wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefenquiz organisatieniveaus

Total questions: 64

Worksheet time: 48mins

Name
Class
Date
1.

Wat betekent ‘macroscopisch’ het best in deze context?

a)

Zichtbaar met het blote oog

b)

Alleen zichtbaar met microscoop

c)

Onzichtbaar en denkbeeldig

d)

Alleen hoorbaar zonder hulpmiddel

2.

Wat betekent ‘microscopisch’ het best in deze context?

a)

Te klein voor het blote oog

b)

Groot genoeg om te voelen

c)

Gelijk aan macroscopisch

d)

Alleen zichtbaar in het donker

3.

Welk hulpmiddel gebruik je om zeer kleine structuren te bekijken?

a)

Microscoop

b)

Meetlint

c)

Vergelijkingsschaal

d)

Thermometer

4.

Wat is een ‘preparaat’ bij microscopie?

a)

Voorbereid weefsel op glaasjes

b)

Groot model van een cel

c)

Fotoprint van een object

d)

Chemische kleurstof alleen

5.

Welke handeling hoort bij het maken van een preparaat voor microscopie?

a)

Object op voorwerpglaasje met dekglaasje afdekken

b)

Object met tang vasthouden boven lamp

c)

Object in water koken tot het oplost

d)

Object met lijm op tafel plakken

6.

Kies de beste omschrijving van ‘voorwerpglaasje’.

a)

Glasplaatje waarop het preparaat ligt

b)

Vergrootglas voor het object

c)

Kunststof hoes om te dragen

d)

Metalen plaatje voor labels

7.

Kies de beste omschrijving van ‘dekglaasje’.

a)

Dun glaasje dat het preparaat afdekt

b)

Groot glas om te vergroten

c)

Plastic kap van de microscoop

d)

Lens die het beeld scherpstelt

8.

Je bekijkt een ajuinvlies onder de microscoop. Welke foto komt overeen met het typische beeld van ajuincellen?

a)

Foto A met los verspreide bolletjes

b)

Foto B met aaneengesloten hokjes

c)

Foto D met ronde structuren met kern

d)

Foto F met lange buisvormige cellen

9.

Wat was het besluit bij het onderzoek naar ajuincellen?

a)

Cellen lijken op hokjes naast elkaar

b)

Cellen zijn rond en los verspreid

c)

Cellen hebben geen zichtbare randen

d)

Cellen bewegen snel door elkaar

10.

Je vergelijkt ajuinvlies en wangslijmvlies. Welke foto past het best bij wangslijmcellen?

a)

Foto B met rechthoekige hokjes

b)

Foto E met onregelmatige vlokken

c)

Foto C met polygonale plantcellen

d)

Foto F met langgerekte kanaaltjes

11.

Wat is het belangrijkste verschil tussen ajuincellen en wangslijmcellen dat je onder de microscoop ziet?

a)

Vormen verschillen duidelijk

b)

Kleuren zijn altijd gelijk

c)

Grootte is exact hetzelfde

d)

Ajuincellen hebben geen randen

12.

Welke volgorde beschrijft het basisproces om een microscopisch preparaat te bekijken het best?

a)

Voorwerpglaasje, dekglaasje, microscoop

b)

Dekglaasje, foto maken, lens poetsen

c)

Lens kiezen, preparaat maken, kleuren

d)

Monster drogen, meten, etiketteren

13.

Waarom kun je ajuincellen macroscopisch niet zien?

a)

Ze zijn te klein voor het blote oog

b)

Ze zijn volledig doorzichtig voor licht

c)

Ze zitten verborgen in de bol

d)

Ze lijken te veel op de achtergrond

14.

Je hypothese is dat ajuincellen eruitzien als hokjes. Welke waarneming ondersteunt dit?

a)

Rechthoekige cellen met duidelijke grenzen

b)

Ronde cellen zonder duidelijke randen

c)

Vage vlekken met verschillende kleuren

d)

Lange buizen met grote holtes

15.

Bij het vergelijken van twee preparaten moet je…

a)

Dezelfde vergroting gebruiken

b)

Steeds van lens wisselen

c)

Alleen kleuren vergelijken

d)

Het licht volledig uitzetten

16.

Wat is een realistische fout bij het aanbrengen van een dekglaasje?

a)

Luchtbelletjes die beeld verstoren

b)

Te veel vergroting van de lens

c)

Verkeerde richting van de tafel

d)

Te weinig gewicht van de microscoop

17.

Welke beschrijving past bij ‘microscopische observatie’?

a)

Studie met optische vergroting

b)

Studie met het blote oog

c)

Studie met gehoorapparaat

d)

Studie met reukteststrips

18.

Welke van de onderstaande hoort het minst bij plantencellen van ajuinvlies?

a)

Strakke celwanden zichtbaar

b)

Onregelmatige randen ontbreken

c)

Losse klonters zonder vorm

d)

Gerangschikte rechthoekige hokjes

19.

Wat is het belangrijkste verschil in werking tussen een lichtmicroscoop en een elektronenmicroscoop?

a)

Lichtmicroscoop gebruikt lichtgolven, elektronenmicroscoop gebruikt elektronenbundels

b)

Lichtmicroscoop gebruikt geluidsgolven, elektronenmicroscoop gebruikt lichtstralen

c)

Lichtmicroscoop gebruikt magneten, elektronenmicroscoop gebruikt lenzen van glas

d)

Lichtmicroscoop gebruikt röntgenstralen, elektronenmicroscoop gebruikt infraroodstralen

20.

Welke uitspraak over vergroting is het meest correct?

a)

Elektronenmicroscopen halen veel hogere vergrotingen dan lichtmicroscopen

b)

Lichtmicroscopen vergroten sterker dan elektronenmicroscopen in alle gevallen

c)

Beide microscooptypes vergroten even sterk bij dezelfde preparaten

d)

Vergroting hangt niet af van het type microscoop maar alleen van het oog

21.

Wat is de juiste volgorde van klein naar groot in een organisme?

a)

Orgaan, weefsel, cel

b)

Cel, weefsel, orgaan

c)

Weefsel, orgaan, cel

d)

Cel, orgaan, weefsel

22.

Welke uitspraak beschrijft het best een weefsel?

a)

Losse cellen met verschillende functies

b)

Een groep cellen met dezelfde vorm

c)

Een orgaan met meerdere soorten cellen

d)

Een organisme met verschillende organen

23.

In planten is een blad het best te classificeren als een...

a)

Weefsel dat fotosynthese uitvoert

b)

Orgaan opgebouwd uit meerdere weefsels

c)

Celtype dat chlorofyl bevat

d)

Organisme dat zonlicht opneemt

24.

Welke combinatie hoort bij dierlijke organen?

a)

Hart, longen, maag

b)

Blad, wortel, stengel

c)

Vaatbundel, schors, merg

d)

Cuticula, opperhuid, huidmondje

25.

Wat delen cellen binnen hetzelfde weefsel meestal?

a)

Dezelfde functie en gelijke vorm

b)

Verschillende functies en vormen

c)

Alle organen van het lichaam

d)

Alleen dezelfde grootte en kleur

26.

Een tomatenplant heeft verschillende organen. Welke set bevat alleen plantorganen?

a)

Blad, bloem, wortel

b)

Hart, long, maag

c)

Cel, weefsel, orgaan

d)

Vaat, spier, zenuw

27.

Je bekijkt onder de microscoop twee celtypen in menselijk huidweefsel. Wat is je beste redenering om ze tot hetzelfde weefsel te rekenen?

a)

Ze liggen verspreid zonder patroon

b)

Ze hebben gelijke functie samen

c)

Ze hebben exact dezelfde grootte

d)

Ze komen enkel in planten voor

28.

Welke uitspraak past bij het ontstaan van organen?

a)

Cellen vormen organen direct

b)

Weefsels groeperen tot organen

c)

Organen vormen cellen en weefsels

d)

Organismen bouwen weefsels op

29.

Wat is het belangrijkste verschil tussen een cel en een orgaan?

a)

Een cel is groter dan organen

b)

Een orgaan bestaat uit meerdere weefsels

c)

Een orgaan is één soort celtype

d)

Een cel heeft meerdere organen

30.

Wat is de juiste volgorde van organisatieniveaus van klein naar groot?

a)

Molecuul – cel – weefsel – orgaan – stelsel – organisme

b)

Cel – molecuul – weefsel – orgaan – stelsel – organisme

c)

Molecuul – weefsel – cel – orgaan – stelsel – organisme

d)

Atomen – orgaan – weefsel – cel – stelsel – organisme

31.

Welke organen behoren samen tot het ademhalingsstelsel?

a)

Neus, luchtpijp, longen, middenrif

b)

Mond, slokdarm, maag, dunne darm

c)

Huid, zweetklieren, haarvaten, poriën

d)

Hersenen, ruggenmerg, motorische zenuwen

32.

Welke reeks vormt het spijsverteringsstelsel het best?

a)

Mond, slokdarm, maag, darm, anus

b)

Neus, keelholte, luchtpijp, longen

c)

Nieren, urineleiders, blaas, urinebuis

d)

Hart, slagaders, aders, haarvaten

33.

Welke functie heeft het transport- of bloedvatenstelsel vooral?

a)

Vervoert voedingsstoffen en zuurstof door het lichaam

b)

Vermaalt voedsel tot kleinere deeltjes en opneemt

c)

Stuurt prikkels en coördineert snelle reacties

d)

Wisselt gassen uit tussen bloed en omgeving

34.

Wat is een kenmerk dat elk organisme moet vertonen?

a)

Ademen, reageren op prikkels, groeien

b)

Alleen energie opslaan in vetweefsel

c)

Enkel bewegen met skeletspieren

d)

Water opnemen via huidporiën

35.

Welke combinatie hoort bij het zenuwstelsel?

a)

Hersenen, zenuwen, ruggenmerg

b)

Longen, bronchiën, longblaasjes

c)

Hart, aorta, aders

d)

Maag, lever, alvleesklier

36.

Welke uitspraak over stelsels is correct?

a)

Meerdere organen werken samen voor één taak

b)

Eén orgaan werkt altijd volledig zelfstandig

c)

Een stelsel is kleiner dan een weefsel

d)

Organen bestaan niet uit weefsels

37.

Waarom is een stoel geen organisme en jij wel?

a)

Jij vertoont levenskenmerken zoals ademhaling

b)

De stoel heeft geen harde materialen nodig

c)

Jij bestaat uit slechts één enkele cel

d)

De stoel neemt zuurstof tijdelijk op

38.

Welke route volgt zuurstof vanaf de buitenlucht tot in het bloed?

a)

Neus, luchtpijp, longen, longblaasjes

b)

Mond, maag, darm, bloed

c)

Huid, haarvaten, aders, hart

d)

Longen, maag, lever, bloed

39.

Wat beschrijft het uitscheidingsstelsel het beste?

a)

Nieren, urineleiders, blaas, urinebuis verwijderen afvalstoffen

b)

Darm, lever, alvleesklier verteren vetten en eiwitten

c)

Hart en vaten transporteren zuurstof en glucose

d)

Hersenen sturen spieren en klieren met impulsen

40.

Kies de correcte redenering: Als cellen met dezelfde functie samenwerken, dan vormen ze…

a)

Een weefsel dat later organen kan vormen

b)

Een orgaan met meerdere stelsels erin

c)

Een stelsel dat meerdere organismen bouwt

d)

Een organisme zonder organen of cellen

41.

Een sporter ademt sneller en zijn hart slaat sneller. Welke stelsels werken hierbij direct samen?

a)

Ademhalingsstelsel en transportstelsel

b)

Spijsverteringsstelsel en uitscheidingsstelsel

c)

Zenuwstelsel en voortplantingsstelsel

d)

Skeletspierstelsel en huidstelsel

42.

Welk onderdeel geeft plantaardige cellen stevigheid en vaste vorm?

a)

Celwand

b)

Celmembraan

c)

Cytoplasma

d)

Kernmembraan

43.

Welke laag begrenst het cytoplasma en is aanwezig in zowel dierlijke als plantaardige cellen?

a)

Celmembraan

b)

Celwand

c)

Vacuolemembraan

d)

Chloroplast

44.

Wat is de functie van het cytoplasma?

a)

Vloeibaar medium waarin organellen liggen

b)

Plaats waar erfelijk materiaal ligt

c)

Harde buitenlaag voor stevigheid

d)

Kanaal dat stoffen naar buiten transporteert

45.

Welke organel bevat het erfelijk materiaal en regelt de werking van de cel?

a)

Celkern

b)

Mitochondrion

c)

Vacuole

d)

Chloroplast

46.

Welke onderdelen komen alleen voor in plantaardige cellen?

a)

Celwand, vacuole en bladgroenkorrels

b)

Celmembraan, celkern en cytoplasma

c)

Mitochondriën en ribosomen

d)

Vacuole, lysosomen en centriolen

47.

Wat is de belangrijkste functie van bladgroenkorrels (chloroplasten)?

a)

Vormen van glucose met behulp van licht

b)

Opslaan van afvalstoffen in blaasjes

c)

Afbreken van oude organellen tot bouwstenen

d)

Regelen van watertransport tussen cellen

48.

Waarom hebben dierlijke cellen doorgaans meer energie nodig dan plantaardige cellen?

a)

Dieren bewegen meer dan planten

b)

Dieren hebben geen celkern nodig

c)

Planten hebben dikker cytoplasma

d)

Planten bezitten geen membraan

49.

Welke organellen zijn de ‘energiefabriekjes’ van de cel?

a)

Mitochondriën

b)

Chloroplasten

c)

Vacuolen

d)

Ribosomen

50.

Welk verschil in vorm zie je vaak tussen plantaardige en dierlijke cellen onder de lichtmicroscoop?

a)

Plantaardige cellen strakker van vorm, dierlijke vager

b)

Dierlijke cellen rechthoekig, plantaardige rond

c)

Plantaardige cellen altijd rond, dierlijke hoekig

d)

Dierlijke cellen met dikke wand, plantaardige zonder

51.

Welke van de volgende structuren kun je niet zien met een lichtmicroscoop maar wel met een elektronenmicroscoop in beide celtypes?

a)

Mitochondriën

b)

Celmembraan

c)

Vacuole

d)

Celwand

52.

Welke combinatie hoort bij beide celtypes: plantaardig en dierlijk?

a)

Celmembraan, cytoplasma, celkern

b)

Celwand, chloroplast, vacuole

c)

Celwand, cytoplasma, celkern

d)

Celmembraan, chloroplast, vacuole

53.

Welke uitspraak over de vacuole in plantaardige cellen is juist?

a)

De vacuole bevat water en opgeloste stoffen

b)

De vacuole is de plaats van DNA-opslag

c)

De vacuole produceert de celwand

d)

De vacuole is de buitenste laag van de cel

54.

Kijk naar de getekende plantencel met nummers. Welk nummer duidt het celmembraan aan, direct tegen de celwand?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

55.

Een leerling ziet onder de microscoop losse ronde cellen zonder duidelijke rechte randen. Welke cellen bekijkt hij waarschijnlijk?

a)

Dierlijke cellen van wangslijmvlies

b)

Plantaardige cellen van ajuinvlies

c)

Plantaardige cellen met dikke wand

d)

Dode cellen met lege vacuole

56.

Welke structuur komt voor in plantaardige cellen maar niet in dierlijke cellen?

a)

celwand

b)

celkern

c)

celmembraan

d)

mitochondriën

57.

Je bekijkt een stukje blad onder de microscoop. Welke volgorde van organisatieniveaus beschrijft het best hoe dit blad is opgebouwd tot het hele organisme?

a)

cel → weefsel → orgaan → stelsel → organisme

b)

orgaan → weefsel → cel → stelsel → organisme

c)

weefsel → cel → orgaan → organisme → stelsel

d)

cel → orgaan → weefsel → organisme → stelsel

58.

Welke combinatie van celonderdelen komt zowel in plantaardige als in dierlijke cellen voor?

a)

celkern, cytoplasma, mitochondriën

b)

vacuoles, celwand, bladgroenkorrels

c)

celwand, cytoplasma, mitochondriën

d)

bladgroenkorrels, celkern, vacuoles

59.

Welke eigenschap moeten cellen delen om samen één weefsel te vormen?

a)

Zelfde vorm en zelfde functie

b)

Zelfde grootte en zelfde kleur

c)

Verschillende vorm en gelijke functie

d)

Zelfde DNA en verschillende functie

60.

Zet de niveaus van klein naar groot in de juiste volgorde: cel, organisme, orgaan, weefsel, stelsel.

a)

Cel, weefsel, orgaan, stelsel, organisme

b)

Cel, orgaan, weefsel, stelsel, organisme

c)

Weefsel, cel, orgaan, organisme, stelsel

d)

Organisme, stelsel, orgaan, weefsel, cel

61.

Koppel de organen mond, slokdarm, maag en darm aan het juiste stelsel.

a)

Spijsverteringsstelsel

b)

Ademhalingsstelsel

c)

Uitscheidingsstelsel

d)

Zenuwstelsel

62.

Welke combinatie hoort bij het ademhalingsstelsel?

a)

Neus, luchtpijp, longen, bronchiën

b)

Mond, slokdarm, maag, darm

c)

Nier, urineleider, blaas, urinebuis

d)

Huid, zweetklier, haar, talgklier

63.

Welke combinatie hoort bij het uitscheidingsstelsel?

a)

Nier, urineleider, urineblaas, urinebuis

b)

Mond, slokdarm, maag, darm

c)

Neus, luchtpijp, longen, keelholte

d)

Lever, alvleesklier, blinde darm, appendix

64.

Welke eigenschap maakt duidelijk dat de afgebeelde cel een plantencel is?

a)

Aanwezigheid van celwand en vacuole

b)

Aanwezigheid van veel mitochondriën

c)

Ontbreken van een celkern en membraan

d)

Ronde vorm zonder organellen