Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Opbouw van organismen: oefenen

Total questions: 31

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de kleinste levende bouwsteen van alle levende wezens?

a)

een cel

b)

een orgaan

c)

een atoom

d)

een organisme

2.

  • Hoe heet het vlies dat de inhoud van de cel omringt en beschermt?



(a)  

3.

  • Wat zit er in de celkern dat bepaalt hoe je eruitziet en hoe je lichaam werkt?



(a)  

4.
  • Noem de vijf niveaus van organisatie in een levend wezen in de juiste volgorde.

a)

cel, orgaan, weefsel, orgaanstelsel, organisme

b)

weefsel, cel, orgaanstelsel, organisme, orgaan

c)

cel, weefsel, orgaan, orgaanstelsel, organisme

d)

organisme, orgaan, cel, weefsel, atoom

5.

Wat zijn juiste voorbeelden van een orgaan?

a)

de maag

b)

de hersenen

c)

spierweefsel

d)

een vogel

6.

  • Wat is een groep van cellen met dezelfde vorm en functie?



(a)  

7.
  • Wat is een orgaanstelsel?

a)

Meerdere organen die samenwerken

b)

Meerdere cellen die samenwerken

c)

Twee organismen die samenwerken

d)

Een gangenstelsel gemaakt van organen

8.
  • In welke twee grote groepen kunnen we cellen indelen?

a)

menselijke cellen en dierlijke cellen

b)

zenuwcellen en bloedcellen

c)

rode en witte bloedcellen

d)

dierlijke en plantaardige cellen

9.
  • Noem de verschillen tussen een plantaardige en een dierlijke cel.

a)

celwand, celkern, celmembraan

b)

celwand, vacuole, bladgroenkorrel

c)

celmembraan, bladgroenkorrel, mitochondriën

d)

celkern, bladgroenkorrel, mitochondriën

10.
  1. Waar vind je bladgroenkorrels (chloroplasten)?

a)

in een plantaardige cel

b)

in een dierlijke cel

c)

in een weefselcel

d)

in een DNA-cel

11.
  • Waarom hebben spiercellen veel mitochondriën?

a)
Spiercellen hebben veel mitochondriën voor zuurstofopslag.
b)
Mitochondriën in spiercellen helpen bij het afbreken van vetten.
c)
Spiercellen gebruiken mitochondriën voor het opslaan van calcium.
d)
Spiercellen hebben veel mitochondriën om voldoende energie (ATP) te produceren voor spieractiviteit.
12.
  • Wat is de functie van het celmembraan?

a)
Het celmembraan is verantwoordelijk voor de energieproductie in de cel.
b)
De functie van het celmembraan is het opslaan van genetisch materiaal.
c)
Het celmembraan reguleert alleen de temperatuur van de cel.
d)
De functie van het celmembraan is het reguleren van de in- en uitstroom van stoffen en het bieden van bescherming aan de cel.
13.
  • Wat is de functie van de celkern?

a)

De functie van de celkern is het opslaan van DNA en het controleren van de cel

b)
De celkern reguleert de waterbalans in de cel.
c)

De celkern is verantwoordelijk voor het aanmaken van eiwit.

d)
De celkern produceert energie voor de cel.
14.
  • Wat doet het cytoplasma in een cel?

a)

Het cytoplasma zorgt voor de celdeling.

b)
Het cytoplasma ondersteunt en transporteert organellen en stoffen binnen de cel.
c)
Het cytoplasma produceert energie voor de cel.
d)
Het cytoplasma vormt de buitenste laag van de cel.
15.
  • Wat is het verschil tussen het celmembraan en de celwand?

a)
Het celmembraan is flexibel en reguleert stoffen, terwijl de celwand stevig is en bescherming biedt.
b)

Het celmembraan zorgt voor stevigheid, en de celwand laat geen stoffen door.

c)
Het celmembraan is stevig en beschermt de cel, terwijl de celwand flexibel is en stoffen doorlaat.
d)
Het celmembraan is dik en biedt structuur, terwijl de celwand dun is en stoffen reguleert.
16.

Wat is een voorbeeld van een orgaanstelsel?

a)

de lever en de dunne darm

b)
Spijsverteringsstelsel
c)

zenuwcel

d)

het hoofd

17.

Het is een blaasje dat met vocht is gevuld en zorgt voor stevigheid in de plantencel.

a)

de vacuole

b)

de celkern

c)

de mitochondriën

d)

de celwand

18.
  • Waarom hebben niet alle cellen in je lichaam dezelfde vorm?

a)
De vorm van cellen is alleen afhankelijk van hun grootte.
b)
Cellen veranderen van vorm afhankelijk van de omgeving.
c)
Alle cellen zijn identiek in structuur en functie.
d)
Niet alle cellen hebben dezelfde vorm omdat ze verschillende functies in het lichaam vervullen.
19.
  • Hoe kun je met een microscoop het verschil zien tussen een dierlijke en een plantaardige cel?

a)
Dierlijke cellen hebben geen celwand en chloroplasten, plantaardige cellen wel.
b)
Dierlijke cellen bevatten altijd chloroplasten, plantaardige cellen niet.
c)
Plantaardige cellen zijn altijd groter dan dierlijke cellen.
d)
Dierlijke cellen hebben een celwand en chloroplasten, plantaardige cellen niet.
20.

Je ziet op de afbeeldingen meerdere (a)  

21.

De groene bolletjes die je ziet zijn...

(a)  

22.

Op de foto zie je meerdere verschillende ...

(a)  

23.

Hier zie je een stuk van een ...

(a)  

24.

Het donkere bolletje dat je in elke cel ziet is de ...

(a)  

25.

Wat voor soort cellen zijn dit?

a)

rode bloedcellen

b)

hersencellen

c)

zenuwcellen

d)

plantaardige cellen

26.

Wat is het blauwe blaasje op de foto?

a)

celwand

b)

vacuole

c)

celkern

d)

cytoplasma

27.

Wat is de buitenkant van een plantencel? Op de afbeelding is dit groen gekleurd.

a)

celwand

b)

vacuole

c)

celmembraan

d)

mitochondrion

28.

Wat is het celorganel dat rood is gekleurd op de afbeelding?

a)

celkern

b)

vacuole

c)

celmembraan

d)

mitochondrion

29.

Zie je op de foto een plantaardige cel of dierlijke cel?

a)

plantaardige cel

b)

dierlijke cel

30.

  • Wat is de functie van vacuoles in plantaardige cellen?

a)

Vacuoles produceren energie voor de cel.

b)

Vacuoles beschermen de cel tegen ziekteverwekkers.

c)

Vacuoles slaan water en voedingsstoffen op.

d)

Vacuoles zijn verantwoordelijk voor de celdeling.

31.

  • Waarom zijn chloroplasten belangrijk voor planten?

a)

Chloroplasten helpen bij de fotosynthese.

b)

Chloroplasten slaan eiwitten op.

c)

Chloroplasten reguleren de temperatuur van de cel.

d)

Chloroplasten zijn verantwoordelijk voor de celdeling.