wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Hoofdstuk 2 2m

Total questions: 19

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Wat betekent het woord behoefte?

a)

A) Iets wat je kunt kopen

b)

B) Iets wat je nodig hebt of graag wilt

c)

C) Iets wat je verkoopt

d)

D) Iets wat geld kost

2.

Waarom moet je keuzes maken?

a)

A) Omdat je oneindig veel tijd hebt

b)

B) Omdat geld en tijd beperkt zijn

c)

C) Omdat anderen dat zeggen

d)

D) Omdat het in de wet staat

3.

Wat doet een producent?

a)

A) Hij koopt spullen

b)

B) Hij maakt of levert iets

c)

C) Hij spaart geld

d)

D) Hij vergelijkt prijzen

4.

Wat is consumeren?

a)

A) Produceren van goederen

b)

B) Verkopen van producten

c)

C) Iets kopen om in je behoefte te voorzien

d)

D) Ruilen van geld voor vis

5.

Rond af op hele getallen: 8,539 → ?

a)

A) 8

b)

B) 8,5

c)

C) 9

d)

D) 8,6

6.

Wat is directe ruil?

a)

A) Product tegen geld

b)

B) Product tegen product

c)

C) Geld tegen dienst

d)

D) Product tegen lening

7.

Wat is giraal geld?

a)

A) Munten en biljetten

b)

B) Onzichtbaar geld op je bankrekening

c)

C) Buitenlands geld

d)

D) Wisselgeld

8.

Hoe heet betalen met je telefoon of smartwatch?

a)

A) Chartaal betalen

b)

B) Contant betalen

c)

C) Elektronisch betalen

d)

D) Ruilhandel

9.

Wat betekent saldo?

a)

A) De waarde van je spullen

b)

B) De schuld die je hebt

c)

C) Het bedrag op je bankrekening

d)

D) De prijs van een product

10.

Wat is een voordeel van geld gebruiken?

a)

A) Het is moeilijk te bewaren

b)

B) Het is onhandig bij betalen

c)

C) Het is makkelijk te bewaren en te ruilen

d)

D) Het verliest snel waarde

11.

Wat zijn basisbehoeften?

a)

A) Alles wat leuk is om te hebben

b)

B) Wat je echt nodig hebt om te leven

c)

C) Alles wat geld kost

d)

D) Wat anderen hebben

12.

Wat is een immateriële behoefte?

a)

A) Iets dat niet te koop is

b)

B) Een dure behoefte

c)

C) Iets dat snel opgaat

d)

D) Een luxeproduct

13.

Wat is een dienst?

a)

A) Een tastbaar product

b)

B) Iets wat iemand voor jou doet

c)

C) Iets dat je kunt bewaren

d)

D) Een goed dat lang meegaat

14.

Wat is zelfvoorziening?

a)

A) Zelf maken wat je nodig hebt

b)

B) Alles kopen in de winkel

c)

C) Niets nodig hebben

d)

D) Ruilen met geld

15.

Waar kun je betrouwbare productinformatie vinden?

a)

A) Reclames

b)

B) Vrienden

c)

C) Consumentenbond

d)

D) TikTok

16.

Hoe heet een onderzoek waarbij producten worden vergeleken?

a)

A) Productmeting

b)

B) Vergelijkend warenonderzoek

c)

C) Marktonderzoek

d)

D) Productvergelijking

17.

Wat betekent deugdelijk product?

a)

A) Slecht product

b)

B) Product dat lang meegaat en veilig is

c)

C) Goedkoop product

d)

D) Product zonder garantie

18.

Welke wet beschermt je gezondheid bij producten?

a)

A) De warenwet

b)

B) De wet van vraag en aanbod

c)

C) De consumentenwet

d)

D) De belastingwet

19.
  • Hoe lang is de wettelijke garantie in de EU op elektronica?

a)

A) 1 jaar

b)

B) 2 jaar

c)

C) 3 jaar

d)

D) 5 jaar