Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

SO H2 2KM

Total questions: 21

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.

Wie vormen samen de Overheid?

a)

gemeente

b)

gemeente en provincie

c)

provincie en het Rijk

d)

gemeente en het Rijk

e)

gemeente, provincie en het Rijk

2.

Welk overheid regelt alles in je woonplaats?

a)

provincie

b)

het Rijk

c)

gemeente

3.

Door wie wordt de gemeenteraad gekozen?

a)

door de burgemeester

b)

door de burgers van de gemeente

c)

door de ministers

d)

door de rechtbank

4.

Welke overheidslaag is verantwoordelijk voor de snelwegen?

a)

Gemeente

b)

Provincie

c)

Rijk

d)

Geen overheidslaag

5.

Welke overheidslaag is verantwoordelijk voor het parkje bij school?

a)

Gemeente

b)

Provincie

c)

Rijk

d)

Geen overheidslaag

6.

Zijn de uitspraken juist of onjuist?

1. De Tweede Kamer stemt over wetsvoorstellen.

2. De ministers stemmen over de wetsvoorstellen van de Tweede Kamer.

a)

1 is juist, 2 is onjuist.

b)

1 is onjuist, 2 is juist.

c)

1 en 2 zijn beide juist.

d)

1 en 2 zijn beide onjuist.

7.

De koning moet zijn …………………… elke wet.

Welk woorden zijn weggelaten?

a)

mening geven over.

b)

familie inlichten over.

c)

handtekening plaatsen onder.

d)

rechters toestemming vragen voor.

8.

Welke zinnen zijn juist?

1. De Tweede Kamer neemt een wetsvoorstel aan als de meerderheid vóór stemt.

2. De Tweede Kamer controleert of de ministers alle plannen goed uitvoeren

a)

Alleen 1 is juist.

b)

Alleen 2 is juist.

c)

1 en 2 zijn beide juist.

d)

1 en 2 zijn beide onjuist.

9.

De bevolking kiest de Tweede Kamer.

a)

Deze uitspraak is juist.

b)

Deze uitspraak is onjuist.

10.

Waaruit bestaat de regering?

a)

De koning en de ministers.

b)

De ministers.

c)

De Tweede Kamer en de ministers.

d)

De Tweede Kamer.

11.

De bevolking kiest de koning.

a)

Deze uitspraak is juist.

b)

Deze uitspraak is onjuist.

12.

Een belangrijke taak van de Tweede Kamer is de ministers controleren.

a)

Deze uitspraak is juist.

b)

Deze uitspraak is onjuist.

13.

Hoeveel zetels zijn er te verdelen in de Tweede Kamer?

a)

75

b)

100

c)

125

d)

150

14.

Onder welke macht valt de Tweede Kamer?

a)

Wetgevende macht

b)

Uitvoerende macht

c)

Rechterlijke macht

15.
Wat betekent de afkorting B en W?
a)
Burgerlijk Wetboek. 
b)
Burgemeester en Wethouders. 
c)
Bestuur en Welzijn. 
d)
Burgemeester en Wetten.
16.

De regering bestaat uit de Koning en alle ministers

a)

Waar

b)

Niet waar

17.

Wie ondersteunt de minister?

a)

Niemand

b)

De Koning

c)

De voorzitter van de Tweede Kamer

d)

De staatssecretaris

18.
Een referendum is
a)
Een Volkstelling
b)
Een volksraadpleging (over een onderwerp)
c)
Een volksraadpleging (over meerdere onderwerpen)
d)
Een spook
19.

Kabinet =

a)

Alle ministers en staatssecretarissen

b)

Alle ministers en de koning

c)

Alle ministers, tweede Kamerleden en de koning

d)

Alle leden van de Eerste en Tweede kamer

20.

De gemeenteraad en de Tweede Kamer worden allebei gekozen door

a)

het volk

b)

Mark Rutte

c)

Burgemeester

21.

Welke overheidsinstantie neemt de beslissing om het waterpeil te laten stijgen?

a)

Het Rijk.

b)

De provincie.

c)

De gemeente.

d)

Het waterschap.