wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefentoets Havo 2 -Lezen- Gramm. WS+ Spelling

Total questions: 37

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

Welke twee tekstvormen hebben een activerend tekstdoel?

a)

  advertentie

b)

  instructie

c)

.flyer

d)

   verslag

2.

'Je leest de tekst helemaal, omdat je hem wilt begrijpen'

a)

Verkennend lezen

b)

Nauwkeurig lezen

c)

Zoekend lezen

d)

Studerend lezen

3.

Je bekijkt de tekst om een eerste indruk te krijgen. Deze strategie noem je...

a)

Verkennend lezen

b)

Nauwkeurig lezen

c)

Zoekend lezen

d)

Studerend lezen

4.

Bij verkennend lezen, lees je de tekst:

a)

Helemaal

b)

Voor de helft

c)

Niet

5.

Welk van deze signaalwoorden geeft GEEN opsommend tekstverband aan?

a)

daarna

b)

ook

c)

bovendien

d)

daarnaast

6.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord daarna?

a)

opsommend

b)

uitleggend

c)

tijdsvolgorde

d)

redengevend

7.

Welk van deze signaalwoorden geeft GEEN tegenstellend tekstverband aan?

a)

maar

b)

daarentegen

c)

echter

d)

terwijl

8.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord terwijl?

a)

tijdsvolgorde

b)

tegenstellend

c)

concluderend

d)

uitleggend

9.

Welk van deze signaalwoorden geeft GEEN concluderend tekstverband aan?

a)

kortom

b)

dus

c)

want

d)

dan ook

10.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord want?

a)

tegenstellend

b)

opsommend

c)

redengevend

d)

vergelijkend

11.

Welk van deze signaalwoorden geeft GEEN tekstverband van tijdsvolgorde aan?

a)

terwijl

b)

vanwege

c)

toen

d)

zodra

12.

Tekstdoel=?

a)

Informeren

b)

Activeren

c)

Amuseren

d)

Overtuigen

13.

De schrijver geeft zijn persoonlijke mening over een actueel onderwerp

a)

Informeren

b)

Overtuigen

c)

Overhalen

d)

Amuseren

14.

Wat is het tekstdoel?

a)

De schrijver wil je amuseren (amuseren)

b)

De schrijver wil informatie geven (informeren)

c)

De schrijver wil je iets leren of uitleggen (instrueren)

d)

De schrijver wil zijn mening geven (overtuigen)

15.

Tekstdoel=?

a)

Informeren

b)

Activeren

c)

Amuseren

d)

Overtuigen

16.

Benoem de woordsoorten:

Woordsoorten zijn lastig.

'lastig' is

a)

ZN

b)

BN

c)

WW

d)

LW

17.

zelfstandig werkwoord of hulpwerkwoord?

Ik zwem graag baantjes.

Zwem =

a)

zelfstandig werkwoord

b)

hulpwerkwoord

c)

koppelwerkwoord

18.

Zelfstandig werkwoord of hulpwerkwoord?

Ik word bekeken

word = .....

a)

zelfstandig werkwoord

b)

hulpwerkwoord

c)

koppelwerkwoord

19.

Bas wordt later piloot.

wordt: hww, zww of kww?

a)

hulpwerkwoord

b)

zelfstandig werkwoord

c)

koppelwerkwoord

20.

Welke woorden zijn pers. vnw?

Ik ken Jan wel, maar mijn ouders hebben hem nog nooit gezien.

a)

ik, Jan, ouders, hem

b)

Ik, hem

c)

mijn, hem

d)

Ik

21.

Hoeveel pers. vnw. vind je in de zin:

Ga je met ons mee naar mijn huis?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

22.

Zijn dat onze glazen of die van jullie?

'onze' =

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

23.

Dat is niet mijn probleem.

dat=

a)

aanwijzend voornaamwoord

b)

lidwoord

c)

vragend voornaamwoord

d)

bezittelijk voornaamwoord

24.

Wat zijn de aanwijzende en vragende voornaamwoorden in onderstaande zin?

Deze jongen vroeg mij wat ik met die fiets had gedaan.

a)

aanw.vnw: deze, die, met

vrg.vnw: wat

b)

aanw.vnw.: deze, die

vrg.vnw: wat

c)

aanw.vnw: deze, die

vrg.vwn:-

d)

aanw.vnw: wat

vrg.vnw: -

25.

1. Ik zal je de boodschappen morgen brengen (toekomst, belofte)
2. Ik zal het nooit meer doen (toekomst, belofte)
3. Zullen we naar de bioscoop gaan? (voorstel)

4. Wij zullen Emma van het station halen (benadrukken)

Deze zinnen staan in de ?

a)

voltooid tegenwoordig toekomende tijd

b)

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (o.t.t.t.)

c)

Voltooid verleden toekomende tijd (v.v.t.t.)

d)

Onvoltooid verleden toekomende tijd (o.v.t.t.)

26.

Emma zou vandaag optreden, maar ze kon niet.

Jullie zouden te trein nemen, maar kwamen met de fiets. 

Deze zinnen staan in de ?

a)

Onvoltooid verleden toekomende tijd (o.v.t.t.)

b)

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (o.t.t.t.)

c)

Voltooid verleden toekomende tijd (v.v.t.t)

27.

Volgende week zullen we de toets gemaakt hebben.

Volgend jaar zullen we op vakantie zijn geweest

Deze zinnen staan in de ?

a)

Voltooid verleden toekomende tijd ( v.v.t.t.)

b)

Onvoltooid verleden toekomende tijd (o.v.t.t.)

c)

voltooid tegenwoordige toekomende tijd ( v.t.t.t)

28.

Na de dubbele punt volgt ?

a)

een opsomming

b)

een citaat

c)

een vraag

d)

een uitroep

29.

Een citaat is

a)

een letterlijke overname van een tekst, uitspraak of afbeelding uit een andere bron, vaak tussen aanhalingstekens geplaatst

b)

iemands gedachten

c)

een uitleg

d)

een voorbeeld

30.

Na een dubbele punt volgt ALTIJD een hoofdletter

a)

Dit is juist

b)

Dit is niet juist

31.

Als de zin na een dubbele punt een citaat is of met een naam begint volgt een hoofdletter.

a)

Dit is juist

b)

Dit is niet juist

32.

de hoofdgedachte van een informatieve tekst bevat altijd een mening

a)

Dit is juist

b)

Dit is niet juist

33.

De hoofdgedachte van een betogende tekst bestaat altijd uit een mening.

a)

Dit is juist

b)

Dit is niet juist

34.

De hoofdgedachte van een betogende tekst bestaat altijd uit een mening, gevolgd door een ?

a)

feit

b)

citaat

c)

onderwerp

d)

argument

35.

Het belangrijkste wat de schrijver over het onderwerp zegt is?

a)

Zijn/haar mening

b)

Een argument

c)

De hoofdgedachte

36.

De hoofdgedachte staat vaak in ?

Geef 2 antwoorden

a)

de inleiding

b)

de slotalinea

c)

de kern

d)

het onderwerp

37.

Om de hoofdgedachte te vinden kun je informatie combineren uit de inleiding en het slot.

a)

Dit is juist

b)

Dit is niet juist