WorksheetsVerbes NL irréguliers (14 à 27) - OVT et VTT
Total questions: 20
Worksheet time: 10mins
De jongen (a) per ongeluk het bord.(breken)
Hij (a) het probleem niet.
(begrijpen)
Ik heb een boek … (a) (Kiezen)
Wij (a) in het meer tijdens de zomer. (zwemmen)
Ze (a) snoep uit de winkel. (stelen)
De trein is om acht uur vertrokken (vertrekken)
(a)
Wij hebben de bus …... (nemen)
(a)
De leraar (a) het gebruik van gsm’s.(verbieden)
Ik heb een boek … (a) (lezen)
De politie heeft het feestje … (a) (verbieden)
Hij heeft zijn sleutels .
(a)
Wij (a) de afspraak. (vergeten)
Hij (a) zijn bril op school. (verliezen)
Ik heb met de leraar … (a) (spreken).
Ik (a) met mijn buurman over school.(spreken)
Jullie (a) de verkeerde trein.(nemen)
Zij is snel … (a) (genezen)
Wij hebben in de zee … (a) (zwemmen)
Het kind (a) na een week. (genezen)
Jij (a) elke avond een strip.(lezen)
