wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Tentamen DDW1 2025-2026

Total questions: 44

Worksheet time: 33mins

Name
Class
Date
1.

Een schrijver wil dat de lezer zijn mening overneemt.

Wat is dan het doel van de tekst?

a)

Informeren

b)

Amuseren

c)

Instrueren

d)

Overtuigen

2.

Een tekst waarin stap voor stap wordt uitgelegd hoe je iets moet doen, heeft als doel (a)   .

3.

Waarom is het handig om te weten wat het doel van een tekst is als je die leest of schrijft?

4 lines
4.

Je komt in een tekst het onbekende woord loyaal tegen.

In de volgende zin staat: Hij blijft zijn vrienden altijd trouw.
Wat helpt je hier om de betekenis te begrijpen?

a)

Een synoniem

b)

Een tegenstelling

c)

Een voorbeeld

d)

Een beschrijving

5.

Soms kom je in een tekst een moeilijk woord tegen, zoals woordenschatuitbreiding.
Als je goed kijkt, zie je dat het woord bestaat uit de delen woord, schat en uitbreiding.
Zo’n woord noem je een (a)   .

6.

Welke manieren kun je gebruiken om de betekenis van een moeilijk woord te achterhalen?

a)

Kijken naar een voorbeeld in de tekst.

b)

Letten op een synoniem of tegenstelling.

c)

Het woord opdelen in delen (zoals bij een samenstelling).

d)

De betekenis verzinnen zonder te lezen.

7.

Welke leesmanier gebruik je als je alleen de titel, eerste alinea en laatste alinea leest om te weten waar de tekst over gaat?

a)

Zoekend lezen

b)

Globaal lezen

c)

Intensief lezen

8.

Als je in een tekst op zoek bent naar een specifiek antwoord of een bepaald woord, gebruik je de leesmanier (a)   .

9.

Wanneer gebruik je intensief lezen en waarom doe je dat in die situatie?

4 lines
10.

Je gebruikt een hoofdletter aan het begin van een zin, maar ook bij (a)   .

11.

Welke namen zijn juist geschreven volgens de regels voor tussenvoegsels?

a)

Hans Van der Laan en meneer van der Laan

b)

Hans van der Laan en meneer van der Laan

c)

Hans van der Laan en meneer Van der Laan

d)

Hans Van der Laan en meneer Van der Laan

12.

Je schrijft de maanden en dagen van de week met een hoofdletter.
Is deze zin juist of onjuist?

a)

juist

b)

onjuist

13.

Wat geef je aan met een beletselteken (...)?

a)

Dat iemand twijfelt.

b)

Dat een zin wordt afgebroken of tekst is weggelaten.

c)

Dat iets wordt benadrukt.

d)

Dat iemand iets roept.

14.

Schrijf het juiste leestekens aan het eind van deze zin:

Wat een mooie dag

(a)  

15.

In welke zin staan de aanhalingstekens juist geplaatst?

a)

“Ik hou van lezen, zei hij."

b)

Ik hou van lezen., "zei hij."

c)

“Ik hou van lezen", zei hij.

d)

“Ik hou van lezen,” zei hij.

16.

Wat is de hoofdgedachte van een tekst?

a)

Het onderwerp in één woord

b)

De belangrijkste zin van de tekst

c)

De belangrijkste gedachte, samengevat in één zin

d)

De eerste zin van de inleiding

17.

Het onderwerp van een tekst kun je meestal noemen in één (a)   .

18.

Waar kun je de hoofdgedachte van een tekst meestal vinden?

a)

Door alleen de eerste zin te lezen.

b)

Door te kijken wat in alle alinea’s terugkomt.

c)

Door de inleiding en het slot te lezen.

d)

Door elk signaalwoord te onderstrepen.

19.

De hoofdgedachte is één zin waar de hele tekst over gaat en de kernzin vertelt waar een alinea over gaat.

a)

juist

b)

onjuist

20.

Waarvoor is een inleiding bedoeld?

a)

Om de tekst samen te vatten.

b)

Om het onderwerp te introduceren en de lezer nieuwsgierig te maken.

c)

Om de conclusie te trekken.

d)

Om de uitleg te geven.

21.

Wat is een goede inleiding voor een e-mail of zakelijke brief?

a)

Mijn naam is ... en ik zit in de vierde klas van de mavo op Piter Jelles De Dyk. Ik schrijf u, omdat ..

b)

Ik ben .. en ik zit in de vierde klas op De dyk. Ik wil meer informatie.

c)

Ik wil weten hoe ik mee kan doen aan de wedstrijd.

d)

Ik wil graag in een ander team.

22.

Wat hoort bij het middenstuk van een tekst?

a)

De schrijver stelt zichzelf voor.

b)

De schrijver trekt een conclusie.

c)

De schrijver bedankt de lezer voor het lezen.

d)

De schrijver geeft uitleg, voorbeelden of argumenten.

23.

Het middenstuk is altijd langer dan de inleiding en het slot én bestaat vaak uit meerdere alinea's.
Is deze zin juist of onjuist?

a)

juist

b)

onjuist

24.

Wat hoort bij het slot van een tekst?

a)

De schrijver noemt voorbeelden of uitleg.

b)

De schrijver introduceert het onderwerp.

c)

De schrijver trekt een conclusie of geeft een korte samenvatting.

d)

De schrijver maakt de lezer nieuwsgierig,

25.

Lisa hielp haar moeder met koken. Ze maakte pasta.
Naar wie verwijst ze?

4 lines
26.

De leerlingen lazen de tekst en maakten daarna hun opdracht. Dat vonden ze moeilijk.

Waar verwijst dat naar?

4 lines
27.

We gingen eerst naar de film en daarna uit eten.
Waar verwijst daarna naar?

4 lines
28.

Je schrijft een mail aan je docent om te vragen wanneer je de toets mag inhalen.
Wat vul je in bij onderwerp:?

4 lines
29.

Waar hoort de komma bij de aanhef van een zakelijke e-mail?

a)

Beste meneer Jansen

b)

Beste meneer Jansen,

c)

Beste, meneer Jansen

d)

Beste meneer, Jansen

30.

Waar hoort de komma bij de afsluiting van een zakelijke e-mail?

a)

Met vriendelijke groet

b)

Met, vriendelijke groet

c)

Met vriendelijke, groet

d)

Met vriendelijke groet,

31.

Hoe schrijf je ter attentie van in een zakelijke brief en waar zet je dat?

a)

Tav meneer De Jong, onder de aanhef

b)

t.a.v. meneer De Jong, boven het adres (1e adresregel)

c)

T.a.v. meneer De Jong, onder het bedrijf (2e adresregel)

d)

t.a.v meneer De Jong, onderaan de brief

32.

Welke datum is juist geschreven voor in een zakelijke brief?

a)

Leeuwarden 12 Oktober 2025

b)

Leeuwarden, 12 oktober 2025

c)

leeuwarden, 12 oktober

d)

Leeuwarden: 12 oktober 2025

33.

Wanneer gebruik je Betreft: in een zakelijke brief?

a)

Altijd, in elke brief.

b)

Alleen als je een e-mail schrijft.

c)

Als de brief langer is dan één alinea.

d)

Alleen als dat in de opdracht staat.

34.

Wat betekent citeren?

4 lines
35.

Veel leerlingen vinden Nederlands een lastig vak. Toch merken ze dat hun leesvaardigheid beter wordt als ze veel oefenen.
Citeer de zin die laat zien dat leerlingen iets leren van oefenen.

4 lines
36.

Veel leerlingen vinden Nederlands een lastig vak. Toch merken ze dat hun leesvaardigheid beter wordt als ze veel oefenen.
Citeer de zin die laat zien dat leerlingen iets leren van oefenen en gebruik hierbij het 'beletselteken'.

4 lines
37.

Lees de tekst:
Eerst bespraken de leerlingen in groepjes wat ze van het onderwerp wisten. Daarna maakten ze een plan voor hun presentatie en verdeelden ze de taken.
Welk verband en welk signaalwoord hoort hierbij?

4 lines
38.

Lees de tekst:
Het regende de hele dag en het schoolplein stond onder water. Daardoor besloot de directeur dat de sportdag werd verplaatst naar volgende week.
Welk verband en welk signaalwoord hoort hierbij?

4 lines
39.

Lees de tekst:
Emma leest elke avond een boek, maar haar broer kijkt liever naar films. Toch praten ze vaak samen over de verhalen die ze leuk vinden.
Welk verband en welk signaalwoord hoort hierbij?

4 lines
40.

Een mening is iets wat iemand (a)   .

41.

Wat is een standpunt?

a)

Iets wat iemand vindt zonder uitleg.

b)

Een mening die wordt ondersteund door argumenten.

c)

Een feit dat iets bewijst.

d)

Een beschrijving van een gebeurtenis.

42.

Mobieltjes moeten verboden worden op school, want leerlingen letten niet op in de les.
Schrijf op wat het standpunt is en wat het argument is.

4 lines
43.

Welke zin bevat een feit?

a)

Ik vind dat iedereen meer boeken moet lezen.

b)

Boeken zijn leuker dan films.

c)

In Nederland zijn meer dan duizend openbare bibliotheken.

44.

Ik zie het tentamen Nederlands met vertrouwen tegemoet!

a)

ja

b)

nee

c)

een beetje