op om iedereen aan bod te laten komen.
De therapeut geeft psycho-educatie over projectieve processen.
De therapeut vertraagt de interactie, benoemt de spanning, en nodigt beide cliënten uit hun eigen én elkaars mentale toestanden te verkennen in het hier-en-nu.
De therapeut onderbreekt het gesprek en verlegt de aandacht naar een neutraal onderwerp.
In een psychodynamische groep valt het gesprek stil. Cliënt D zegt: "Er gebeurt hier niks, dit heeft geen zin." De groep kijkt verwachtingsvol naar de therapeut. Wat is de meest passende interventie, vanuit het principe van negatieve capaciteit?
De therapeut introduceert een nieuw onderwerp om de stilte te doorbreken.
De therapeut benoemt de stilte en het ongemak, en nodigt de groep uit om samen te onderzoeken welke gevoelens dit oproept.
De therapeut legt uit dat de stilte waarschijnlijk een teken van weerstand is.
De therapeut vraagt D een concreet thema aan te dragen om de sessie productiever te maken.
Cliënt E deelt iets schaamtevols en wendt haar hoofd af. De groep valt stil. Wat is de meest passende interventie van de therapeut volgens Van Paassen?
De therapeut vraagt E meteen de feiten helder uit te leggen.
De therapeut benoemt de stilte en mogelijke schaamte, en nodigt E én de groep uit te verkennen wat dit betekent en of er herkenning is.
De therapeut stelt de groep gerust dat E zich niet hoeft te schamen.
De therapeut benadrukt E's vooruitgang en stelt voor om door te gaan.
Cliënt G bekritiseert voortdurend cliënt H, die zich steeds meer terugtrekt. De groep neigt G te steunen. Wat is de meest passende interventie volgens Van der Veer & Claassen?
De therapeut vraagt G verantwoordelijkheid te nemen en laat H verder met rust.
De therapeut benoemt dat G mogelijk eigen gevoelens projecteert op H, nodigt H uit zijn ervaring te delen, en vraagt de groep hoe zij dit proces beleven.
De therapeut onderbreekt G en vraagt hem te stoppen.
De therapeut laat G en H apart reflecteren buiten de groep.
Cliënt K klaagt dat niemand hem steunt en valt de therapeut aan. De groep raakt geïrriteerd. De therapeut voelt frustratie en merkt dat hij K intern bestempelt als "moeilijk". Wat is de meest constructieve reactie volgens Gans & Alonso?
De therapeut benoemt dat K als "moeilijke patiënt" functioneert.
De therapeut herkent zijn eigen neiging tot etiketteren en onderzoekt samen met de groep hoe K's ervaring mede door interacties in de groep en met de leider ontstaat.
De therapeut vraagt de groep K meer steun te geven.
De therapeut confronteert K met zijn vijandige houding en stelt grenzen.
Tijdens een groepssessie zegt cliënt L: "Ik dacht dat mensen me niet mochten. Maar nu hoor ik dat ik vaak nors overkom. Dat is nieuw voor mij." Wat is dit een voorbeeld van?
Informatieoverdracht
Correctieve emotionele beleving
Interpersonal learning: feedback ontvangen en verbinden met zelfinzicht
Universalisme
Cliënt T vertelt uitgebreid over een conflict met collega's. De groep lijkt zich te vervelen en haakt af. De therapeut besluit dit proces bespreekbaar te maken. Wat is volgens Yalom & Leszcz de kern van werken in het hier-en-nu in deze situatie?
De therapeut analyseert samen met T de dynamiek op haar werk.
De therapeut gebruikt de reacties van de groep als spiegel en onderzoekt de invloed van T's manier van vertellen op de interactie in de groep.
De therapeut laat het verhaal afmaken en geeft daarna psycho-educatie.
De therapeut vraagt de groep welk onderwerp zij liever willen bespreken.
Cliënt U vertelt herhaaldelijk over ruzies met zijn partner. De groep zucht, kijkt weg en zegt: "Dit klinkt net als vorige week." Wat is de meest passende interventie in het hier-en-nu?
De therapeut vraagt U om meer details te geven over de ruzies.
De therapeut legt uit dat herhalingen normaal zijn in therapie.
De therapeut benoemt de signalen van verveling en nodigt de groep uit om te onderzoeken hoe U's manier van vertellen invloed heeft op hun ervaring in het hier-en-nu.
De therapeut verandert van onderwerp om negatieve gevoelens te vermijden.
Cliënt V voelt zich niet gehoord en dit wordt in de groep besproken. V zegt daarna: "Ik begrijp nu beter waarom ik me vaak buitengesloten voel." Wat is volgens Yalom & Leszcz de volgende stap in het kader van de dubbele taak van de therapeut?
De therapeut vraagt V om te onderzoeken hoe dit gevoel van buitengesloten zijn zich ook buiten de groep voordoet.
De therapeut rondt het thema af en laat de groep een nieuw onderwerp kiezen.
De therapeut legt uit dat dit een voorbeeld is van universalisme.
De therapeut vraagt V dit gevoel in de groep niet meer te benoemen.
Tijdens een sessie zegt cliënt W: "Ik voel me hier eindelijk op mijn gemak. Ik durf dingen te zeggen die ik nooit eerder heb uitgesproken. Het is alsof ik er echt bij hoor." Wat illustreert dit moment volgens Yalom & Leszcz het beste?
Universalisme: het besef dat anderen soortgelijke problemen ervaren.
Altruïsme: de ervaring dat men anderen kan helpen.
Cohesie: het ervaren van verbondenheid en veiligheid binnen de groep.
Interpersonal learning: het ontvangen
In een gevorderde groep voelen sommige leden zich buitengesloten door een subgroep die ook buiten de sessies contact heeft. De therapeut benoemt dit in de groep en nodigt iedereen uit te delen wat dit met hen doet. Ondanks de spanning voelen meerdere leden zich veilig genoeg om hun frustraties en onzekerheden uit te spreken. Wat laat dit voorbeeld zien over cohesie?
Cohesie is alleen aanwezig wanneer de sfeer positief en harmonieus is
Cohesie verdwijnt zodra er conflicten of subgroepen ontstaan
Cohesie houdt ook in dat er veiligheid is om confrontaties en conflicten aan te gaan
Cohesie is in latere fases van therapie minder relevant
In een groepssessie gebeuren de volgende momenten:
1. Cliënt O zegt opgelucht: "Ik dacht dat ik de enige was die zulke angsten heeft. Fijn dat jullie dit ook kennen."
2.Cliënt P vertelt hoe hij voor het eerst openlijk huilt in de groep en daarna zegt: "Dit lucht enorm op, ik voel me lichter."
3.Cliënt Q zegt tegen cliënt R: "Je onderbreekt vaak anderen. Ik voel me dan niet gehoord." R reageert: "Dat wist ik niet van mezelf." 4.Cliënt S zegt: "Ik merk dat ik me echt gesteund voel door deze groep. Ik durf hier meer mezelf te zijn." Welke koppeling tussen de gebeurtenissen en Yalom's therapeutische factoren is het meest juist?
(1) Universalisme - (2) Catharsis - (3) Interpersonal learning - (4) Cohesie
(1) Cohesie - (2) Universalisme - (3) Catharsis - (4) Interpersonal learning
(1) Interpersonal learning - (2) Altruïsme - (3) Universalisme - (4) Catharsis
(1) Catharsis - (2) Altruïsme - (3) Cohesie - (4) Universalisme
