wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

GenieNW module 2 oefenquiz

Total questions: 88

Worksheet time: 1hrs 6mins

Name
Class
Date
1.

Welke stof is het minst gevaarlijk bij normaal gebruik in het huishouden?

a)

Water met formule H2O2

b)

Water met formule H2O

c)

Koolstofmonoxide met formule CO

d)

Ozon met formule O3

2.

Wat is het belangrijkste verschil tussen H2O en H2O2?

a)

Aantal koolstofatomen verschilt

b)

Aantal zuurstofatomen verschilt

c)

Aggregate-toestand verschilt

d)

Elektrische lading verschilt

3.

Waarom is koolstofmonoxide gevaarlijker om in te ademen dan koolstofdioxide?

a)

Het reageert sneller met waterdamp

b)

Het bindt sterk aan hemoglobine

c)

Het is zwaarder dan lucht

d)

Het veroorzaakt onmiddellijke brand

4.

Welke uitspraak beschrijft het verschil tussen een zuivere stof en een mengsel het best?

a)

Zuivere stof heeft één soort deeltjes

b)

Mengsel bevat identieke atomen

c)

Zuivere stof heeft meerdere componenten

d)

Mengsel kan niet gescheiden worden

5.

Wat bedoelt men met het chemisch symbool van een element?

a)

Een internationale één- of tweelettercode

b)

De volledige naam in moedertaal

c)

Een lokaal afgekorte benaming

d)

Een numerieke reeks voor atomen

6.

Kies het correcte voorbeeld van een zuivere stof.

a)

Gedestilleerd water H2O

b)

Lucht uit het klaslokaal

c)

Thee met suiker opgelost

d)

Kraanwater met mineralen

7.

In de formule H2O, wat geeft de 2 aan?

a)

Aantal waterstofatomen

b)

Aantal zuurstofatomen

c)

Lading van het molecuul

d)

Aggregatietoestand

8.

Welke uitspraak over elementnamen en symbolen is juist?

a)

Symbolen zijn overal hetzelfde

b)

Namen zijn overal identiek

c)

Symbolen veranderen per taal

d)

Namen komen nooit uit Latijn

9.

Je krijgt drie flesjes: A bevat CO2, B bevat O2, C bevat lucht. Welke zijn zuivere stoffen?

a)

A en B zijn zuivere stoffen

b)

Alle drie zijn zuiver

c)

Alleen C is zuiver

d)

Geen van de drie

10.

Welk symbool hoort bij het element natrium?

a)

Na

b)

N

c)

Ne

d)

Ni

11.

Wat is de correcte naam voor het element met symbool Fe?

a)

Ijzer

b)

Fluor

c)

Fosfor

d)

Tin

12.

Welke uitspraak beschrijft het best een element?

a)

Verzamelnaam voor atomen met gelijke eigenschappen

b)

Kleinste deeltje van een verbinding zonder eigenschappen

c)

Molecuul opgebouwd uit meerdere verschillende stoffen

d)

Losse deeltjes zonder kenmerkende symbolen

13.

Wat is een atoom volgens de beschrijving?

a)

Kleinste deeltje van een element met alle eigenschappen

b)

Grootste deeltje dat nog kan reageren in water

c)

De verzameling van alle stoffen in de natuur

d)

Een mengsel van moleculen en ionen

14.

Welke regel over symbolen is juist?

a)

Sommige symbolen hebben één hoofdletter

b)

Alle symbolen bestaan uit drie letters

c)

Eerste letter is altijd klein geschreven

d)

Symbolen zijn Nederlandstalige afkortingen

15.

Welke naam past bij het symbool Cu?

a)

Koper

b)

Koolstof

c)

Kwik

d)

Kobalt

16.

Welke combinatie van naam en symbool is fout?

a)

Zuurstof – O

b)

Zwavel – S

c)

Stikstof – Si

d)

Helium – He

17.

Wat geeft de index in een formule aan?

a)

Het aantal atomen van die soort in één deeltje

b)

Het aantal deeltjes dat reageert in totaal

c)

De lading van het deeltje tijdens de reactie

d)

De massa van het molecuul in grammen

18.

Hoeveel waterstofatomen bevat één molecuul water (H2O)?

a)

Twee

b)

Eén

c)

Drie

d)

Vier

19.

Wat is de coëfficiënt in de reactievergelijking 6 CO2 + 6 H2O → C6H12O6 + 6 O2?

a)

Het voorgezette getal dat het aantal deeltjes aangeeft

b)

Het subscript dat het atoomaantal in een deeltje aangeeft

c)

Het exponentje dat de lading van een ion toont

d)

Het symbool dat het element benoemt

20.

Welke bewering over coëfficiënt en index is juist?

a)

Coëfficiënt hoort niet bij de formule, index wel

b)

Index staat links voor de formule, coëfficiënt erachter

c)

Coëfficiënt geeft atoomaantal, index geeft deeltjesaantal

d)

Beiden worden weggelaten als het getal 2 is

21.

Wat geeft de index ‘2’ aan in de formule H2O?

a)

Twee watermoleculen in totaal

b)

Twee waterstofatomen per molecuul

c)

Twee zuurstofatomen per molecuul

d)

Twee bindingen tussen atomen

22.

Welke uitspraak over indices en coëfficiënten is juist?

a)

Index telt atomen per molecuul, coëfficiënt telt moleculen

b)

Coëfficiënt telt atomen per molecuul, index telt moleculen

c)

Beide geven aantal moleculen in totaal

d)

Beide geven aantal bindingen in totaal

23.

Hoeveel waterstofatomen zitten er in 3 NH3?

a)

Drie waterstofatomen totaal

b)

Zes waterstofatomen totaal

c)

Negen waterstofatomen totaal

d)

Twaalf waterstofatomen totaal

24.

Kies de juiste beschrijving van het bolstaafmodel.

a)

Atomen als bollen zonder staven

b)

Atomen als bollen met zichtbare staven

c)

Atomen als punten zonder structuur

d)

Atomen als vlakken met schillen

25.

Wat stelt het bolschilmodel voor bij moleculen?

a)

Atomen en bindingen met staven

b)

Alleen atomen als overlappende bollen

c)

Elektronen als losse deeltjes

d)

Alleen bindingen zonder atomen

26.

Hoeveel atomen bevat één molecuul CO2?

a)

Twee atomen per molecuul

b)

Drie atomen per molecuul

c)

Vier atomen per molecuul

d)

Vijf atomen per molecuul

27.

In 4 SO3, hoeveel zuurstofatomen zijn er in totaal aanwezig?

a)

Vier zuurstofatomen totaal

b)

Acht zuurstofatomen totaal

c)

Twaalf zuurstofatomen totaal

d)

Zestien zuurstofatomen totaal

28.

Je ziet 2 CO2 in een tabel. Wat is het totale aantal zuurstofatomen in deze hoeveelheid?

a)

Twee zuurstofatomen totaal

b)

Vier zuurstofatomen totaal

c)

Zes zuurstofatomen totaal

d)

Acht zuurstofatomen totaal

29.

Wat is het totaal aantal atomen in 3 CHCl3?

a)

Twaalf atomen in totaal

b)

Vijftien atomen in totaal

c)

Achttien atomen in totaal

d)

Eenentwintig atomen in totaal

30.

Waarom gebruiken scheikundigen kleurcodes in molecuulmodellen?

a)

Om verschillende elementen te herkennen

b)

Om de temperatuur te tonen

c)

Om de dichtheid te berekenen

d)

Om de lading neutraal te maken

31.

Wat is de juiste chemische formule voor koolstofdioxide in een bolschilmodel met één C en twee O-atomen?

a)

CO2

b)

C2O

c)

CO

d)

O2C2

32.

Ammoniak bestaat uit één stikstof en drie waterstofatomen. Welke formule kies je?

a)

NH3

b)

N3H

c)

NH

d)

H3N3

33.

Zwaveltrioxide heeft één zwavel en drie zuurstofatomen. Welke formule is correct?

a)

SO3

b)

S3O

c)

SO

d)

S3O3

34.

Hoeveel zuurstofatomen zitten er in 3 CO2-moleculen?

a)

6

b)

3

c)

2

d)

9

35.

Bepaal het totaal aantal atomen in één molecuul NH3.

a)

4

b)

3

c)

2

d)

5

36.

Een model toont CHCl3. Hoeveel atomen van elk element zijn er in één molecuul?

a)

C:1 H:1 Cl:3

b)

C:1 H:3 Cl:1

c)

C:3 H:1 Cl:1

d)

C:1 H:2 Cl:2

37.

Kies de juiste naam bij de formule CO2.

a)

koolstofdioxide

b)

koolstofoxide

c)

koolstoftrioxide

d)

koolstofmonooxide

38.

Welke combinatie is juist gekoppeld?

a)

NH3 – ammoniak

b)

CHCl3 – ammoniak

c)

SO3 – koolstofdioxide

d)

CO2 – zwaveltrioxide

39.

Je ziet een bolschilmodel met één zwavel en drie zuurstofatomen. Welke naam past het best?

a)

zwaveltrioxide

b)

zwaveldioxide

c)

zwavelmonoxide

d)

trisulfide

40.

In 2 NH3 zitten samen hoeveel waterstofatomen?

a)

6

b)

3

c)

2

d)

9

41.

Welke redenering leidt tot de zuurstof-telling in 4 SO3?

a)

4×3=12 O-atomen

b)

4×1=4 O-atomen

c)

3×1=3 O-atomen

d)

3×4=7 O-atomen

42.

Een molecule heeft formule CO2. Welke verhouding van C tot O is juist?

a)

1:2

b)

2:1

c)

2:2

d)

1:1

43.

Een leerling telt atomen in CHCl3 en zegt: ‘Er zijn vijf atomen in totaal.’ Hoe beoordeel je dat?

a)

Correct, 1+1+3=5

b)

Onjuist, het zijn vier

c)

Onjuist, het zijn zes

d)

Onjuist, het zijn drie

44.

Bepaal het totaal aantal atomen in 2 CO2 en 1 NH3 samen.

a)

11

b)

10

c)

9

d)

12

45.

Welke term duidt het cijfer onderaan in een chemische formule, zoals het 2 in H2O?

a)

Index van een element

b)

Coefficient van de formule

c)

Oxidatiegetal van water

d)

Atoommassa van het molecuul

46.

In de formule 3CO2, wat geeft het getal 3 aan?

a)

Aantal moleculen CO2

b)

Aantal zuurstofatomen

c)

Aantal koolstofindices

d)

Aantal bindingstypen

47.

Welke formule hoort bij water?

a)

H2O

b)

HO2

c)

H3O

d)

H2O2

48.

Kies de correcte formule voor natriumchloride.

a)

NaCl

b)

Na2Cl

c)

NaCl2

d)

Na2Cl2

49.

Wat is het juiste aantal zuurstofatomen in één molecuul van koolstofdioxide?

a)

Twee zuurstofatomen

b)

Eén zuurstofatoom

c)

Drie zuurstofatomen

d)

Vier zuurstofatomen

50.

Welke formule beschrijft ammoniak?

a)

NH3

b)

NH4

c)

N2H2

d)

NO3

51.

Wat gebeurt bij ontleding van water in een Hofmann-opstelling aan de negatieve pool?

a)

Er ontstaat waterstofgas

b)

Er ontstaat zuurstofgas

c)

Er ontstaat koolstofdioxide

d)

Er ontstaat stikstofgas

52.

Bij de positieve pool van de Hofmann-opstelling test je met een gloeiende houtspaander. Wat observeer je bij het juiste gas?

a)

Houtspaander herontbrandt

b)

Houtspaander dooft

c)

Er klinkt een knal

d)

Er ontstaat rode kleur

53.

Welke verhouding van gassen wordt typisch gevormd bij elektrolyse van water?

a)

Dubbel zoveel H2 als O2

b)

Gelijk veel H2 en O2

c)

Drie keer meer O2 dan H2

d)

Alleen zuurstof, geen waterstof

54.

Welke uitspraak klopt over water, zuurstofgas en waterstofgas in het modeltekening en symbolenoverzicht?

a)

Water is samengesteld, formule H2O

b)

Water is enkelvoudig, formule HO2

c)

Zuurstofgas is samengesteld, formule O

d)

Waterstofgas is samengesteld, formule H2O

55.

Je voert een ontledingsproef met water uit. Welke gassen ontstaan en aan welke polen worden ze gevormd?

a)

Zuurstofgas positief, waterstofgas negatief

b)

Waterstofgas positief, zuurstofgas negatief

c)

Zuurstofgas beide polen, waterstofgas geen

d)

Water en zuurstofgas positief, waterstofgas geen

56.

Waarom wordt waterstofgas ook wel knalgas genoemd volgens de proefbeschrijving?

a)

Het geeft een luide knal met zuurstofgas

b)

Het bevordert de verbranding van hout

c)

Het dooft een brandende lucifer altijd

d)

Het reageert niet met zuurstofgas

57.

Wat toont de elektrolyse van water het duidelijkst aan?

a)

Water is een mengsel van twee oplosmiddelen

b)

Water is een enkelvoudige stof met één atoomsoort

c)

Water is een samengestelde stof die ontleed kan worden

d)

Water is een zuivere stof die niet kan veranderen

58.

Welke twee gassen ontstaan bij de elektrolyse van water?

a)

Koolstofdioxide en stikstof

b)

Waterstof en zuurstof

c)

Argon en helium

d)

Chloor en natrium

59.

Welke uitspraak over elementen en verbindingen is correct?

a)

Elementen kunnen door elektrolyse in verbindingen worden gescheiden

b)

Verbindingen kunnen in elementen worden ontleed

c)

Elementen bestaan uit meerdere soorten atomen

d)

Verbindingen zijn altijd mengsels van stoffen

60.

Bij het ontleden van H₂O, wat geeft de ‘2’ aan in de formule?

a)

Twee soorten elementen in water

b)

Twee zuurstofatomen in elk molecuul

c)

Twee waterstofatomen per molecuul

d)

Twee moleculen in elke oplossing

61.

Kies de correcte verklaring voor ‘elektrolyse’.

a)

Ontleding van een stof door warmte

b)

Ontleding van een stof door elektriciteit

c)

Vorming van een stof door menging

d)

Zuivering van een stof door filtratie

62.

Welke conclusie trek je als water wordt ontleed in waterstof en zuurstof?

a)

Water is een element met twee atoomsoorten

b)

Water is een verbinding van elementen

c)

Water is een homogeen mengsel van gassen

d)

Water is een colloïdale suspensie

63.

Welke uitspraak beschrijft een enkelvoudige stof het best?

a)

Bestaat uit één soort atomen

b)

Bestaat uit twee soort atomen

c)

Bestaat uit drie soort moleculen

d)

Bestaat uit variabele deeltjesmix

64.

Wat is de juiste classificatie van zuurstofgas O2?

a)

Element, enkelvoudige stof

b)

Element, samengestelde stof

c)

Mengsel, homogeen

d)

Mengsel, heterogeen

65.

Welke groep in het periodiek systeem bevat monoatomaire gassen zoals He en Ne?

a)

Edelgassen, laatste kolom

b)

Halogenen, eerste rij

c)

Alkalimetalen, middelste blok

d)

Aardmetalen, bovenste rij

66.

Welke notatie stelt een element voor en kan tegelijk de stof en een atoom aanduiden?

a)

He als element en atoom

b)

H2O als element en atoom

c)

CO2 als element en atoom

d)

NaCl als element en atoom

67.

Koolstof als enkelvoudige stof kan voorkomen als diamant of grafiet. Wat is juist?

a)

Beide bevatten enkel koolstofatomen

b)

Diamant bevat koolstof en zuurstof

c)

Grafiet bevat koolstof en stikstof

d)

Beide zijn samengestelde stoffen

68.

Wat is de triviale naam voor H2O?

a)

Water, veelgebruikte naam

b)

Oxidane, formele naam

c)

Hydroxide, ionnaam

d)

Waterstofgas, elementnaam

69.

Welke van deze formules stelt een samengestelde stof voor?

a)

NaCl, vaste verbinding

b)

O2, gas van één element

c)

Ne, edelgas monoatomair

d)

C, enkelvoudig element

70.

Wat is de juiste classificatie van NaCl op deeltjesniveau?

a)

Samengestelde stof, ionverbinding

b)

Enkelvoudige stof, metaal

c)

Homogeen mengsel, oplossing

d)

Element, edelgas

71.

Welke keuze classificeert lucht het best?

a)

Homogeen mengsel van gassen

b)

Heterogeen mengsel van vaste stoffen

c)

Samengestelde stof met formule L2

d)

Enkelvoudige stof met één atoom

72.

Wat is de juiste naam voor een molecule met drie zuurstofatomen (O3) volgens de Griekse telwoorden?

a)

Dizuurstof met twee atomen

b)

Trizuurstof met drie atomen

c)

Tetrazuurstof met vier atomen

d)

Monozuurstof met één atoom

73.

Kies de correcte combinatie van telwoord en aantal atomen:

a)

Tetra = 3 atomen

b)

Hexa = 6 atomen

c)

Nona = 8 atomen

d)

Deca = 9 atomen

74.

Een leerling noemt N2 ‘monostikstof’. Welke redenering corrigeert dit het best?

a)

Mono hoort bij één atoom; N2 heeft er twee

b)

Mono is voor metalen; stikstof is niet-metaal

c)

Mono wordt niet gebruikt voor gassen

d)

Mono geldt alleen bij ionenbinding

75.

Welke uitspraak over edelgassen is juist?

a)

Ze vormen vooral diatomaire moleculen

b)

Ze worden benoemd met Griekse voorvoegsels

c)

Ze zijn monoatomair bij kamertemperatuur

d)

Ze hebben altijd een triviale naam met ‘gas’

76.

Wat is de wetenschappelijke naam van O2?

a)

Zuurstofgas

b)

Dizuurstof

c)

Distikstof

d)

Difluor

77.

Welke combinatie is fout volgens de naamregels?

a)

N2 met distikstof

b)

N2 met stikstofgas

c)

Cl2 met dichloor

d)

O3 met ozon

78.

Welke term hoort bij H2 als triviale naam?

a)

Knalgas

b)

Zuurstofgas

c)

Chloorgas

d)

Fluorgas

79.

Kies de correcte wetenschappelijke naam voor Cl2.

a)

Dichloor

b)

Trichloor

c)

Monochloor

d)

Tetrachlor

80.

Welke stof heeft geen triviale naam in de tabel met niet‑metalen?

a)

P4

b)

S8

c)

O3

d)

F2

81.

Wat gebeurt er met het Griekse telwoord in de triviale naam?

a)

Het wordt verplicht toegevoegd

b)

Het wordt weggelaten

c)

Het wordt verdubbeld

d)

Het wordt achteraan gezet

82.

Welke wetenschappelijke naam past bij F2?

a)

Difluor

b)

Dichloor

c)

Diwaterstof

d)

Distikstof

83.

Welke combinatie van naamregels is correct voor N2?

a)

Wetenschappelijke naam distikstof, triviale naam stikstofgas

b)

Wetenschappelijke naam stikstofgas, triviale naam distikstof

c)

Wetenschappelijke naam azotegas, triviale naam stikstof

d)

Wetenschappelijke naam stikstof, triviale naam distikstofgas

84.

Welke Griekse prefix komt overeen met ‘drie’?

a)

Di

b)

Tri

c)

Tetra

d)

Penta

85.

Wat is de wetenschappelijke naam voor O3?

a)

Ozon

b)

Trizuurstof

c)

Tri-oxygen

d)

Monozuurstof

86.

Welke uitspraak over wetenschappelijke versus triviale namen is juist?

a)

Triviale namen gebruiken altijd telwoorden

b)

Wetenschappelijke namen laten ‘gas’ altijd weg

c)

Triviale namen voegen vaak ‘gas’ toe

d)

Wetenschappelijke namen zijn altijd korter

87.

Welke wetenschappelijke naam hoort bij P4?

a)

Tetrafosfor

b)

Difosfor

c)

Trifosfor

d)

Pentafosfor

88.

Welke triviale naam hoort bij O3, een molecule bestaande uit drie zuurstofatomen?

a)

zuurstofgas

b)

ozon

c)

waterstofperoxide

d)

dioxigen