wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3mavo | H1 Arm en rijk

Total questions: 29

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Wat betekent BBP per persoon?

a)

Het Bruto Binnenlands Product gedeeld door het aantal inwoners van het land.

b)

Het aantal mensen dat in een land werkt.

c)

De hoeveelheid geld die je voor 1 euro kunt kopen.

d)

De levensverwachting in een land.

2.

Wat is de formele sector?

a)

Het officiële deel van de economie waar mensen iedere maand hun loon krijgen.

b)

Het niet-officiële deel van de economie.

c)

Het aantal mensen dat in de industrie werkt.

d)

De hoeveelheid geld die je voor 1 euro kunt kopen.

3.

Wat is de informele sector?

a)

Het niet-officiële deel van de economie zonder vast inkomen.

b)

Het officiële deel van de economie.

c)

Het aantal mensen dat in de landbouw werkt.

d)

De levensverwachting in een land.

4.

Waarvoor staat HDI?

a)

Human Development Index.

b)

Human Data Indicator.

c)

Health Development Indicator.

d)

Human Daily Income.

5.

Wat betekent alfabetiseringsgraad?

a)

Hoeveel mensen ouder dan vijftien jaar kunnen lezen en schrijven.

b)

Hoeveel mensen in de landbouw werken.

c)

Hoeveel banen er beschikbaar zijn.

d)

Hoeveel geld je voor 1 dollar kunt kopen.

6.

Wat zijn lage-inkomenslanden?

a)

Landen met een lage welvaart.

b)

Landen met een hoge welvaart.

c)

Landen met veel industrie.

d)

Landen met een hoge HDI.

7.

Welke sector hoort bij het officiële deel van de economie?

a)

Formele sector.

b)

Informele sector.

c)

Landbouwsector.

d)

Dienstensector.

8.

Wat is een voorbeeld van werk in de informele sector?

a)

Schoenenpoetser op straat.

b)

Leraar op een school.

c)

Arts in een ziekenhuis.

d)

Werknemer in een fabriek.

9.

Wat is een voorbeeld van een dienstensector?

a)

Werken in een ziekenhuis.

b)

Werken op een boerderij.

c)

Werken in een fabriek.

d)

Werken als schoenenpoetser.

10.

Wat is een voorbeeld van de industriesector?

a)

Werken in een fabriek.

b)

Werken op een boerderij.

c)

Werken in een ziekenhuis.

d)

Werken als leraar.

11.

Wat betekent bebouwingsdichtheid?

a)

Het aantal woningen per vierkante kilometer.

b)

Het aantal mensen per huishouden.

c)

Het aantal parken in een wijk.

d)

Het aantal winkels in een buurt.

12.

Welke kenmerken horen bij een woonomgeving?

a)

Straten, parken, veiligheid van de buurt.

b)

Het aantal winkels.

c)

Het aantal auto's.

d)

De hoogte van de gebouwen.

13.

Wat is een buurt?

a)

Een onderdeel van een wijk waarin één functie het belangrijkste is.

b)

Een heel dorp.

c)

Een provincie.

d)

Een land.

14.

Wat betekent bevolkingssamenstelling?

a)

De manier waarop de bevolking is samengesteld, bijvoorbeeld naar leeftijd, geslacht en herkomst.

b)

Het aantal huizen in een wijk.

c)

De hoeveelheid parken in een buurt.

d)

Het aantal winkels in een stad.

15.

Waarom is het belangrijk om naar bevolkingssamenstelling te kijken?

a)

Om te weten hoe de bevolking is opgebouwd naar leeftijd, geslacht en herkomst.

b)

Om te weten hoeveel winkels er zijn.

c)

Om te weten hoeveel huizen er zijn.

d)

Om te weten hoeveel parken er zijn.

16.

Welke functie kan een buurt hebben?

a)

Wonen, werken of recreatie.

b)

Alleen wonen.

c)

Alleen werken.

d)

Alleen winkelen.

17.

Wat kan een gevolg zijn van ontgroening?

a)

Er zijn minder jonge mensen in de bevolking.

b)

Er zijn meer winkels in de buurt.

c)

Er zijn meer huizen in de wijk.

d)

Er zijn meer parken in de stad.

18.

Wat is een kenmerk van vergrijzing?

a)

Meer mensen zijn ouder dan 65 jaar.

b)

Meer jonge mensen in de wijk.

c)

Meer winkels in de buurt.

d)

Meer parken in de stad.

19.

Wat kan een gevolg zijn van sociale ongelijkheid?

a)

Grote verschillen in welvaart tussen groepen mensen.

b)

Iedereen heeft dezelfde kansen.

c)

Iedereen woont in dezelfde wijk.

d)

Iedereen heeft dezelfde leeftijd.

20.

Wat is een kenmerk van een pluriforme samenleving?

a)

Verschillende groepen mensen leven samen.

b)

Iedereen heeft dezelfde cultuur.

c)

Iedereen is even oud.

d)

Iedereen woont in hetzelfde soort huis.

21.

Wat is een voorbeeld van een kenmerk van bevolkingssamenstelling?

a)

Leeftijd, geslacht en herkomst.

b)

Het aantal winkels.

c)

Het aantal huizen.

d)

De hoogte van de gebouwen.

22.

Wat betekent sanering?

a)

Het slopen van oude woningen en fabrieken en deze vervangen door nieuwe woningen

b)

Het verbeteren van oude woningen

c)

Het verplaatsen van mensen

d)

Het verminderen van het aantal mensen per woning

23.

Wat is een gevolg van mobiliteit?

a)

Elke ochtend reizen miljoenen mensen met de trein, bus en auto naar het werk

b)

Oude woningen worden gesloopt

c)

Er komen meer mensen met lage inkomens wonen

d)

De kwaliteit van woningen verbetert

24.

Wat wordt bedoeld met het opknappen van oude huizen?

a)

Renovatie

b)

Sanering

c)

Mobiliteit

d)

Gentrificatie

25.

Wat gebeurt er bij sanering?

a)

Oude woningen en fabrieken worden gesloopt en vervangen door nieuwe woningen

b)

Oude woningen worden opgeknapt

c)

Er komen meer mensen met hoge inkomens wonen

d)

Het aantal mensen per woning neemt af

26.

Wat is een mogelijk gevolg van renovatie?

a)

De kwaliteit van oude woningen verbetert

b)

Er komen meer mensen met lage inkomens wonen

c)

Woningen worden gesloopt

d)

Het aantal mensen per woning neemt af

27.

Wat betekent het als een buurt wordt herwaardeerd?

a)

Er komen meer mensen met hoge inkomens wonen

b)

Er worden meer fabrieken gebouwd

c)

Het aantal mensen per woning neemt toe

d)

Oude woningen worden gesloopt

28.

Wat is het verschil tussen renovatie en gentrificatie?

a)

Renovatie is het verbeteren van woningen, gentrificatie is het herwaarderen van een buurt

b)

Renovatie is het slopen van woningen, gentrificatie is het opknappen van woningen

c)

Renovatie is het verplaatsen van mensen, gentrificatie is het verminderen van mensen per woning

d)

Renovatie is het bouwen van fabrieken, gentrificatie is het slopen van fabrieken

29.

Wat is een gevolg van renovatie voor de woonomgeving?

a)

De kwaliteit van de woningen verbetert

b)

Er komen meer fabrieken

c)

Het aantal mensen per woning neemt toe

d)

De buurt wordt gesloopt