WorksheetsHA2 4.1 - 4.5 en 4.6 oefenvragen
Total questions: 53
Worksheet time: 3hrs 39mins
Name
Class
Date
1.
Wat is er nodig voor alle producten?
a)
Industrie en transport
b)
Natuurlijke hulpbronnen: stoffen en energiebronnen
c)
Technologische innovatie
d)
Kennis van de markt
2.
Waar komen onze grondstoffen vandaan?
a)
Ze worden synthetisch geproduceerd
b)
Ze komen uit de natuur overal ter wereld
c)
Ze komen uitsluitend uit Europa
d)
Ze worden gemaakt in fabrieken
3.
Waar wordt de meeste energie mee opgewekt?
a)
Met kernenergie
b)
Met fossiele energiebronnen zoals aardgas, aardolie en steenkool
c)
Met zonne- en windenergie
d)
Met waterkracht
4.
Welke hulpbronnen zijn opnieuw te gebruiken?
a)
Steenkool, olie en gas
b)
Wind, zon, hout en voedselgewassen
c)
Plastic, aluminium en glas
d)
Zeldzame aardmetalen
5.
Wat is het probleem van zeldzame aardmetalen?
a)
Ze zijn overal onbeperkt beschikbaar
b)
Ze kunnen opraken en er is steeds meer van nodig
c)
Ze zijn gevaarlijk radioactief
d)
Ze zijn te goedkoop om te winnen
6.
Door welke twee dingen neemt de vraag naar natuurlijke hulpbronnen toe?
a)
Meer recycling en minder afval
b)
Groei van de wereldbevolking en toename van welvaart
c)
Kleiner wordende steden en krimpende landbouw
d)
Minder energiegebruik en meer hergebruik
7.
Waarom staat de draagkracht van de aarde onder druk?
a)
De aarde produceert te veel hulpbronnen
b)
We gebruiken hulpbronnen sneller dan de aarde ze kan aanvullen
c)
Er is te veel onbewoond gebied
d)
De zon levert te weinig energie
8.
Hoe kunnen we milieu-uitputting in de toekomst vermijden?
a)
Door meer fossiele brandstoffen te gebruiken
b)
Door verantwoord om te gaan met natuurlijke hulpbronnen, duurzaam te produceren en te consumeren
c)
Door meer producten weg te gooien
d)
Door meer bossen te kappen
9.
Door welke twee dingen kan de aarde leefbaar worden gehouden?
a)
Door kernenergie af te schaffen en meer te vliegen
b)
Door hernieuwbare grondstoffen te gebruiken en energieverbruik te verminderen
c)
Door meer olie te winnen en meer fabrieken te bouwen
d)
Door meer plastic te produceren en te verbranden
10.
Welke delen van de aarde zijn vrijwel onbruikbaar?
a)
Regenwouden en steppen
b)
Woestijnen en poolgebieden
c)
Stranden en rivieren
d)
Bergen en meren
11.
Hoeveel ruimte is er beschikbaar per persoon voor wonen, voedsel, energie, grondstoffen en water?
a)
0,5 hectare per persoon
b)
1,6 hectare per persoon
c)
3 hectare per persoon
d)
5 hectare per persoon
12.
Hoe groot is de gemiddelde mondiale ecologische voetafdruk?
a)
1 hectare
b)
2,6 hectare
c)
4 hectare
d)
6 hectare
13.
Wat is het verschil tussen de Europese en Afrikaanse ecologische voetafdruk?
a)
Europeaan 1,2 ha – Afrikaan 4,9 ha
b)
Europeaan 4,9 ha – Afrikaan 1,2 ha
c)
Europeaan 2,6 ha – Afrikaan 3,0 ha
d)
Europeaan 6,0 ha – Afrikaan 0,9 ha
14.
Hoeveel hectare van de 1,6 hectare is beschikbaar voor voedsel?
a)
0,5 hectare
b)
0,9 hectare
c)
1,2 hectare
d)
1,6 hectare
15.
Waarom is er veel ruimte nodig voor de productie van vlees?
a)
Omdat vlees moet worden ingevroren
b)
Omdat dieren graasland en veevoer nodig hebben
c)
Omdat vlees veel water bevat
d)
Omdat vlees alleen in tropen kan worden geproduceerd
16.
Waarom wordt er in Brazilië tropisch regenwoud gekapt voor de Nederlandse boeren?
a)
Voor houtproductie
b)
Voor soja-akkers als veevoer
c)
Voor huizenbouw
d)
Voor toeristische resorts
17.
In welke drie onderdelen wordt de ecologische voetafdruk verder verdeeld?
a)
De water-voetafdruk, energie-voetafdruk en afval-voetafdruk
b)
De voedselvoetafdruk, watervoetafdruk en CO₂-voetafdruk
c)
De transportvoetafdruk, energievoetafdruk en grondstoffenvoetafdruk
d)
De plasticvoetafdruk, bosvoetafdruk en luchtvoetafdruk
18.
Op welke twee manieren kan water in de landbouw duurzaam worden gebruikt?
a)
Overstromingsirrigatie en bemesting
b)
Druppelirrigatie en genetische modificatie
c)
Dammen bouwen en kanalen graven
d)
Meer pesticiden gebruiken en meer kunstmest
19.
Wat is het voordeel van biologische landbouw?
a)
Meer productie per hectare
b)
Er worden minder of geen kunstmest en bestrijdingsmiddelen gebruikt
c)
Minder arbeidskrachten nodig
d)
Grotere winst voor boeren
20.
Hoe kan de consument duurzamer met water en voedsel omgaan?
a)
Door meer vlees te eten
b)
Door zuinig te zijn met water en minder voedsel te verspillen
c)
Door alleen exotisch fruit te kopen
d)
Door voedsel langer in de koelkast te bewaren
21.
Waar komen de grondstoffen van elektrische apparaten vandaan?
a)
Uitsluitend uit China
b)
Overal in de wereld
c)
Uitsluitend uit Afrika
d)
Alleen uit Europa
22.
Waarom is de productieketen tegenwoordig mondiaal geworden?
a)
Omdat grondstoffen schaars zijn
b)
Omdat onderdelen op verschillende continenten worden geproduceerd
c)
Omdat transport onmogelijk is
d)
Omdat alles lokaal wordt gemaakt
23.
Om welke drie redenen heeft het wereldwijd winnen van grondstoffen een grote impact op het milieu?
a)
Uitputting, CO₂-uitstoot en veel afval
b)
Betere luchtkwaliteit, meer bossen, schoner water
c)
Minder werkgelegenheid, duurdere producten, minder transport
d)
Meer biodiversiteit, schonere oceanen, minder afval
24.
Om welke twee redenen neemt de vraag naar apparaten toe?
a)
Door technologische stilstand en bevolkingskrimp
b)
Door bevolkingsgroei en stijgende welvaart in lage- en middeninkomenslanden
c)
Door dalende prijzen en minder productie
d)
Door minder interesse in technologie en lagere lonen
25.
Noem een voorbeeld van urban mining.
a)
Goud en zilver winnen uit afgedankte mobieltjes
b)
Water zuiveren in de stad
c)
Mijnen bouwen in stedelijke gebieden
d)
Stadsparken aanleggen
26.
Waarom is de manier van consumeren ook belastend voor het milieu?
a)
Omdat mensen minder kopen
b)
Omdat producten vaak worden weggegooid, verbrand of gedumpt
c)
Omdat mensen alles recyclen
d)
Omdat producten te lang meegaan
27.
Hoe kan het consumeren ook anders verlopen?
a)
Door meer producten te verbranden
b)
Door onderdelen te recyclen en grondstoffen te hergebruiken
c)
Door alles te exporteren naar andere landen
d)
Door niets meer te gebruiken
28.
Op welke twee manieren kunnen we producten minder snel afval laten worden?
a)
Producten langer gebruiken en minder producten kopen
b)
Producten sneller vervangen en meer produceren
c)
Producten verbranden en dumpen
d)
Producten exporteren en vernietigen
29.
Wat is het nadeel van het vliegen met vliegtuigen?
a)
Het kost veel tijd
b)
Het is gevaarlijk voor vogels
c)
Het gebruikt kerosine en stoot vervuilende gassen uit
d)
Het is te goedkoop
30.
Wat is het nadeel van benzine- en dieselauto’s?
a)
Ze rijden te langzaam
b)
Ze stoten veel CO₂ uit
c)
Ze produceren geen geluid
d)
Ze rijden alleen in de stad
31.
Noem een broeikasgas.
a)
Zuurstof
b)
CO₂
c)
Methaanvrije lucht
d)
Ozonlaag
32.
Wat zijn broeikasgassen?
a)
Gassen die kou veroorzaken
b)
Gassen die warmte vasthouden in de atmosfeer
c)
Gassen die giftig zijn
d)
Gassen die zuurstof vervangen
33.
Wat leidt tot versterking van het broeikaseffect?
a)
Een tekort aan CO₂
b)
Een teveel aan CO₂ in de lucht
c)
Meer zuurstof in de atmosfeer
d)
Minder zonlicht
34.
Noem twee ernstige gevolgen van klimaatopwarming.
a)
Meer bossen en meer biodiversiteit
b)
Smeltend landijs, stijgende zeespiegel en extreem weer
c)
Minder orkanen en minder neerslag
d)
Meer voedselproductie en koelere zomers
35.
Waarom komen landen regelmatig samen op klimaatconferenties?
a)
Om meer handel te drijven
b)
Om afspraken te maken om opwarming af te remmen
c)
Om CO₂-uitstoot te verhogen
d)
Om nieuwe oorlogen te voorkomen
36.
Hoe kunnen landen ervoor zorgen dat de aarde niet verder opwarmt dan 1,5 graden?
a)
Door meer steenkool te gebruiken
b)
Door wetten op te stellen en te investeren in duurzame energie
c)
Door bossen te kappen en meer fabrieken te bouwen
d)
Door meer plastic te produceren
37.
Op welke energiebron kan nog worden overgestapt om minder CO₂-uitstoot te hebben?
a)
Aardgas
b)
Kernenergie
c)
Steenkool
d)
Kolen en olie
38.
Door welke twee dingen kan de uitstoot van broeikasgassen omlaag?
a)
Technologische vernieuwingen en gedragsverandering
b)
Meer gebruik van kolen en olie
c)
Meer ontbossing en meer transport
d)
Minder recycling en meer afval
39.
Noem een voorbeeld van een gedragsverandering voor minder uitstoot.
a)
Minder vliegen en vaker de fiets of trein nemen
b)
Meer autorijden en vliegen
c)
Meer vlees eten en minder fietsen
d)
Meer plastic gebruiken en verbranden
40.
Hoe worden nieuwe huizen klimaatneutraal gebouwd?
a)
Met fossiele brandstoffen en slechte isolatie
b)
Met goede isolatie, warmtepompen en zonnepanelen
c)
Met open haarden en oliegestookte ketels
d)
Met alleen hout en riet
41.
Hoe kan de overheid duurzaam gedrag stimuleren?
a)
Door duurzame subsidies te schrappen
b)
Door subsidies en regels zoals voor zonnepanelen
c)
Door fossiele energie goedkoper te maken
d)
Door meer afval te produceren
42.
Waarom is er klimaatadaptatie nodig?
a)
Om meer industrie te bouwen
b)
Om te kunnen blijven leven in gebieden die gevaar lopen door klimaatverandering
c)
Om de economie te laten krimpen
d)
Om meer CO₂ uit te stoten
43.
Wat gebeurt er met het grootste deel van de landbouwopbrengst in Nederland?
a)
Het wordt allemaal lokaal gebruikt
b)
Het wordt geëxporteerd over de hele wereld
c)
Het wordt opgeslagen voor later gebruik
d)
Het wordt vernietigd
44.
Hoe kan het dat Nederland zoveel kan produceren in de landbouw?
a)
Door traditioneel boeren
b)
Door intensieve landbouw
c)
Alleen door import
d)
Door kleinschalige productie
45.
Hoe werkt intensieve landbouw?
a)
Met weinig machines en veel handwerk
b)
Met zoveel mogelijk productie door machines, kunstmest en megastallen
c)
Met uitsluitend biologische methoden
d)
Met alleen natuurlijke regenval
46.
Waardoor komt er veel stikstof in lucht, bodem en water?
a)
Door windmolens en zonnepanelen
b)
Door mest van koeien die stikstof uitstoten
c)
Door regenval en stormen
d)
Door fabrieken die plastic maken
47.
Wat doet stikstof met plantensoorten?
a)
Het laat ze sneller groeien
b)
Het zorgt ervoor dat soorten verdwijnen
c)
Het maakt ze immuun voor ziektes
d)
Het verhoogt de biodiversiteit
48.
Waardoor neemt de biodiversiteit nog verder af?
a)
Door meer bomen te planten
b)
Door verdwijnen van dieren die afhankelijk zijn van planten
c)
Door meer natuurgebieden te maken
d)
Door minder stikstofuitstoot
49.
Waardoor draagt de intensieve veehouderij bij aan het broeikaseffect?
a)
Er wordt veel methaan uitgestoten
b)
Er wordt minder mest geproduceerd
c)
Er wordt CO₂ vastgelegd in gras
d)
Er wordt meer zuurstof geproduceerd
50.
Hoe zorgt de intensieve veehouderij voor slechtere waterkwaliteit?
a)
Door meer regenwater op te vangen
b)
Door fosfaatuitstoot die water vervuilt
c)
Door waterzuivering te verbeteren
d)
Door meer natuurgebieden te maken
51.
Noem drie manieren hoe landbouw anders kan.
a)
Meer kunstmest, meer vee, meer export
b)
Minder kunstmest, minder vee, lokaal geproduceerd eiwit
c)
Minder biodiversiteit, meer bestrijdingsmiddelen, meer megastallen
d)
Meer import, meer energieverbruik, minder efficiëntie
52.
Wat is het probleem van ‘grasfalt’?
a)
Het zorgt voor meer bloemen
b)
Het is maar één soort gras en slecht voor biodiversiteit
c)
Het verhoogt de voedselproductie
d)
Het maakt de bodem vruchtbaarder
53.
Waarom kan verticale landbouw een oplossing zijn?
a)
Omdat het minder voedsel oplevert
b)
Omdat het water en ruimte bespaart door lagen boven elkaar te gebruiken
c)
Omdat het veel CO₂ uitstoot
d)
Omdat het alleen werkt in woestijnen
100 %
