wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Ketjes in de natuur: biotopen en voedselketens

Total questions: 65

Worksheet time: 5hrs 25mins

Name
Class
Date
1.

Wat is een carnivoor?

a)

Een organisme dat planten eet, een planteneter.

b)

Een organisme dat vlees eet, een vleeseter.

c)

Een plant.

d)

Een organisme dat planten en vlees eet, een alleseter.

2.

Wat is een herbivoor?

a)

Een plant.

b)

Een organisme dat vlees eet, een vleeseter.

c)

Een organisme dat planten eet, een planeteneter.

d)

een organisme dat planten en vlees eet., een alleseter.

3.

Wat is een omnivoor?

a)

Een plant.

b)

Een organisme dat planten eet, een planteneter.

c)

Een organisme dat vlees eet, een vleeseter.

d)

Een organisme dat planten en vlees eet, een alleseter.

4.

Een plant is ...

a)

de eerste consument

b)

een producent

c)

de tweede consument

5.

Wat is een producent in de voedselketen?

a)

Een organisme dat zelf zijn voedsel maakt door fotosynthese.

b)

Een organisme dat planten eet (een herbivoor).

c)

Een organisme dat vlees eet (een carnivoor).

6.

Wat is een voorbeeld van een producent?

a)

het konijn

b)

de wolf

c)

de struik

7.

Wat is een voorbeeld van een omnivoor (een alleseter)?

a)

de wilde eend

de wilde eend

b)

de netel

de netel

c)

de uil

de uil

d)

de vlinder

de vlinder

8.

Wat doet een producent in een voedselketen?

a)

Het eet andere organismen.

b)

Het maakt zijn eigen voedsel.

c)

Het leeft van afval.

9.

Wat is een voorbeeld van een herbivoor (een planteneter)?

a)

het hert

het hert

b)

de paddenstoel

de paddenstoel

c)

het waterhoen

het waterhoen

d)

de slak

de slak

10.

Wat is de rol van een herbivoor in de natuur?

a)

Het maakt zijn eigen voedsel.

b)

Het eet planten en is voedsel voor carnivoren of omnivoren.

c)

Het eet andere herbivoren.

11.

Wat is dit?

a)

Een voedselkringloop

b)

Een voedselweb

c)

Een voedselketen

12.

Dit is een ...

a)

voedselweb

b)

voedselketen

c)

voedselkringloop

13.

Dit is een ...

a)

voedselpiramide

b)

voedselketen

c)

voedselkringloop

14.

Dit is een ...

a)

voedselpiramide

b)

voedselketen

c)

voedselkringloop

15.

Een voedselketen begint altijd met een....

a)

producent, een plant

b)

consument

16.

In deze voedselketen is het koolmeesje (de vogel)...

a)

de producent

b)

de eerste consument

c)

de tweede consument

d)

de derde consument

17.

Hoe noemen we de groene planten in een voedselketen?

a)

de eerste consumenten

b)

de tweede consumenten

c)

de producenten

18.

Wat is een biotoop?

a)

Een dier dat planten eet.

b)

Een reeks organismen die elkaar opeten.

c)

Een gebied (een plaats) waar planten en dieren leven.

d)

Een dier dat andere dieren opeet.

19.

Wat is geen biotoop?

a)

het bos

het bos

b)

de tuin

de tuin

c)

de vijver

de vijver

d)

de vissen

de vissen

20.

Wat is een synoniem (ander woord) voor biotoop?

a)

het leefgebied

b)

het dier

c)

de plant

d)

de voedselketen

21.

Wat gebeurt er als er een plant verdwijnt in de natuur?

a)

Er groeien meer planten.

b)

Planten beginnen te vliegen.

c)

Alles blijft hetzelfde. Er gebeurt niets.

d)

Dat heeft invloed op de hele voedselketen.

22.

Wat is de fotosynthese?

a)

Water geven aan de bloemen.

b)

De groei van bloemen.

c)

Het eten van bloemen.

d)

Planten maken hun voedsel door zonlicht, water en lucht te gebruiken.

23.

Welke planten komen vaak voor in de berm?

a)

het gras

het gras

b)

de tulp

de tulp

c)

de klaver

de klaver

d)

het madeliefje

het madeliefje

24.

Welke dieren komen vaak voor in de berm?

a)

het lieveheersbeestje

het lieveheersbeestje

b)

de regenworm

de regenworm

c)

de hond

de hond

d)

de vlinder

de vlinder

25.

Welke plant is dit?

a)

de brandnetel

b)

het gras

c)

de klaver

d)

de roos

26.

Een paardenbloem vinden we terug ...

a)

in de berm.

b)

in het zwembad

c)

in de tuin

d)

op de stenen

27.

De eend is ...

a)

een eierleggend dier

b)

een levendbarend dier

28.

De kraai is ...

a)

een eierleggend dier

b)

een levendbarend dier

29.

De bij is ...

a)

een eierleggend dier

b)

een levendbarend dier

30.

De kikker is ...

a)

een eierleggend dier

b)

een levendbarend dier

31.

De vos is ...

a)

een eierleggend dier

b)

een levendbarend dier

32.

Het konijn is ...

a)

een eierleggend dier

b)

een levendbarend dier

33.

De eekhoorn is ...

a)

een eierleggend dier

b)

een levendbarend dier

34.

Planten maken zelf hun voedsel.

Wat hebben ze hiervoor nodig?

a)

zonlicht

zonlicht

b)

water

water

c)

lucht

lucht

d)

dieren

dieren

e)

een andere plant

een andere plant

35.

In welke laag vind je een regenworm terug?

a)

De struiklaag

b)

De kruidlaag

c)

De boomlaag

d)

De moslaag

36.

Een gewerveld dier is een dier...

a)

met een ruggengraat (skelet)

b)

zonder ruggengraat (skelet)

37.

Een ongewerveld dier is een dier...

a)

met een ruggengraat (skelet)

b)

zonder ruggengraat (skelet)

38.

Welk kenmerk helpt een woerd om goed te leven in zijn leefgebied?

a)

Scherpe klauwen

b)

Vinnen

c)

Lange poten om te springen

d)

Zwemvliezen

39.

Waarom leeft een regenworm in de bodem/grond?

a)

Omdat hij daar voedsel, vocht en een schuilplaats vindt

b)

Omdat hij daar in bomen kan klimmen

c)

Omdat hij daar kan vliegen

d)

Omdat hij daar kan zwemmen

40.

Welke laag ontbreekt er?

(a)  

41.

Waarom leeft een woerd vooral in water en aan de oever?

a)

In het water kan hij graven.

b)

Omdat hij daar kan vliegen

c)

Omdat hij daar kan klimmen in bomen

d)
  • In het water vindt hij waterplanten en kleine diertjes om te eten.

42.

Welk kenmerk helpt een eekhoorn in het bos?

a)

Vinnen

Vinnen

b)

Klauwen

Klauwen

c)

Stekels

Stekels

43.

Een slak heeft een huisje ...

a)

om te slapen.

b)

om zich te beschermen tegen vijanden.

44.

Een dier kan in een bepaald leefgebied leven omdat het het juiste (a)   heeft.

45.

Waarom kan een vis niet op het land leven?

a)

Zijn kieuwen werken niet zonder water.

b)

Hij heeft geen poten.

c)

Hij vindt het niet leuk.

46.

Welke laag ontbreekt er?

(a)  

47.

Welke laag ontbreekt er?

(a)  

48.

Welke laag ontbreekt er?

(a)  

49.

De lagen van het bos: Boomlaag, struiklaag, kruidlaag en ... ?

(a)  

50.

In welke laag van het bos leeft een vos?

(a)  

51.

Welk dier leeft in de kruidlaag?

a)

muis

muis

b)

konijn

konijn

c)

kever

kever

d)

mier

mier

52.

Welk deel van de plant is nummer 1 ?

a)

de bloem

b)

het blad

c)

het zaad

d)

de wortels

53.

Wat is de functie van de stengel (nummer 5) ?

a)

Die vervoert water en voeding van de wortels naar de bladeren.

b)

Die maakt de plant groter.

c)

Die neemt water en voeding op uit de grond.

54.

Welk deel van de boom is nummer 1 ?

a)

de wortels

b)

de kruin

c)

de stam

d)

de takken

55.

Wat is de functie van de stam (nummer 3) ?

a)

Mensen leren klimmen.

b)

De stam zorgt voor de stevigheid.

c)

Hij brengt de boom de hoogte in.

d)

Hij vervoert water en voeding naar de takken en de bladeren.

56.

Welk deel van de boom is nummer 2 ?

a)

de kruin

b)

de wortels

c)

de stam

d)

de tak

57.

Wat is de functie van de wortels van de boom (nummer 4) ?

a)

Dit is eten voor de konijnen.

b)

Hierdoor staat de boom stevig in de grond.

c)

Ze laten mensen vallen op de grond.

d)

Ze zuigen water en voeding uit de grond.

58.

Welk deel van de plant is nummer 6 ?

a)

de stengel

b)

de vrucht

c)

de wortels

d)

het blad

e)

het zaad

59.

Welk deel van de paddenstoel is nummer 1 ?

a)

zwamvlok

b)

hoed

c)

ring / kraag

60.

Welk deel van de paddenstoel is nummer 2 ?

a)

vlokken

b)

ring/kraag

c)

plaatjes

61.

Welk deel van de paddenstoel is nummer 3 ?

a)

steel

b)

beurs/knol

c)

plaatjes/buisjes

62.

Op welke manier verspreiden paddenstoelen zich? (valt uit de hoed)

a)

Via de steel

b)

Via sporen

c)

Via dieren

63.

Paddenstoelen zijn geen planten, maar...

a)

bloemen

b)

schimmels

c)

fruit

64.

Wat is een naaldboom?

a)

een boom met bladeren

b)

een boom met vruchten

c)

een boom met naalden

d)

een boom met wortels

65.

Wat is een loofboom?

a)

Boom die zelfs in de winter groen blijft.

b)

Boom die rot is vanbinnen.

c)

Boom die zijn blaadjes verliest in de herfst.