Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

voorkennis ophalen h4

Total questions: 10

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.

Noem zoveel mogelijk soorten computers hebben we maandag hebben besproken.

4 lines
2.

Wat houdt het begrip ‘floating-pointberekening (FLOPs)’ in

a)

Het geeft de snelheid van een supercomputer aan

b)

Een rekenkundige berekening op een kommagetal

c)

Een wisselend kommagetal (floating) dat wordt berekend

d)

Weet ik niet

3.

Hoe heet een computer die netwerk/internettoepassingen mogelijk maakt?

a)

Internet of Things

b)

Mainframe

c)

Server

4.
  1. - Leg kort het verschil tussen een 'Embedded System' en 'Internet of Thing' uit.

  2. - Geef een voorbeeld van een apparaat dat onder het 'Internet of Things' valt.

4 lines
5.

We hebben het gehad over de processor, wat zijn de belangrijkste doelen van een processor (CPU)?

a)

Het opslaan van bestanden

b)

Het besturen van de computer

c)

Beeld maken voor je beeldscherm

d)

Het uitvoeren van berekeningen

6.

De Wet van Moore stelt dat het aantal transistors op een chip elke twee jaar verdubbelt.
Wat houdt dit in?

a)

Computers worden elke twee jaar twee keer zo groot.

b)

Het energieverbruik van computers verdubbelt elke twee jaar.

c)

De prestaties van computers nemen ongeveer elke twee jaar toe.

d)

De hoeveelheid geheugen in een computer halveert elke twee jaar.

7.

Wat is zijn volgens de Von Neumann-architectuur de hoofdcomponenten van een computer?

a)

Processor + moederbord

b)

CPU + extern geheugen

c)

CPU + grafische kaart

d)

Processor + RAM

8.

Een processor bestaat vaak uit meerdere ....

Als er meer dan 1 .... zijn, dan is het mogelijk om meerdere taken tegelijkertijd uit te voeren.

(a)  

9.

In een computer zitten intern en extern geheugen. Wat is het verschil en waarvoor worden ze gebruikt?

4 lines
10.
  1. 1. Een sensor zet een fysieke grootheid, zoals licht of temperatuur, om in een elektrisch signaal.

    1. 2. Een actuator meet veranderingen in de omgeving en geeft deze door aan een computer.

a)

Alleen 1 is waar

b)

Alleen 2 is waar

c)

Beide zijn waar

d)

Beide zijn niet waar