wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhalingsoefeningen oktober (MAXI)

Total questions: 106

Worksheet time: 2hrs 32mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het doel van communicatie?

a)

Iemand doen lachen

b)

Informatie, gevoelens of een boodschap overbrengen

c)

Iemand stil laten blijven

d)

Een tekst schrijven zonder fouten

2.

In deze situatie:


De directeur stuurt een bericht via Smartschool naar alle leerlingen om te zeggen dat de sportdag verplaatst is.

Wie is de zender?

a)

de directeur

b)

de sportdag is verplaatst

c)

alle leerlingen

d)

Smartschoolbericht

e)

de leerlingen informeren

3.

In deze situatie:


De directeur stuurt een bericht via Smartschool naar alle leerlingen om te zeggen dat de sportdag verplaatst is.

Wat is de boodschap?

a)

de directeur

b)

de sportdag is verplaatst

c)

alle leerlingen

d)

Smartschoolbericht

e)

de leerlingen informeren

4.

In deze situatie:


De directeur stuurt een bericht via Smartschool naar alle leerlingen om te zeggen dat de sportdag verplaatst is.

Wat is het doel van de zender?

a)

de directeur

b)

de sportdag is verplaatst

c)

alle leerlingen

d)

Smartschoolbericht

e)

de leerlingen informeren

5.

In deze situatie:


De directeur stuurt een bericht via Smartschool naar alle leerlingen om te zeggen dat de sportdag verplaatst is.

Wie is de ontvanger?

a)

de directeur

b)

de sportdag is verplaatst

c)

alle leerlingen

d)

Smartschoolbericht

e)

de leerlingen informeren

6.

In deze situatie:


De directeur stuurt een bericht via Smartschool naar alle leerlingen om te zeggen dat de sportdag verplaatst is.

Welk kanaal gebruikt de zender?

a)

de directeur

b)

de sportdag is verplaatst

c)

alle leerlingen

d)

Smartschoolbericht

e)

de leerlingen informeren

7.

In deze situatie:


Tijdens de les stuurt Lotte via Smartschool een bericht naar meneer Poelmans.
Ze vraagt of ze haar taak nog mag indienen na school, omdat ze haar USB-stick thuis vergat.
Meneer Poelmans antwoordt dat dat in orde is.

Welk kanaal gebruikt de zender?

a)

Lotte

b)

Mag ik mijn taak later indienen?

c)

meneer Poelmans

d)

Smartschoolbericht

e)

toestemming vragen om haar taak later in te dienen

8.

In deze situatie:


Tijdens de les stuurt Lotte via Smartschool een bericht naar meneer Poelmans.
Ze vraagt of ze haar taak nog mag indienen na school, omdat ze haar USB-stick thuis vergat.
Meneer Poelmans antwoordt dat dat in orde is.

Wie is de zender?

a)

Lotte

b)

Mag ik mijn taak later indienen?

c)

meneer Poelmans

d)

Smartschoolbericht

e)

toestemming vragen om haar taak later in te dienen

9.

In deze situatie:


Tijdens de les stuurt Lotte via Smartschool een bericht naar meneer Poelmans.
Ze vraagt of ze haar taak nog mag indienen na school, omdat ze haar USB-stick thuis vergat.
Meneer Poelmans antwoordt dat dat in orde is.

Wie is de ontvanger?

a)

Lotte

b)

Mag ik mijn taak later indienen?

c)

meneer Poelmans

d)

Smartschoolbericht

e)

toestemming vragen om haar taak later in te dienen

10.

In deze situatie:


Tijdens de les stuurt Lotte via Smartschool een bericht naar meneer Poelmans.
Ze vraagt of ze haar taak nog mag indienen na school, omdat ze haar USB-stick thuis vergat.
Meneer Poelmans antwoordt dat dat in orde is.

Wat is het doel van de zender?

a)

Lotte

b)

Mag ik mijn taak later indienen?

c)

meneer Poelmans

d)

Smartschoolbericht

e)

toestemming vragen om haar taak later in te dienen

11.

In deze situatie:


Tijdens de les stuurt Lotte via Smartschool een bericht naar meneer Poelmans.
Ze vraagt of ze haar taak nog mag indienen na school, omdat ze haar USB-stick thuis vergat.
Meneer Poelmans antwoordt dat dat in orde is.

Wat is de boodschap van de zender?

a)

Lotte

b)

Mag ik mijn taak later indienen?

c)

meneer Poelmans

d)

Smartschoolbericht

e)

toestemming vragen om haar taak later in te dienen

12.

Wanneer is communicatie geslaagd?

a)

Wanneer de ontvanger de boodschap begrijpt zoals de zender ze bedoelde

b)

Wanneer de zender luid genoeg praat

c)

Wanneer er een lange boodschap is

d)

Wanneer niemand antwoordt

13.

Wat is de zender?

a)

Hij stuurt de boodschap.

b)

Hij krijgt de boodschap.

c)

Dit is het middel waarmee je communiceert.

d)

Dit is de reactie van de ontvanger.

e)

Waarom je communiceert

14.

Wat is de ontvanger?

a)

Hij stuurt de boodschap.

b)

Hij krijgt de boodschap.

c)

Dit is het middel waarmee je communiceert.

d)

Dit is de reactie van de ontvanger.

e)

Waarom je communiceert

15.

Wat is het kanaal?

a)

Hij stuurt de boodschap.

b)

Hij krijgt de boodschap.

c)

Dit is het middel waarmee je communiceert.

d)

Dit is de reactie van de ontvanger.

e)

Waarom je communiceert

16.

Wat is het effect?

a)

Hij stuurt de boodschap.

b)

Hij krijgt de boodschap.

c)

Dit is het middel waarmee je communiceert.

d)

Dit is de reactie van de ontvanger.

e)

Waarom je communiceert

17.

Wat is het doel?

a)

Hij stuurt de boodschap.

b)

Hij krijgt de boodschap.

c)

Dit is het middel waarmee je communiceert.

d)

Dit is de reactie van de ontvanger.

e)

Waarom je communiceert

18.

Wat is het hoofddoel van deze tekst?

a)

de lezer informeren

b)

de lezer beïnvloeden

c)

de lezer een mening geven

d)

de lezer instructies geven

e)

de lezer een verhaal vertellen

19.

Wat is het hoofddoel van deze tekst?

a)

de lezer informeren

b)

de lezer beïnvloeden

c)

de lezer een mening geven

d)

de lezer instructies geven

e)

de lezer een verhaal vertellen

20.

Wat is het hoofddoel van deze tekst?

a)

de lezer informeren

b)

de lezer beïnvloeden

c)

de lezer een mening geven

d)

de lezer instructies geven

e)

de lezer een verhaal vertellen

21.

Wat is het hoofddoel van deze tekst?

a)

de lezer informeren

b)

de lezer beïnvloeden

c)

de lezer een mening geven

d)

de lezer instructies geven

e)

de lezer een verhaal vertellen

22.

Wat is het hoofddoel van deze tekst?

a)

de lezer informeren

b)

de lezer beïnvloeden

c)

de lezer een mening geven

d)

de lezer instructies geven

e)

de lezer een verhaal vertellen

23.

Wat is het hoofddoel van deze tekst?

a)

de lezer informeren

b)

de lezer beïnvloeden

c)

de lezer een mening geven

d)

de lezer instructies geven

e)

de lezer een verhaal vertellen

24.

Wat is het hoofddoel van deze tekst?

a)

de lezer informeren

b)

de lezer beïnvloeden

c)

de lezer een mening geven

d)

de lezer instructies geven

e)

de lezer een verhaal vertellen

25.

Wat is het hoofddoel van deze tekst?

a)

de lezer informeren

b)

de lezer beïnvloeden

c)

de lezer een mening geven

d)

de lezer instructies geven

e)

de lezer een verhaal vertellen

26.

Wat is het hoofddoel van deze tekst?

a)

de lezer informeren

b)

de lezer beïnvloeden

c)

de lezer een mening geven

d)

de lezer instructies geven

e)

de lezer een verhaal vertellen

27.

Wat is het hoofddoel van deze tekst?

a)

de lezer informeren

b)

de lezer beïnvloeden

c)

de lezer een mening geven

d)

de lezer instructies geven

e)

de lezer een verhaal vertellen

28.

Wat is het hoofddoel van deze tekst?

a)

de lezer informeren

b)

de lezer beïnvloeden

c)

de lezer een mening geven

d)

de lezer instructies geven

e)

de lezer een verhaal vertellen

29.

Wat is het hoofddoel van deze tekst?

a)

de lezer informeren

b)

de lezer beïnvloeden

c)

de lezer een mening geven

d)

de lezer instructies geven

e)

de lezer een verhaal vertellen

30.

Schrijf de persoonsvorm op:

In het park speelt een klein meisje met haar hond.

(a)  

31.

Schrijf de persoonsvorm op:

Lars haalt zijn boekentas uit de kast.

(a)  

32.

Schrijf de persoonsvorm op:

In de verte blaffen drie honden luid.

(a)  

33.

Schrijf de persoonsvorm op:

De leerlingen van 1A maken een werkstuk over LEGO.

(a)  

34.

Schrijf de persoonsvorm op:

Morgen komt de directeur de klas bezoeken.

(a)  

35.

Schrijf de persoonsvorm op:

Op het bureau van de leerkracht ligt een stapel toetsen.

(a)  

36.

Schrijf de persoonsvorm op:

Mijn beste vriend belt me elke avond.

(a)  

37.

Schrijf de persoonsvorm op:

De jongen met de rode pet heeft zijn lunch vergeten.

(a)  

38.

Schrijf de persoonsvorm op:

Op Smartschool verschijnt een nieuw bericht van de leerkracht.

(a)  

39.

Schrijf de persoonsvorm op:

Vandaag geven de leerlingen hun presentatie over Rome.

(a)  

40.

Schrijf de persoonsvorm op:

De grote bruine hond van de buren blaft de hele nacht.

(a)  

41.

Schrijf de persoonsvorm op:

In de sportzaal trainen de meisjes voor het schooltoernooi.

(a)  

42.

Schrijf de persoonsvorm op:

Juf Sarah legt de oefening rustig uit.

(a)  

43.

Schrijf de persoonsvorm op:

In de klas van 1B werken de leerlingen heel stil.

(a)  

44.

Schrijf de persoonsvorm op:

Het boek over dinosaurussen ligt op mijn nachtkastje.

(a)  

45.

Schrijf de persoonsvorm op:

Tijdens de middagpauze spelen de jongens op de speelplaats.

(a)  

46.

Schrijf het volledige onderwerp over:

In het park speelt een klein meisje met haar hond.

(a)  

47.

Schrijf het volledige onderwerp over:

Lars haalt zijn boekentas uit de kast.

(a)  

48.

Schrijf het volledige onderwerp over:

In de verte blaffen drie honden luid.

(a)  

49.

Schrijf het volledige onderwerp over:

De leerlingen van 1A maken een werkstuk over LEGO.

(a)  

50.

Schrijf het volledige onderwerp over:

Morgen komt de directeur de klas bezoeken.

(a)  

51.

Schrijf het volledige onderwerp over:

Op het bureau van de leerkracht ligt een stapel toetsen.

(a)  

52.

Schrijf het volledige onderwerp over:

Mijn beste vriend belt me elke avond.

(a)  

53.

Schrijf het volledige onderwerp over:

Achter het schoolgebouw staat een oude boom.

(a)  

54.

Schrijf het volledige onderwerp over:

De jongen met de rode pet heeft zijn lunch vergeten.

(a)  

55.

Schrijf het volledige onderwerp over:

Op Smartschool verschijnt een nieuw bericht van de leerkracht.

(a)  

56.

Schrijf het volledige onderwerp over:

Vandaag geven de leerlingen hun presentatie over Rome.

(a)  

57.

Schrijf het volledige onderwerp over:

De grote bruine hond van de buren blaft de hele nacht.

(a)  

58.

Schrijf het volledige onderwerp over:

In de sportzaal trainen de meisjes voor het schooltoernooi.

(a)  

59.

Schrijf het volledige onderwerp over:

Juf Sarah legt de oefening rustig uit.

(a)  

60.

Schrijf het volledige onderwerp over:

In de klas van 1B werken de leerlingen heel stil.

(a)  

61.

Wat doe je bij oriënterend lezen?

a)

Je leest elk woord van de tekst.

b)

Je probeert moeilijke woorden op te zoeken.

c)

Je kijkt snel naar de tekst om te weten waarover ze gaat.

d)

Je leert de tekst uit het hoofd.

62.

Wat is het doel van oriënterend lezen?

a)

De tekst woord voor woord begrijpen.

b)

Snel ontdekken waar de tekst over gaat.

c)

De tekst vertalen.

d)

De tekst samenvatten.

63.

Welke onderdelen helpen je bij oriënterend lezen?

a)

De titel, de afbeeldingen en de tussentitels.

b)

De spellingfouten in de tekst.

c)

De lengte van de woorden.

d)

De naam van de schrijver alleen.

64.

Wat vertelt de titel meestal over een tekst?

a)

Hoe oud de schrijver is.

b)

Hoe lang de tekst duurt.

c)

Het onderwerp van de tekst.

d)

De bedoeling van de lezer.

65.

Wat kun je vaak afleiden uit de inleiding van een tekst?

a)

De inhoud en het doel van de tekst.

b)

Alleen het aantal woorden.

c)

De afsluiter van de tekst.

d)

De naam van de fotograaf.

66.

Wat betekent ‘opmaak’ van een tekst?

a)

De spelling en grammatica van de tekst.

b)

De manier waarop de tekst eruitziet (titels, kleuren, afbeeldingen …).

c)

De emoties van de schrijver.

d)

De grootte van de tekst in centimeters.

67.

Waarom is oriënterend lezen belangrijk?

a)

Omdat je dan sneller kunt beginnen schrijven.

b)

Omdat je dan al begrijpt wat de tekst zal vertellen.

c)

Omdat je dan de tekst niet hoeft te lezen.

d)

Omdat je zo de titel kunt overslaan.

68.

Vervoeg de persoonsvorm in de onvoltooid tegenwoordige tijd:

Ik (fietsen) elke dag naar school.

(a)  

69.

Vervoeg de persoonsvorm in de onvoltooid tegenwoordige tijd:

Mijn vrienden (luisteren) graag naar muziek.

(a)  

70.

Vervoeg de persoonsvorm in de onvoltooid tegenwoordige tijd:

De toets (worden) uitgedeeld door de leerkracht.

(a)  

71.

Vervoeg de persoonsvorm in de onvoltooid tegenwoordige tijd:

In de namiddag (hebben) wij LO.

(a)  

72.

Vervoeg de persoonsvorm in de onvoltooid tegenwoordige tijd:

Luid (blaffen) de hond als de postbode komt.

(a)  

73.

Vervoeg de persoonsvorm in de onvoltooid tegenwoordige tijd:

(Sluiten) je boekentas goed af!

(a)  

74.

Vervoeg de persoonsvorm in de onvoltooid tegenwoordige tijd:

Altijd (staan) mijn broer te laat op.

(a)  

75.

Vervoeg de persoonsvorm in de onvoltooid tegenwoordige tijd:

Vandaag (schijnen) de zon heel fel.

(a)  

76.

Vervoeg de persoonsvorm in de onvoltooid tegenwoordige tijd:

Elke vrijdag (eten) jullie frietjes.

(a)  

77.

Vervoeg de persoonsvorm in de onvoltooid tegenwoordige tijd:

In de tuin (fluiten) hij vrolijk.

(a)  

78.

Vervoeg de persoonsvorm in de onvoltooid tegenwoordige tijd:

Hoe laat (komen) jij aan?

(a)  

79.

Vervoeg de persoonsvorm in de onvoltooid tegenwoordige tijd:

(Worden) jij ook zo boos van het slechte weer?

(a)  

80.

Vervoeg de persoonsvorm in de onvoltooid tegenwoordige tijd:

(Weten) je het juiste antwoord?

(a)  

81.

Vervolledig de zin met een schooltaalwoord.

De leerkracht wil ons (a)   over de nieuwe schoolregels.

82.

Vervolledig de zin met een schooltaalwoord.

De leerling doet (a)   dat hij zijn huiswerk wél gemaakt heeft.

83.

Vervolledig de zin met een schooltaalwoord.

De computer slaat het bestand (a)   op.

84.

Vervolledig de zin met een schooltaalwoord.

We moeten drie leerlingen (a)   voor de LEGO-wedstrijd.

85.

Vervolledig de zin met een schooltaalwoord.

(a)   om te winnen is: wie het origineelste bouwwerk maakt.

86.

Vervolledig de zin met een schooltaalwoord.

Ik vond het artikel over de Romeinen echt (a)   .

87.

Vervolledig de zin met een schooltaalwoord.

Je moet kunnen (a)   waarom je dat antwoord gekozen hebt.

88.

Vervolledig de zin met een schooltaalwoord.

Door (a)   van de vraag begreep niemand wat bedoeld werd.

89.

Vervolledig de zin met een schooltaalwoord.

De directeur gaf een (a)   antwoord tijdens de vergadering.

90.

Vervolledig de zin met een schooltaalwoord.

We moeten de kapotte muis van de computer (a)   door een nieuwe.

91.

Vervolledig de zin met een schooltaalwoord.

Lees eerst (a)   voordat je aan de oefening begint.

92.

Vervolledig de zin met een schooltaalwoord.

Iedere leerling maakte een (a)   kunstwerk met LEGO-steentjes.

93.

Vervolledig de zin met een schooltaalwoord.

De jongens proberen altijd grappige excuses te (a)   voor hun huiswerk.

94.

Vervolledig de zin met een schooltaalwoord.

In (a)   van Emma zou ik hetzelfde doen.

95.

Vervolledig de zin met een schooltaalwoord.

Zorg dat je tekst (a)   is, met een begin, midden en einde.

96.

Wat betekent “de enquête”?

a)

Een grappig verhaal

b)

Een manier om iets te onderzoeken met een vragenlijst

c)

Een proefwerk op school

d)

Een verzameling van foto’s

97.

Wat betekent “een leugentje om bestwil”?

a)

Een grote leugen om jezelf te beschermen

b)

Een grap die niemand begrijpt

c)

Een kleine leugen om iemand niet te kwetsen

d)

Een list om iemand te laten schrikken

98.

Wat is “fastfood”?

a)

Gezond eten dat je zelf klaarmaakt

b)

Eten dat je snel bereidt en snel eet

c)

Luxevoeding uit dure restaurants

d)

Diepvriesgroenten

99.

Wat betekent “de ruis” in een gesprek?

a)

Een harde storm

b)

Een storing in de communicatie

c)

Een grappige opmerking

d)

Een stilte tijdens het gesprek

100.

Wat is “de instructie”?

a)

Een uitleg of richtlijn over hoe je iets moet doen

b)

Een boek over communicatie

c)

Een zin met moeilijke woorden

d)

Een gesprek met een vriend

101.

Wat betekent “het pictogram”?

a)

Een klein plaatje dat iets voorstelt

b)

Een lijst met moeilijke woorden

c)

Een paragraaf in een tekst

d)

Een verzameling cijfers

102.

Wat betekent “de humor”?

a)

De eigenschap dat je kunt lachen en grappen maken

b)

De vaardigheid om goed te luisteren

c)

Het gevoel dat je boos wordt

d)

Een ernstige manier van spreken

103.

Wat betekent “de confrontatie”?

a)

Een onaangename of vijandige botsing

b)

Een rustige ontmoeting

c)

Een samenwerking tussen twee groepen

d)

Een vriendschappelijk gesprek

104.

Wat betekent “produceren”?

a)

Maken

b)

Kopen

c)

Verkopen

d)

Tekenen

105.

Wat betekent “de bewering”?

a)

Iets wat je zegt maar niet kunt bewijzen

b)

Een grappige zin

c)

Een beschrijving van een persoon

d)

Een geheim bericht

106.

Wat betekent “de quote”?

a)

Een citaat of uitspraak van iemand

b)

Een mop

c)

Een bericht op sociale media

d)

Een gedicht