wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Page 1

Total questions: 90

Worksheet time: 45mins

Name
Class
Date
1.

Welke afbeelding toont een liniaal die je gebruikt om te meten?

a)

Het lange houten meetding met streepjes

b)

Het boek met fietsen op de voorkant

c)

De blauwe tas met rits en vakken

d)

Het zakje vol kleurpotloden

2.

Met welk voorwerp schrijf je letters op papier?

a)

Het scherpe gele potlood met gum

b)

Het groene ding om uit te wissen

c)

De harde houten meetlat

d)

Het blauwe tasje met rits

3.

Wat gebruik je om fouten weg te halen?

a)

Het groene wisding met dopje

b)

Het gladde houten bureautje

c)

Het dikke schoolboek met fietsers

d)

De stevige blauwe rugtas

4.

Waar stop je pennen en stiften in?

a)

Het blauwe etui met ritsje

b)

De houten tafel met lades

c)

De lange houten liniaal

d)

Het bruine notitieboekje

5.

Welke afbeelding past bij een schrift waarin je kunt oefenen?

a)

Het bruine spiraal schriftje

b)

Het blauwe rugzakje

c)

Het groene gummetje

d)

Het meetlatje met streepjes

6.

Je wil je huiswerk maken. Waar leg je je blad neer om te werken?

a)

Op het lichte bureau met lades

b)

In het zachte blauwe etui

c)

Op de lange houten liniaal

d)

In het dikke Franse boek

7.

Je gaat naar school en neemt alles mee. Wat draag je op je rug?

a)

De blauwe rugzak met vakken

b)

Het bruine spiraal schrift

c)

De smalle houten liniaal

d)

Het groene gummetje

8.

Welk voorwerp is het beste om een rechte lijn te tekenen?

a)

De lange liniaal met maatstrepen

b)

Het dikke oefenschriftje

c)

De sterke schoolrugzak

d)

Het groene wisdingetje

9.

Je moet de titel van je werk lezen. Welk item helpt je hierbij niet?

a)

Het groene gummetje helpt niet

b)

Het potlood helpt niet

c)

De liniaal helpt niet

d)

Het boek helpt niet

10.

Je wilt kleuren sorteren. Waar kun je ze netjes samen bewaren?

a)

In het blauwe etui met rits

b)

Op het houten bureaublad

c)

In het dikke leesboek

d)

Langs de houten liniaal

11.

Welk voorwerp hoort bij de tekening van een map met ringetjes?

a)

Een klasseermap met ringetjes

b)

Een brooddoos met deksel

c)

Een rugtas met ritsen

d)

Een computer met toetsen

12.

Welke kleur past bij het plaatje van de pen?

a)

Groen zoals gras

b)

Rood zoals een appel

c)

Blauw zoals de zee

d)

Geel zoals zonlicht

13.

Wat is het op de tekening met veel knoppen en een klein schermpje?

a)

Een rekenmachine met cijfers

b)

Een gum voor potlood

c)

Een brooddoos voor boterhammen

d)

Een bureautafel om te schrijven

14.

Welk voorwerp is de doos die open kan om eten in te doen?

a)

Een brooddoos met deksel

b)

Een pen om te schrijven

c)

Een computer voor spelletjes

d)

Een map met papieren

15.

Welk voorwerp is lang en kan je potloodstrepen wegdoen?

a)

Een gum voor potlood

b)

Een rugtas met banden

c)

Een bureau met laden

d)

Een rekenmachine met knoppen

16.

Welke kleur hoorde bij de rekenmachine in het werkblad?

a)

Oranje als een pompoen

b)

Groen als bladeren

c)

Blauw als de lucht

d)

Paars als bloemen

17.

De brooddoos moest welke kleur krijgen?

a)

Rood als een tomaat

b)

Bruin als aarde

c)

Wit als sneeuw

d)

Zwart als nacht

18.

De gum kreeg welke kleur in de opdracht?

a)

Geel als een kuiken

b)

Roze als een bloem

c)

Grijs als stenen

d)

Blauw als water

19.

Welke combinatie klopt het best: ‘Het is … klasseermap’?

a)

Een zwarte

b)

Een groen

c)

Een oranje

d)

Een gele

20.

Welke zin past: ‘Het is … pen.’

a)

Een groene

b)

Een oranje

c)

Een gele

d)

Een zwarte

21.

Welke vraag past bij het antwoord: “J’habite à Wilrijk.”?

a)

Hoe heet jij eigenlijk?

b)

Waar woon jij nu?

c)

Hoe oud ben jij?

d)

Welke dag is het?

e)

Wie is die persoon?

22.

Kies de juiste vraag voor het antwoord: “C’est Marie.”

a)

Wie is dat daar?

b)

Waar woon je dan?

c)

Hoe oud ben je?

d)

Welke dag is het?

e)

Wat is dat ding?

23.

Welke vraag hoort bij: “J’ai 10 ans.”

a)

Wat is je naam?

b)

Hoe oud ben jij?

c)

Waar woon jij?

d)

Wie is dat dan?

e)

Welke dag is het?

24.

Kies de beste vraag bij: “C’est un stylo rouge.”

a)

Wat is dat precies?

b)

Wie is dat eigenlijk?

c)

Waar woon je nu?

d)

Hoe oud ben jij?

e)

Welke dag is het?

25.

Welke vraag past bij: “Nous sommes samedi.”

a)

Hoe heet jij nu?

b)

Wat is dat ding?

c)

Welke dag is het?

d)

Waar woon je nu?

e)

Wie is die persoon?

26.

Kies de juiste vraag voor: “C’est un livre de néerlandais.”

a)

Wat is dat precies?

b)

Wie is dat daar?

c)

Waar woon je dan?

d)

Hoe oud ben jij?

e)

Welke dag is het?

27.

Welke vraag hoort bij: “Je m’appelle Maxime.”

a)

Waar woon je nu?

b)

Wat is je naam?

c)

Hoe oud ben je?

d)

Wie is dat daar?

e)

Welke dag is het?

28.

Kies de juiste vraag voor: “Mon nom est M. Dubois.”

a)

Wat is je naam?

b)

Waar woon jij nu?

c)

Hoe oud ben jij?

d)

Wat is dat ding?

e)

Welke dag is het?

29.

Stel je voor: Je ziet een rood voorwerp op tafel. Welke Franse zin past daarbij het best?

a)

C’est Marie.

b)

J’habite à Wilrijk.

c)

J’ai 10 ans.

d)

C’est un stylo rouge.

e)

Nous sommes samedi.

30.

Je hoort iemand zeggen dat het zaterdag is. Welke Franse zin betekent dat?

a)

C’est Marie.

b)

Nous sommes samedi.

c)

Je m’appelle Maxime.

d)

C’est un livre.

e)

J’ai 10 ans.

31.

Kijk naar de kalender. Welke dag van de week is 1 januari 2021?

a)

maandag

b)

vrijdag

c)

zondag

d)

dinsdag

32.

Welke dag valt 10 januari 2021 in deze kalender?

a)

zondag

b)

donderdag

c)

maandag

d)

vrijdag

33.

Op welke weekdag valt 12 januari 2021?

a)

woensdag

b)

dinsdag

c)

maandag

d)

zaterdag

34.

Welke dag van de week is 13 januari 2021?

a)

donderdag

b)

woensdag

c)

vrijdag

d)

zondag

35.

Kies de juiste dag: 16 januari 2021 is een …

a)

maandag

b)

zaterdag

c)

donderdag

d)

dinsdag

36.

Wat is de weekdag voor 21 januari 2021?

a)

donderdag

b)

maandag

c)

zondag

d)

woensdag

37.

Welke weekdag hoort bij 25 januari 2021?

a)

maandag

b)

vrijdag

c)

zondag

d)

dinsdag

38.

Als 1 januari op vrijdag is, welke dag is 8 januari dan?

a)

vrijdag

b)

zaterdag

c)

donderdag

d)

maandag

39.

Welke dag komt direct na 21 januari 2021 in de kalender?

a)

vrijdag

b)

woensdag

c)

zaterdag

d)

maandag

40.

Je plant een bezoek op de eerste maandag van januari 2021. Welke datum kies je?

a)

4 januari

b)

5 januari

c)

11 januari

d)

18 januari

41.

Wat schrijf je bij “Nom : Je m’appelle …” op een vriendenboek-blad?

a)

Je eigen naam invullen

b)

Je favoriete dier invullen

c)

Je woonplaats invullen

d)

Je leeftijd invullen

42.

Op het blad staat “Adresse : J’habite à …”. Wat betekent dat je moet invullen?

a)

Waar je woont opschrijven

b)

Je klasnummer opschrijven

c)

Je schoolnaam opschrijven

d)

Je favoriete kleur opschrijven

43.

Bij “Âge : J’ai … ans.” vul je in:

a)

Je leeftijd in jaren

b)

Je lengte in centimeters

c)

Je gewicht in kilo’s

d)

Je schoenmaat in cijfers

44.

Waar noteer je welke klas je zit?

a)

Bij “Classe” veld

b)

Bij “École” veld

c)

Bij “Adresse” veld

d)

Bij “Nom” veld

45.

Het veld “École” vraagt om:

a)

De naam van je school

b)

De naam van je leraar

c)

De naam van je vriend

d)

De naam van je straat

46.

Wat hoort bij “Couleur préférée” te staan?

a)

Je lievelingskleur

b)

Je lievelingssport

c)

Je lievelingsdier

d)

Je lievelingsspel

47.

Je ziet “Cours préféré”. Wat vul je hier in?

a)

Je favoriete vak

b)

Je favoriete seizoen

c)

Je favoriete film

d)

Je favoriete boek

48.

Wat betekent “Prof préféré(e)” op het blad?

a)

Je favoriete leerkracht

b)

Je favoriete klasgenoot

c)

Je favoriete directeur

d)

Je favoriete coach

49.

Onderaan staan woorden zoals “enthousiaste / sympa / triste / drôle / gentil(le) / cool”. Wat doe je hiermee?

a)

Kies woorden die jou passen

b)

Vertaal alle woorden naar Duits

c)

Schrap alle woorden die je kent

d)

Schrijf de woorden in het midden

50.

Je maakt het vriendenboek van een klasgenoot. Welke stap is verstandig om te doen voordat je schrijft?

a)

Eerst de vragen samen lezen

b)

Eerst willekeurig invullen

c)

Eerst alles overslaan

d)

Eerst de bladzijde scheuren

51.

Welke zin past bij een eerste groet in een chat?

a)

Salut !

b)

J’ai douze ans.

c)

C’est samedi.

d)

J’habite à Paris.

52.

Wat zeg je als iemand vraagt: Tu t’appelles comment ?

a)

Je m’appelle Roxy.

b)

J’ai treize ans.

c)

C’est un concours.

d)

En Belgique, moi.

53.

Welke keuze past bij de vraag: Tu as quel âge ?

a)

J’ai douze ans.

b)

Je m’appelle Max.

c)

C’est samedi.

d)

J’habite à Herstal.

54.

Kies de juiste reactie op: Tu habites où ?

a)

J’habite à Paris.

b)

Je m’appelle Roxy.

c)

C’est international.

d)

J’ai treize ans.

55.

Welke zin zegt in het Frans dat het zaterdag is?

a)

C’est samedi.

b)

J’ai douze ans.

c)

Je m’appelle Max.

d)

J’habite en France.

56.

Wat betekent: C’est un concours international?

a)

Het is een internationale wedstrijd.

b)

Ik ben dertien jaar oud.

c)

Ik woon in België.

d)

Mijn naam is Max.

57.

Welke vraag past bij: MaxX911007. (naam in een spel)

a)

Quel est ton nom sur Fortnite ?

b)

Tu as quel âge ?

c)

Tu habites où ?

d)

C’est quel jour ?

58.

Welke zin gebruik je om te vragen naar de woonplaats?

a)

Tu habites où ?

b)

Tu t’appelles comment ?

c)

C’est quel jour ?

d)

Tu as quel âge ?

59.

Welke vraag hoort bij het antwoord: C’est un concours international.

a)

Tu fais aussi le concours de Fortnite en ligne ?

b)

Tu t’appelles comment ?

c)

Tu habites où ?

d)

Tu as quel âge ?

60.

Welke van deze zinnen kan je gebruiken om te vragen welke dag het is?

a)

C’est quel jour ?

b)

Tu habites où ?

c)

Quel est ton nom ?

d)

Tu fais aussi le concours ?

61.

Kijk naar het rooster. Op welke dagen is er geschiedenisles?

a)

dinsdag en woensdag

b)

woensdag en vrijdag

c)

donderdag en vrijdag

d)

maandag en donderdag

62.

Welke dag heeft twee keer Frans in de ochtendblokken?

a)

maandag heeft twee keer Frans

b)

woensdag heeft twee keer Frans

c)

vrijdag heeft twee keer Frans

d)

dinsdag heeft twee keer Frans

63.

Welk vak komt direct na de eerste pauze op dinsdag?

a)

wiskunde komt na de pauze

b)

Nederlands komt na de pauze

c)

Frans komt na de pauze

d)

technologie komt na de pauze

64.

Op welke dag hebben we gym twee keer op dezelfde dag?

a)

woensdag twee keer gym

b)

donderdag twee keer gym

c)

vrijdag twee keer gym

d)

maandag twee keer gym

65.

Welke dag start met het vak ‘sciences’ (wetenschappen)?

a)

maandag start met sciences

b)

dinsdag start met sciences

c)

woensdag start met sciences

d)

vrijdag start met sciences

66.

Welk vak hebben we aan het eind van woensdag?

a)

technologie aan het eind

b)

gym aan het eind

c)

sciences aan het eind

d)

geschiedenis aan het eind

67.

Als je op donderdag na ‘geschiedenis’ nog een les hebt, welk vak is dat?

a)

technologie is daarna

b)

Frans is daarna

c)

Nederlands is daarna

d)

sciences is daarna

68.

Welke twee vakken staan op maandag direct na elkaar na de tweede pauze?

a)

wiskunde en wiskunde

b)

technologie en technologie

c)

technologie en gym

d)

Frans en Nederlands

69.

Op welke dag heb je eerst Nederlands en daarna Frans achter elkaar?

a)

maandag achter elkaar

b)

dinsdag achter elkaar

c)

woensdag achter elkaar

d)

vrijdag achter elkaar

70.

Welke dag heeft geen ‘sciences’ in het rooster?

a)

maandag heeft geen sciences

b)

dinsdag heeft geen sciences

c)

woensdag heeft geen sciences

d)

donderdag heeft geen sciences

71.

Wie schrijft de e-mail in het plaatje?

a)

Laura schrijft de e-mail

b)

Pluto schrijft de e-mail

c)

Een meisje uit België

d)

De leraar schrijft de e-mail

72.

Waar woont Laura?

a)

In Frankrijk, in Lille

b)

In België, in Gent

c)

In Nederland, in Utrecht

d)

In Spanje, in Madrid

73.

Hoe oud is Laura in de e-mail?

a)

Twaalf jaar oud

b)

Dertien jaar oud

c)

Tien jaar oud

d)

Elf jaar oud

74.

Wat doet Laura graag? Kies het beste antwoord.

a)

Dansen en tv kijken

b)

Zwemmen en fietsen

c)

Lezen en schilderen

d)

Tennis en basketbal

75.

Hoe heet Laura’s hond?

a)

Pluto heet de hond

b)

Felix heet de hond

c)

Max heet de hond

d)

Milo heet de hond

76.

Wat zegt Laura over haar hond?

a)

Hij is heel lief

b)

Hij is heel luid

c)

Hij is heel klein

d)

Hij is heel streng

77.

Welke zin past het best bij de e-mail?

a)

Laura houdt van dieren

b)

Laura is bang voor dieren

c)

Laura haat alle dieren

d)

Laura kent geen dieren

78.

Kies de zin die NIET klopt met de e-mail.

a)

Laura heeft een kat thuis

b)

Laura woont in Lille

c)

Laura’s hond heet Pluto

d)

Laura kijkt graag naar tv

79.

Wat vraagt Laura aan de lezer aan het einde?

a)

Schrijf me snel terug

b)

Kom morgen op bezoek

c)

Stuur mij een foto

d)

Bel mij later vandaag

80.

Welke twee dingen horen bij elkaar volgens de e-mail?

a)

Laura en dansen

b)

Laura en tennissen

c)

Pluto en streng

d)

Lille en België

81.

Kies het dier dat kan vliegen.

a)

De vis in het water

b)

De vogel in de lucht

c)

De kat onder de boom

d)

De hond bij het huis

82.

Welke vorm heeft drie hoeken en drie zijden?

a)

Een cirkel zonder hoeken

b)

Een vierkant met vier zijden

c)

Een driehoek met drie zijden

d)

Een rechthoek met twee paren

83.

Als je 2 appels hebt en je krijgt er 1 bij, hoeveel heb je dan?

a)

Twee appels totaal

b)

Drie appels totaal

c)

Vier appels totaal

d)

Eén appel totaal

84.

Welk voorwerp gebruik je om te schrijven op papier?

a)

Een lepel voor soep

b)

Een potlood of pen

c)

Een borstel voor haar

d)

Een bal om te spelen

85.

Kies het woord dat rijmt met ‘kat’.

a)

Vis rijmt niet

b)

Mat rijmt wel

c)

Boom rijmt niet

d)

Hond rijmt niet

86.

Je plant heeft dorst. Wat moet je doen?

a)

Water geven aan plant

b)

Zet de plant in kast

c)

Geef de plant een boek

d)

Laat de plant buiten

87.

Welke actie laat je netjes oversteken bij een zebra?

a)

Rennen zonder te kijken

b)

Wachten en links rechts kijken

c)

Ogen dicht en lopen

d)

Fietsen door rood licht

88.

Als een klok 7 uur aangeeft, welke tijd is dat?

a)

Middennacht precies

b)

Zeven uur precies

c)

Tien uur precies

d)

Twee uur precies

89.

Wat hoort bij het ontbijt?

a)

Tandpasta en borstel

b)

Brood met beleg

c)

Schoenen en sokken

d)

Verf en penseel

90.

Je hebt drie blokken: rood, blauw, geel. Welke is een primaire kleur?

a)

Rood is primair

b)

Paars is primair

c)

Roze is primair

d)

Zwart is primair