Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Literatuurhistorie middeleeuwen

Total questions: 18

Worksheet time: 6mins

Name
Class
Date
1.

Welke soorten middeleeuwse literatuur ken je?

a)

Geestelijke romans, ridderromans en burgerlijke literatuur.

b)

Exempelen, ridderromans en dierenverhalen

c)

Geestelijke literatuur, voorhoofse en hoofse romans

d)

Burgerlijke romans, heiligenlevens en ridderromans

2.

In welk type verhalen kun je de geestelijke literatuur onderverdelen?

a)

Exempelen, Marialegendes en dierenverhalen.

b)

Heiligenlevens, dierenverhalen en Marialegendes.

c)

Heiligenlevens, exempelen en Marialegendes.

d)

'Van den naturen Bloemen', heiligenlevens en dierenverhalen.

3.

Wat is de functie van een exempel?

a)

De burgers vromer maken.

b)

Ervoor zorgen dat de Bijbel interessanter wordt.

c)

Een voorbeeld geven van hoe mensen zich moesten gedragen.

d)

Exempelen hebben een amuserende functie.

4.

Wat is de Griseldis voor type verhaal?

a)

Een Heiligenleven

b)

Een exempel

c)

Een dierenverhaal

d)

Een Marialegende

5.

Waarom is Maria vaak afgebeeld in de kleur blauw?

a)

Het was de kleur van de armoede.

b)

Het was de kleur van trouw.

c)

Het was de kleur van zuiverheid.

d)

Het was de kleur van wellust.

6.

Wat is de functie van Beatrijs in het klooster?

a)

Ze zorgde voor het eten.

b)

Ze moest voorgaan in het gebed.

c)

Ze had vooral een huishoudelijke taak.

d)

Ze was de kosteres.

7.

Is er een reden waarom de tijd waarin Beatrijs en haar geliefde in voorspoed leefden precies zeven jaar duurde?

a)

Na zeven jaar was het wel mooi geweest, vond de schrijver.

b)

Zeven is het geluksgetal, vandaar.

c)

Zeven is een heilig getal, vandaar.

d)

Zeven is een ongeluksgetal. Daarna moest het wel misgaan.

8.

Kende Beatrijs haar geliefde al voordat zij intrad in het klooster?

a)

Ja

b)

Nee

9.

Hoe kon het dat Beatrijs haar plaats in het klooster na veertien jaar weer kon innemen zonder dat iemand had gemerkt dat ze weg was geweest?

a)

Ze deed niet zo veel in het klooster, dus niemand miste haar.

b)

Een goede vriendin was voor haar ingevallen.

c)

Haar moeder was voor haar ingevallen.

d)

Maria had de taken van Beatrijs overgenomen.

10.

Wat was de Beatrijs voor type geestelijke literatuur?

a)

Een exempel

b)

Een Marialegende

c)

Een heiligenleven

11.

Waarom was het toneel tijdens de middeleeuwen lange tijd verboden?

a)

Het was veel te grof geworden. Er werd te veel gescholden en er werden te veel grappen over seks gemaakt.

b)

De middeleeuwen waren een serieuze tijd. Toneel paste daar niet bij.

c)

Men vond het vanuit godsdienstig oogpunt niet goed dat mensen zich voor andere personages uitgaven.

12.

Door welke instantie werd het toneel verboden?

a)

Door de adel.

b)

De geestelijkheid/kerk.

c)

De burgers met belangrijke, vooraanstaande posities waren helemaal klaar met al die vuilbekkerij.

13.

Karel ende Elegast was een voorhoofse romans. Wat was de positie van vrouwen in deze romans?

a)

Ze was zeer begerenswaardig. Mannen adoreerden haar.

b)

Ze had een ondergeschikte positie. Ze werd geslagen en uitgehuwelijkt.

c)

De vrouw kwam niet voor in voorhoofse ridderromans.

d)

De positie van de vrouw was gelijkwaardig aan die van de man. Ze kon ook ridder worden en vocht mee in oorlogen.

14.

In welke verhaaltypes kun je de hoofse ridderromans indelen?

a)

In Arthurromans, Karelromans en Oosterse romans.

b)

In Arthurromans, Trojaanse romans en Oosterse romans.

c)

In Karelromans, Arthurromans en Trojaanse romans.

d)

In Karelromans, Trojaanse romans en Oosterse romans.

15.

Noem eens een voorbeeld van een (hoofse) Oosterse roman

a)

Floris ende Blanchefloer

b)

Sindbad de zeeman

c)

Elkerlyc

d)

Mariken van Nimweghen.

16.

Wat was een kenmerk van burgerlijke middeleeuwse literatuur?

a)

Je werd er echt vrolijk van.

b)

Het was didactische literatuur.

c)

Het was overal het algemeen vrij serieus.

d)

Het waren vooral avonturenromans.

17.

Waarom las de burgerij zo graag didactische literatuur?

a)

Ze wilden veel leren om vooruit te komen in het leven.

b)

Ze probeerden hun aangeboren domheid te maskeren met veel kennis.

c)

Ze hoopten met veel kennis alsnog tot een hogere stand te gaan behoren, zoals de adel en de geestelijkheid.

d)

Na al die geestelijke literatuur en ridderepiek was de burger wel toe aan iets anders.

18.

Welke vier kenmerken typeren de middeleeuwen?

a)

Feodale maatschappij, standenmaatschappij, theocentrisme en gemeenschapsdenken.

b)

Feodale maatschappij, standenmaatschappij, individualisme en theocentrisme.

c)

Grote staten, standenmaatschappij, gemeenschapsdenken en theocentrisme.

d)

Feodale maatschappij, standenmaatschappij, gemeenschapsdenken en antropocentrisme.