wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefenquiz 2.4 werking netvlies

Total questions: 28

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.

Welke uitspraak over staafjes en kegeltjes in het netvlies is correct?

a)

Staafjes zijn kleurgevoelig en zien tinten

b)

Kegeltjes zijn kleurgevoelig en zien kleuren

c)

Kegeltjes werken beter bij zeer zwak licht

d)

Staafjes zijn minder lichtgevoelig dan kegeltjes

2.

Wat is de belangrijkste functie van staafjes?

a)

Detectie van kleuren in fel licht

b)

Perceptie van grijstinten bij weinig licht

c)

Scherpstellen van het beeld op de lens

d)

Regulatie van de pupil bij donker

3.

Welke vergelijking van aantallen fotoreceptoren in het menselijk netvlies klopt het best?

a)

Ongeveer 5 miljoen staafjes, 120 miljoen kegeltjes

b)

Ongeveer 120 miljoen staafjes, 5 miljoen kegeltjes

c)

Ongeveer 50 miljoen staafjes, 50 miljoen kegeltjes

d)

Ongeveer 10 miljoen staafjes, 10 miljoen kegeltjes

4.

Hoe verhouden staafjes zich tot kegeltjes qua lichtgevoeligheid?

a)

Staafjes zijn 50 keer minder gevoelig voor licht

b)

Staafjes zijn ongeveer even gevoelig voor licht

c)

Staafjes zijn 50 keer lichtgevoeliger dan kegeltjes

d)

Kegeltjes zijn 100 keer lichtgevoeliger dan staafjes

5.

Welk gevolg heeft de hogere lichtgevoeligheid van staafjes?

a)

Ze hebben meer licht nodig om te werken

b)

Ze hebben minder licht nodig om te werken

c)

Ze kunnen meer kleuren onderscheiden

d)

Ze liggen alleen centraal in de fovea

6.

Welke combinatie van termen hoort bij kleurenzien?

a)

Staafjes, grijstinten, schemerlicht

b)

Kegeltjes, kleurgevoelig, helder licht

c)

Ganglioncellen, scherpte, pupilreflex

d)

Pigmentcellen, doorbloeding, zuurstoftransport

7.

Een leerling bekijkt een inge kleurde microscopische afbeelding van het netvlies. Wat zal hij waarschijnlijk zien?

a)

Staafjes en kegeltjes verschillend ingekleurd

b)

Alle fotoreceptoren identiek van kleur

c)

Geen staafjes zichtbaar in het netvlies

d)

Alleen pigmentcellen zichtbaar zonder receptoren

8.

Welke fotoreceptoren zorgen vooral voor kleurenzien bij normaal licht?

a)

Kegeltjes in drie typen

b)

Staafjes met één type

c)

Pigmentcellen in iris

d)

Zenuwvezels van oogzenuw

9.

Hoeveel verschillende kleuren kan je onderscheiden door de gecombineerde werking van kegeltjes?

a)

Ongeveer tien miljoen

b)

Ongeveer één miljoen

c)

Ongeveer honderd miljoen

d)

Ongeveer vijf miljoen

10.

Welke uitspraak over de drie typen kegeltjes klopt het best?

a)

Gevoelig voor rood, groen en blauw

b)

Gevoelig voor wit, zwart en grijs

c)

Alleen gevoelig voor rood licht

d)

Alleen gevoelig voor groen licht

11.

Wat gebeurt bij een nabeeld nadat je lang naar een rood vlak staart en dan naar wit kijkt?

a)

Je ziet een blauwgroene vlek

b)

Je ziet opnieuw een rood vlak

c)

Je ziet een gele vlek

d)

Je ziet helemaal geen vlek

12.

Waarom lijkt wit licht wit voor je ogen?

a)

Alle kegeltjes worden geprikkeld

b)

Alleen staafjes reageren

c)

Oogzenuw schakelt kleuren uit

d)

Iris mengt de pigmenten

13.

Welke reden verklaart dat gele licht als ‘geel’ wordt waargenomen?

a)

Rood- en groenkegeltjes gelijk gestimuleerd

b)

Alleen blauwkegeltjes actief

c)

Alleen groenkegeltjes geprikkeld

d)

Staafjes sturen het signaal

14.

Welke uitspraak over de gele vlek (fovea) is correct volgens het diagram van het oog?

a)

Bevat voornamelijk staafjes voor schemerzicht

b)

Bevat uitsluitend kegeltjes voor scherp zien

c)

Bevat evenveel staafjes als kegeltjes

d)

Is een plek zonder fotoreceptoren

e)

Ligt aan de buitenrand van het netvlies

15.

Waar op het netvlies komt de hoogste dichtheid aan staafjes voor?

a)

Centraal in de gele vlek

b)

Direct rond de oogzenuwkop

c)

Meer aan de buitenzijde van het netvlies

d)

Gelijkmatig over het hele netvlies

e)

Uitsluitend naast de blinde vlek

16.

Wat kenmerkt de blinde vlek op het netvlies?

a)

Alleen kegeltjes aanwezig

b)

Alleen staafjes aanwezig

c)

Geen kegeltjes of staafjes aanwezig

d)

Meer kegeltjes dan staafjes

e)

Extra hoge lichtgevoeligheid

17.

Je kijkt naar een zwakke ster in de nacht. Welke receptor en ligging helpen je die beter te zien?

a)

Kegeltjes in de gele vlek

b)

Staafjes aan de buitenzijde

c)

Staafjes in de blinde vlek

d)

Kegeltjes rond de oogzenuw

e)

Kegeltjes aan de buitenzijde

18.

Het netvlies heeft meerdere lagen cellen. Welke volgorde hoort bij de route van licht naar signaal?

a)

Ganglioncellen → bipolaire cellen → fotoreceptoren

b)

Fotoreceptoren → bipolaire cellen → ganglioncellen

c)

Bipolaire cellen → fotoreceptoren → ganglioncellen

d)

Ganglioncellen → fotoreceptoren → bipolaire cellen

e)

Fotoreceptoren → ganglioncellen → bipolaire cellen

19.

Welke stof in staafjes is essentieel om licht te kunnen waarnemen?

a)

Rodopsine in staafjes

b)

Vitamine A in bloed

c)

Melanine in iris

d)

Opsine in lens

20.

Wat gebeurt er met een fotopigment wanneer het door licht geprikkeld wordt?

a)

Het ontbindt in componenten

b)

Het verdikt en kleurt donker

c)

Het verlaat de celwand

d)

Het wordt opgenomen door bloed

21.

Welke gevolg heeft het ontbinden van fotopigmenten in fotoreceptoren?

a)

Er ontstaat een zenuwimpuls

b)

De pupil wordt groter

c)

De lens kromt sterker

d)

Het netvlies wordt droger

22.

Kegeltjes hebben verschillende fotopigmenten. Waarin verschillen deze pigmenten vooral?

a)

Gevoeligheid voor golflengte

b)

Aantal aanwezige cellen

c)

Locatie in hoornvlies

d)

Snelheid van herstel

23.

Welke voedingsstof is nodig voor de aanmaak van fotopigmenten?

a)

Vitamine A

b)

Vitamine C

c)

Ijzerionen

d)

Calciumzouten

24.

Wat is een waarschijnlijk gevolg van een langdurig tekort aan vitamine A?

a)

Nachtblindheid ontstaat

b)

Kleurenzicht verbetert

c)

Pupil blijft constant

d)

Oogdruk stijgt licht

25.

Wat beschrijft daltonisme het best bij kleurenzien?

a)

Onvermogen rood en groen te onderscheiden

b)

Alle kleuren zien als even helder

c)

Alleen blauw en geel kunnen onderscheiden

d)

Volledige afwezigheid van staafjes

e)

Versterkte gevoeligheid voor rood licht

26.

Welke test wordt vaak gebruikt om rood-groen kleurenblindheid op te sporen?

a)

Ishihara-test met kleurcirkels

b)

Snellen-oogtest voor letters

c)

MRI-scan van het oog

d)

Bloedtest voor pigmenten

e)

Röntgenfoto van het netvlies

27.

Welke cellen bevatten de fotopigmenten die bij gedeeltelijke kleurenblindheid vaak afwijken?

a)

Kegeltjes in het netvlies

b)

Staafjes in de periferie

c)

Ganglioncellen van de oogzenuw

d)

Pigmentepitheelcellen

e)

Lenzencellen in de cornea

28.

Welke uitspraak is juist over voorkomen van kleurenblindheid?

a)

Komt vaker voor bij mannen dan vrouwen

b)

Vrouwen zijn altijd volledig kleurenblind

c)

Mannen zijn nooit rood-groen blind

d)

Komt even vaak voor bij beide geslachten

e)

Alleen blauw-kegel afwijkingen komen voor