wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

De Grieken paragraaf 1, 2 en 3

Total questions: 22

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

Welk kenmerk hoort bij een monarchie?

a)

Eén vorst heeft de meeste macht

b)

Meerdere mannen hebben samen de macht

c)

Priesters regeren namens de goden

d)

Alle burgers stemmen rechtstreeks over wetten

2.

Hoe veranderde het bestuur in sommige Griekse stadsstaten van monarchie naar aristocratie?

a)

Machtige families namen het bestuur over van de koning wanneer de koning iets niet goed genoeg deed

b)

Buitenlandse veroveraars stelden gouverneurs aan en die waren dan de baas in de kolonies

c)

De koning benoemde een erfgenaam uit het volk en die kreeg dan al zijn macht wanneer de koning overleed

3.

Hoe werd Sparta bestuurd?

a)

Met twee koningen en raden

b)

Directe democratie waarin burgers stemden

c)

Monarchie waarin vaders hun macht doorgaven aan zonen

d)

Theocratie geleid door priesters

4.

Wat veroorzaakte de grote sociale verschillen in de Griekse stadsstaten?

a)

Verschillen in bezit van land, handel en slavernij

b)

Gratis grond voor alle burgers

c)

Gelijke toegang tot politieke macht voor iedereen

5.

Waardoor kon in een stadsstaat een tirannie opkomen?

a)

Een leider kreeg steun van gewapende burgers en nam de macht over

b)

De koning werd door loting gekozen

c)

Een buitenlandse keizer benoemde een tiran

d)

Een priesterklasse voerde een religieuze wet in

6.

Wat leidde vaak tot het einde van een tirannie?

a)

Afnemende steun bij burgers en elites

b)

Een natuurramp vernietigde de stad

c)

De tiran werd heilig verklaard

d)

Een verplichte wet stelde tirannie voor onbepaalde tijd in

7.

Waarom stichtten de Grieken kolonies buiten hun eigen land?

a)

Tekort aan landbouwgrond en handel

b)

Zoektocht naar goud in de Sahara

c)

Behoefte aan scheepsbouw in de Noordzee

d)

Vlucht voor Romeinse legers

8.

Waar werden veel Griekse kolonies gesticht?

a)

Langs de kusten van de Middellandse Zee en de Zwarte Zee

b)

In de rivierdelta van de Nijl en de Indus

c)

Aan de Noordzee en de Atlantische Oceaan

d)

In Centraal-Aziatische binnenlanden

9.

Wat is een kenmerk van de Atheense democratie?

a)

Burgers beslissen in de volksvergadering over wetten

b)

Eén erfelijke koning beslist over alle zaken

c)

Priesters vormen de hoogste raad zonder burgers

d)

Een man regeert op basis van de kracht van zijn leger

10.

Hoe werden Spartaanse jongens opgevoed?

a)

Met strenge, militaire training vanaf jonge leeftijd

b)

Met vrij kunstonderwijs en weinig discipline

c)

Thuisonderwijs gericht op poëzie en muziek

d)

Door priesters in tempelscholen

11.

Wat waren de Perzische Oorlogen?

a)

Oorlogen tussen Griekse stadsstaten en het Perzische rijk

b)

Oorlogen tussen Rome en Carthago

c)

Oorlogen binnen de Griekse wereld na Alexander de Grote

d)

Oorlogen tussen Egypte en Babylonië

12.

Wat was de Peloponnesische Oorlog?

a)

Een langdurige oorlog tussen Athene en Sparta

b)

Een oorlog tussen Grieken en Perzen

c)

Een opstand van kolonies tegen het Perzische rijk

d)

Een strijd tussen Rome en Athene

13.

Welke bestuursvorm geeft burgers de meeste inspraak?

a)

Monarchie

b)

Aristocratie

c)

Tirannie

d)

Democratie

14.

Wat is een belangrijk kenmerk van een aristocratie?

a)

Alle burgers hebben gelijke stemrechten

b)

De regering wordt geleid door gekozen vertegenwoordigers

c)

De macht ligt bij een kleine groep rijke en invloedrijke mensen

d)

De koning heeft absolute macht

15.

Welke rol speelde de volksvergadering in de Atheense democratie?

a)

Het was een plaats voor buitenlandse diplomatie

b)

Het was een religieuze bijeenkomst voor priesters

c)

Het was een forum voor aristocraten om hun macht te tonen

d)

Burgers kwamen samen om wetten en beleid te stemmen

16.

Wat leidde tot de groei van dorpen in Griekenland?

a)

De komst van buitenlandse overheersers

b)

Verbeterde landbouwtechnieken

c)

De bouw van grote tempels

d)

De ontdekking van nieuwe handelsroutes

17.

Waarom veroverden steden een groot gebied in de buurt, waardoor de steden stadstaten werden?

a)

Om meer landbouwgrond te verkrijgen

b)

Om nieuwe handelsroutes te openen

c)

Om de bevolking te verminderen

d)

Om culturele invloed uit te oefenen

18.

Wat is een stadstaat?

a)

Een stad die geen leider geeft

b)

Een stad die volledig afhankelijk is van een ander land

c)

Een stad die zichzelf en het omliggende gebied bestuurt

19.

Wat is de rol van mythen in de Griekse cultuur ?

a)

Het waren alleen religieuze teksten zonder verder doel

b)

Ze waren een manier om lessen over hoe je je moest gedragen over te brengen

c)

Ze hielpen bij het uitleggen van natuurlijke verschijnselen

d)

Ze waren entertainment zonder diepere betekenis

20.

Wat is een verschil tussen het geloof van de oude Grieken en het christendom?

a)

Oude Grieken geloofden in één almachtige god

b)

Christenen geloven in goden die niet om mensen geven

c)

Christenen geloofden in meerdere goden met menselijke eigenschappen

d)

Oude Grieken zagen goden als menselijker en met zwakheden

21.

Wat is een filosoof?

a)

Iemand die moeilijke puzzels oplost om te laten zien hoe slim hij is.

b)

Iemand die met geweld probeert zijn ideeën aan anderen op te dringen.

c)

Iemand die nadenkt over de wereld, de mens en hoe dingen in elkaar zitten.

d)

Iemand die vooral verhalen verzint om mensen te vermaken.

22.

Wat is een wetenschapper?

a)

Iemand die zonder onderzoek gewoon zegt wat volgens hem waar is.

b)

Iemand die alleen machines maakt zonder na te denken waarom ze werken.

c)

Iemand die vragen onderzoekt door feiten te verzamelen en daarmee conclusies te trekken.

d)

Iemand die alleen oude boeken leest en alles gelooft wat daarin staat.