NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsT2 Hoofdstuk 4 oefenvragen
Total questions: 43
Worksheet time: 2hrs 9mins
Name
Class
Date
1.
Noem drie voorbeelden van grondstoffen.
a)
Aardolie, hout en metalen
b)
Plastic, beton en asfalt
c)
Zonlicht, wind en water
d)
Zout, lucht en wolken
2.
Wat zijn natuurlijke hulpbronnen?
a)
Dingen die mensen in fabrieken maken
b)
Alle dingen die we uit de natuur halen om te produceren
c)
Producten die worden gerecycled uit afval
d)
Alle producten die we kopen in winkels
3.
Wat zijn hernieuwbare hulpbronnen?
a)
Hulpbronnen die langzaam opraken
b)
Hulpbronnen die genoeg aanwezig zijn en niet snel opgaan
c)
Hulpbronnen die altijd uit fabrieken komen
d)
Hulpbronnen die alleen in steden te vinden zijn
4.
Noem drie voorbeelden van hernieuwbare hulpbronnen.
a)
Steenkool, olie en gas
b)
Water, windenergie en zonne-energie
c)
Metaal, beton en plastic
d)
Goud, zilver en koper
5.
Wat is er nodig voor de meeste producten?
a)
Herbruikbare kunststoffen
b)
Afvalmateriaal
c)
Grond uit de landbouw
d)
Niet-hernieuwbare hulpbronnen
6.
Wat is het nadeel van niet-hernieuwbare hulpbronnen?
a)
Ze zijn goedkoop
b)
Ze raken op
c)
Ze zijn overal aanwezig
d)
Ze zijn hernieuwbaar
7.
Om welke twee redenen zijn er steeds meer natuurlijke hulpbronnen nodig?
a)
De wereldbevolking groeit en de welvaart neemt toe
b)
Er is meer recycling en minder afval
c)
Er worden meer bossen geplant en minder auto’s gebruikt
d)
De landbouw neemt af en steden worden kleiner
8.
Hoe kun je het gebruik van natuurlijke hulpbronnen meten?
a)
Met de CO₂-uitstoot
b)
Met de ecologische voetafdruk
c)
Met de bevolkingsdichtheid
d)
Met de landbouwopbrengst
9.
Waarom is het niet duurzaam hoe we met de aarde omgaan?
a)
We recyclen te veel materialen
b)
We gebruiken hulpbronnen sneller op dan de aarde kan aanvullen
c)
We produceren te weinig kunststoffen
d)
We bouwen te veel huizen
10.
Waarom hebben we ook problemen met hernieuwbare hulpbronnen zoals water?
a)
Water wordt overal teveel geproduceerd
b)
Er zijn steeds meer gebieden met waterschaarste
c)
Water kan niet worden hergebruikt
d)
Water is geen natuurlijke hulpbron
11.
Welke twee gevolgen heeft het intensief gebruik van de aarde?
a)
Meer biodiversiteit en schonere lucht
b)
Uitputting van het milieu en milieuverontreiniging
c)
Meer regen en lagere temperaturen
d)
Gezondere bodem en meer bossen
12.
Op welke manier zorgt verkeer voor milieuverontreiniging?
a)
Auto’s produceren schone lucht
b)
Vliegtuigen, auto’s en schepen stoten schadelijke stoffen uit
c)
Treinen gebruiken te weinig energie
d)
Fietsen zorgen voor te veel stikstof
13.
Wat is een van de schadelijke stoffen die bij verkeer vrijkomt?
a)
Zuurstof
b)
CO₂
c)
Zout
d)
Methaan
14.
Welke drie soorten milieuverontreiniging zijn er?
a)
Water-, bodem- en luchtverontreiniging
b)
Voedsel-, geluid- en plasticvervuiling
c)
Bodem-, vuur- en houtvervuiling
d)
Licht-, lucht- en plasticvervuiling
15.
Hoe ontstaat waterverontreiniging?
a)
Te veel zuurstof in water
b)
Schadelijke stoffen zoals plastic komen in water terecht
c)
Meer vissen in de zee
d)
Regenwater verdunt het water
16.
Hoe ontstaat bodemverontreiniging?
a)
Door natuurlijke mineralen
b)
Giftige bestrijdingsmiddelen blijven achter in de bodem
c)
Door teveel zuurstof in de bodem
d)
Door teveel regenwater
17.
Hoe ontstaat luchtverontreiniging?
a)
Door CO₂ en uitstoot van industrie, landbouw en verkeer
b)
Door meer bomen te planten
c)
Door het verbranden van water
d)
Door stikstof uit oceanen
18.
Hoe veroorzaken broeikasgassen het versterkt broeikaseffect?
a)
Door zonlicht te blokkeren
b)
Door warmte vast te houden
c)
Door regen te produceren
d)
Door meer wind te veroorzaken
19.
Welke drie gevolgen heeft het versterkt broeikaseffect?
a)
Klimaatopwarming, zeespiegelstijging en extremer weer
b)
Meer bossen, schonere lucht en meer regen
c)
Minder dieren, minder oceanen, minder zonlicht
d)
Koelere zomers, meer sneeuw, lagere temperaturen
20.
Waar komen de grondstoffen van kleding vandaan?
a)
Uitsluitend uit Afrika
b)
China, India en de VS
c)
Alleen uit Europa
d)
Overal in Zuid-Amerika
21.
Hoe kun je zien dat bij kledingproductie veel landen samenwerken?
a)
De grondstoffen, productie en verkoop gebeuren in verschillende landen
b)
Alle kleding komt uit één fabriek
c)
Alle kleding wordt lokaal gemaakt
d)
De productie stopt in het buitenland
22.
Welke problemen zijn er bij produceren en consumeren van kleding?
a)
Er wordt te weinig kleding gemaakt
b)
Kleding wordt kort gedragen en er is overproductie
c)
Alle kleding is te duurzaam
d)
Kleding is te goedkoop
23.
Welke verandering vond plaats op de markt in Ghana?
a)
Meer lokale productie door Ghana zelf
b)
Meer kleding door dumping maar slechtere kwaliteit
c)
Minder vraag naar kleding door consumenten
d)
Betere kwaliteit kleding door export
24.
Om welke twee redenen is er fast fashion?
a)
Meerdere collecties per jaar en kleding wordt snel weggegooid
b)
Kleding wordt altijd gerepareerd en lang gedragen
c)
Kleding wordt lokaal geproduceerd en duurzaam gemaakt
d)
Er zijn minder collecties en kleding gaat langer mee
25.
Welke vier problemen zijn er in de kledingindustrie?
a)
Veel energieverbruik, vervuilend verven, transportvervuiling, slechte arbeidsomstandigheden
b)
Overschot aan biodiversiteit, schone fabrieken, duurzame transporten, goede lonen
c)
Gezonde fabrieken, schoon water, goede luchtkwaliteit, betere leefomgeving
d)
Meer landbouw, meer natuur, minder productie, meer dierenwelzijn
26.
Waarom blijven mensen toch werken in de kledingindustrie?
a)
Ze krijgen gratis kleding
b)
Ze verdienen meer dan in de landbouw
c)
Ze hebben geen alternatief maar krijgen geen loon
d)
Ze willen vooral reizen
27.
Welke twee verbeteringen zijn er in de kledingindustrie?
a)
Minder vervuilende verf en hergebruik van producten/afvalstoffen
b)
Meer fabrieken en meer transport
c)
Minder productie en meer afval
d)
Grotere collecties en slechtere arbeidsomstandigheden
28.
Wat doen sommige bedrijven om een beter imago te krijgen?
a)
Meer kleding produceren
b)
Greenwashing
c)
Minder reclame maken
d)
Meer fabrieken openen
29.
Waarom was er meer voedsel nodig na de Tweede Wereldoorlog?
a)
Door snelle bevolkingsgroei
b)
Door meer import
c)
Door minder landbouw
d)
Door minder industrie
30.
Welke twee stappen zette Nederland om landbouw te moderniseren?
a)
Ruilverkaveling en specialisatie in één gewas
b)
Meer import en export
c)
Meer kleinschalige boerderijen en handarbeid
d)
Meer bossen kappen en huizen bouwen
31.
Wat is een nadeel van monocultuur?
a)
Biodiversiteit neemt toe
b)
Bodemdegradatie: bodem raakt uitgeput en er is meer mest nodig
c)
Meer opbrengst en meer variatie
d)
Het klimaat wordt kouder
32.
Welke producten exporteert Nederland?
a)
Alleen grondstoffen zoals olie
b)
Gewassen (broccoli), zuivel (kaas), vlees (kip/varken)
c)
Alleen textiel en kleding
d)
Alleen fossiele brandstoffen
33.
Welke drie nadelen heeft intensieve veehouderij?
a)
Veel mest/methaan, veel veevoer import, slecht dierenwelzijn
b)
Minder veevoer, meer biodiversiteit, veel daglicht voor dieren
c)
Meer bos, minder uitstoot, meer ruimte voor dieren
d)
Minder export, minder melk, minder vlees
34.
Waardoor wordt biodiversiteit steeds lager?
a)
Door het planten van bossen
b)
Door verdwijnen van dieren/planten → minder soorten
c)
Door meer recycling
d)
Door schoon water
35.
Op welke twee manieren tast intensieve landbouw het ecosysteem aan?
a)
Bodemuitputting en gebruik van bestrijdingsmiddelen
b)
Minder CO₂-uitstoot en meer bossen
c)
Meerdere gewassen per akker en meer biodiversiteit
d)
Meer regen en minder zonlicht
36.
Welke drie dingen zijn belangrijk bij biologische landbouw?
a)
Dierenwelzijn, gezonde bodem, kleine ecologische voetafdruk
b)
Meer vee, meer kunstmest, meer pesticiden
c)
Duur transport, intensieve productie, monocultuur
d)
Meer export, meer CO₂-uitstoot, minder natuur
37.
Geef een voorbeeld hoe landbouw biologisch kan.
a)
Natuurlijke vijanden inzetten en meerdere gewassen combineren
b)
Meer kunstmest en monocultuur toepassen
c)
Meer veevoer importeren en export verhogen
d)
Meer pesticiden gebruiken en minder soorten planten
38.
Wat was een van de eerste producten die grootschalig werd gerecycled?
a)
Plastic
b)
Papier
c)
Glas
d)
Metaal
39.
Wat is noodzakelijk om afval te recyclen?
a)
Het afval moet gescheiden ingezameld worden
b)
Afval moet worden verbrand
c)
Afval moet worden begraven
d)
Afval moet worden geëxporteerd
40.
Op welke manier kan groot afval worden gerecycled?
a)
Onderdelen van apparaten in nieuwe producten gebruiken
b)
Alles verbranden
c)
Onderdelen weggooien
d)
Onderdelen exporteren
41.
Wat helpt om je ecologische voetafdruk te verkleinen?
a)
Meer plastic gebruiken en korter met spullen doen
b)
Minder plastic verbruiken en langer met spullen doen
c)
Meer vliegen en autorijden
d)
Meer vlees eten en meer afval produceren
42.
Noem twee voorbeelden van duurzame energiebronnen.
a)
Steenkool en aardgas
b)
Windenergie en zonne-energie
c)
Biomassa en olie
d)
Kolen en kernenergie
43.
Waarom moet Nederland nog hard werken voor de energietransitie?
a)
Het land gebruikt vooral fossiele brandstoffen
b)
Het land gebruikt alleen wind en zon
c)
Het land heeft geen industrie
d)
Het land heeft te weinig mensen
Reset
