Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Bevolking en cultuur 2.1 t/m 2.3 oefenvragen

Total questions: 28

Worksheet time: 1hrs 24mins

Name
Class
Date
1.
In welke gebieden leven de mensen dicht bij elkaar?
a)
Langs rivieren en de kust
b)
In poolgebieden
c)
In hoge bergketens
d)
In woestijnen
2.
In welke gebieden leven maar heel weinig mensen?
a)
In koude gebieden, woestijnen, oerwouden en bergen
b)
In kuststreken en delta’s
c)
In vruchtbare landbouwgebieden
d)
In stedelijke centra
3.
Wat betekent het als de bevolkingsspreiding ongelijkmatig is?
a)
Dat niet op elke plaats evenveel mensen wonen
b)
Dat iedereen in steden woont
c)
Dat elk gebied even bevolkt is
d)
Dat alleen kustgebieden bevolkt zijn
4.
Door welke twee oorzaken groeit de wereldbevolking?
a)
Hoog geboortecijfer en stijgende levensverwachting
b)
Migratie en urbanisatie
c)
Meer landbouw en industrialisatie
d)
Toenemende scholing en technologie
5.
Waardoor neemt de snelheid van de bevolkingsgroei af?
a)
Omdat het geboortecijfer daalt in de meeste landen
b)
Omdat mensen meer migreren
c)
Omdat de levensverwachting afneemt
d)
Omdat er meer oorlogen zijn
6.
In welke soort landen ligt het geboortecijfer nog hoog?
a)
In arme landen
b)
In westerse landen
c)
In rijke industriestaten
d)
In vergrijsde landen
7.
Waardoor is het geboortecijfer in veel landen gedaald?
a)
Omdat de meeste landen rijker zijn geworden
b)
Door een hogere kindersterfte
c)
Door meer migratie
d)
Door urbanisatie
8.
Welke twee oorzaken hebben geleid tot het verder dalen van het geboortecijfer?
a)
Langer onderwijs en verbetering van de gezondheidszorg
b)
Meer religieuze tradities en migratie
c)
Sterkere economie en verstedelijking
d)
Vergrijzing en bevolkingsdruk
9.
Geef drie redenen waarom mensen steeds ouder worden.
a)
Betere levensomstandigheden, gezondheidszorg en voeding
b)
Meer kinderen per gezin, betere scholing, meer tradities
c)
Snelle urbanisatie, migratie en technologie
d)
Religie, cultuur en politiek
10.
Waardoor is de levensverwachting in de armste gebieden nog steeds maar 50 jaar?
a)
Door hoge zuigelingensterfte
b)
Door te weinig migratie
c)
Door sterke vergrijzing
d)
Door industriële vervuiling
11.
Welke vorm heeft de bevolkingsgrafiek van een arm land?
a)
Breed onderin en smal bovenin
b)
Smalle basis en brede top
c)
Urn-vormig
d)
Rechthoekig
12.
Welke vorm heeft de bevolkingsgrafiek van een rijk land?
a)
Onderaan smal
b)
Onderin breed en bovenin smal
c)
Driehoekvormig
d)
Breed in alle lagen
13.
Wat gebeurt er met het aantal kinderen, als een land rijker wordt?
a)
Het aantal kinderen neemt af
b)
Het aantal kinderen blijft gelijk
c)
Het aantal kinderen neemt toe
d)
Het aantal kinderen stijgt eerst, daalt dan
14.
Op welke twee manieren kan de bevolking van een land groeien of krimpen?
a)
Natuurlijke groei en migratie
b)
Verstedelijking en scholing
c)
Economie en religie
d)
Handel en technologie
15.
Wat is het verschil tussen immigranten en emigranten?
a)
Immigranten komen binnen, emigranten vertrekken
b)
Immigranten vertrekken, emigranten komen binnen
c)
Immigranten zijn toeristen, emigranten niet
d)
Immigranten zijn rijker dan emigranten
16.
Wat betekent het als het migratiesaldo van een land positief is?
a)
Dat er meer mensen binnenkomen dan vertrekken
b)
Dat er meer emigranten zijn
c)
Dat de bevolking krimpt
d)
Dat het geboortecijfer stijgt
17.
Welke vier redenen zijn er om te migreren?
a)
Economisch, sociaal, politiek, milieu
b)
Traditioneel, cultureel, sportief, recreatief
c)
Medisch, juridisch, militair, toeristisch
d)
Religieus, familiair, economisch, toeristisch
18.
Hoe noemen we mensen die zijn gemigreerd vanwege economische redenen?
a)
Arbeidsmigranten
b)
Vluchtelingen
c)
Asielzoekers
d)
Expats
19.
Hoe noemen we mensen die zijn gemigreerd vanwege politieke redenen?
a)
Vluchtelingen
b)
Arbeidsmigranten
c)
Expats
d)
Seizoenswerkers
20.
Wat is cultuur?
a)
De manier waarop een groep mensen samenleeft
b)
Alleen kunst en muziek
c)
Alleen religie en taal
d)
Wetten en regels van een land
21.
Hoe leer je een cultuur?
a)
Door opvoeding
b)
Door reizen
c)
Door onderwijs alleen
d)
Door werken in een ander land
22.
Noem drie voorbeelden van cultuuruitingen.
a)
Taal, religie, kleding, architectuur
b)
Industrie, landbouw, technologie
c)
Klimaat, landschap, geografie
d)
Politiek, economie, handel
23.
Wat zijn normen en waarden?
a)
Waarden zijn wat je belangrijk vindt, normen zijn gedragsregels
b)
Normen zijn wetten, waarden zijn religies
c)
Normen zijn tradities, waarden zijn economie
d)
Waarden zijn regels, normen zijn cultuur
24.
Wat zijn tradities?
a)
Gewoonten die van generatie op generatie worden doorgegeven
b)
Moderne trends die snel veranderen
c)
Wetten die de overheid vastlegt
d)
Economische gebruiken
25.
Welke drie dingen veroorzaken veranderingen van cultuur?
a)
Migratie, economie en technologie
b)
Klimaat, religie en landschap
c)
Wetgeving, grondstoffen en natuur
d)
Tradities, waarden en normen
26.
Waarom kan cultuurverandering ook leiden tot conflicten?
a)
Omdat mensen bang zijn dat cultuur verloren gaat
b)
Omdat culturen altijd verdwijnen
c)
Omdat religie overal hetzelfde is
d)
Omdat economie cultuur vervangt
27.
Wat zijn de twee belangrijkste cultuuruitingen?
a)
Taal en religie
b)
Voeding en kleding
c)
Handel en politiek
d)
Technologie en architectuur
28.
Welke 6 talen zijn wereldtalen?
a)
Engels, Spaans, Arabisch, Frans, Russisch en Chinees
b)
Duits, Italiaans, Japans, Portugees, Hindi en Turks
c)
Latijn, Grieks, Hebreeuws, Vietnamees, Koreaans en Perzisch
d)
Zulu, Thai, Pools, Tamil, Zweeds en Hongaars