Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Wetenschap Quiz

Total questions: 32

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

Wat proef je als je suiker oplost in water?

a)

Zoet

b)

Zout

c)

Bitter

d)

Zuur

2.

Wat is een oplossing?

a)

Een helder mengsel waarin stoffen zijn opgelost

b)

Een troebel mengsel

c)

Een vaste stof

d)

Een gas

3.

Wat staat er op een verpakking als er een suspensie in zit?

a)

Schudden voor gebruik

b)

Koelen voor gebruik

c)

Verwarmen voor gebruik

d)

Roeren voor gebruik

4.

Wat is een kenmerk van een oplossing?

a)

Helder

b)

Troebel

c)

Vaste stof

d)

Gas

5.

Welke eigenschap heeft keukenzout?

a)

Smaakt zout

b)

Smaakt zoet

c)

Smaakt bitter

d)

Smaakt zuur

6.

Wat is een voorbeeld van een stofeigenschap?

a)

Brandbaarheid

b)

Gewicht

c)

Grootte

d)

Vorm

7.

Wat kun je doen om stoffen te scheiden?

a)

Extraheren of filtreren

b)

Mengen

c)

Roeren

d)

Verwarmen

8.

Wat betekent 'zuiver' mineraalwater volgens de tekst?

a)

Het water is niet vervuild met gevaarlijke stoffen of bacteriën.

b)

Het water bevat geen mineralen.

c)

Het water is helemaal puur zonder enige stoffen.

d)

Het water is alleen geschikt om te koken.

9.

Wat gebeurt er als je heet water bij gemalen koffie doet?

a)

De geur-, kleur- en smaakstoffen lossen op in het water.

b)

Het water wordt koud.

c)

De koffiebonen blijven heel.

d)

Er ontstaat schuim op het water.

10.

Wat is een filter?

a)

Een hulpmiddel met kleine gaatjes om koffiedik tegen te houden.

b)

Een apparaat om water te koken.

c)

Een lepel om koffie te roeren.

d)

Een machine om koffiebonen te malen.

11.

Wat kun je bepalen met een weegschaal?

a)

De massa van een voorwerp of stof

b)

Het volume van een vloeistof

c)

De temperatuur van water

d)

De kleur van een stof

12.

Hoe meet je massa?

a)

In gram (g) of kilogram (kg)

b)

In liter (L)

c)

In meter (m)

d)

In milliliter (mL)

13.

Hoeveel gram is 1 kilogram?

a)

1000 gram

b)

100 gram

c)

10 gram

d)

500 gram

14.

Met welk instrument kun je het volume van een vloeistof bepalen?

a)

Met een maatcilinder

b)

Met een weegschaal

c)

Met een thermometer

d)

Met een liniaal

15.

Wat is volume?

a)

De ruimte die een vloeistof inneemt

b)

De massa van een voorwerp

c)

De kleur van een stof

d)

De temperatuur van water

16.

Wat betekent dm³?

a)

Kubieke decimeter

b)

Kubieke meter

c)

Kubieke centimeter

d)

Kubieke liter

17.

Hoeveel dm³ is 1 liter?

a)

1 dm³

b)

10 dm³

c)

100 dm³

d)

0,1 dm³

18.

Hoeveel cm³ is 1 milliliter?

a)

1 cm³

b)

10 cm³

c)

100 cm³

d)

0,1 cm³

19.

Wat gebruik je om volume te meten?

a)

Een maatcilinder

b)

Een weegschaal

c)

Een liniaal

d)

Een kompas

20.

Wat is een residu?

a)

De vaste stof die achterblijft in de filter

b)

De vloeistof die door de filter gaat

c)

De geur van de koffie

d)

Het water in de kan

21.

Wat is een filtraat?

a)

De vloeistof die door de filter gaat

b)

De vaste stof die achterblijft in de filter

c)

De geur van de koffie

d)

Het koffiedik

22.

Wat is de massa van een voorwerp?

a)

Hoe zwaar het is

b)

Hoe groot het is

c)

Hoe warm het is

d)

Hoe snel het beweegt

23.

Wat is het volume van een vloeistof?

a)

Hoeveel ruimte het inneemt

b)

Hoeveel het weegt

c)

Hoe warm het is

d)

Hoe snel het stroomt

24.

Wat is 1 kubieke decimeter gelijk aan?

a)

1000 kubieke centimeter

b)

100 kubieke centimeter

c)

10 kubieke centimeter

d)

1 kubieke centimeter

25.

Welke eenheid gebruik je voor massa?

a)

Gram (g) en kilogram (kg)

b)

Liter (L) en milliliter (mL)

c)

Meter (m) en centimeter (cm)

d)

Joule (J) en watt (W)

26.

Wat betekent het als een voorwerp ruimte inneemt?

a)

Het heeft een bepaald volume.

b)

Het is altijd zwaar.

c)

Het is altijd rond.

d)

Het is altijd vloeibaar.

27.

Wat betekent g?

a)

Gram

b)

Goud

c)

Groot

d)

Groen

28.

Wat is de eenheid voor het meten van volume?

a)

Gram (g)

b)

Meter (m)

c)

Joule (J)

d)

Liter (L)

29.

Wat gebeurt er met de massa als je een stof verwarmt?

a)

De massa verandert in energie

b)

De massa neemt toe

c)

De massa blijft gelijk

d)

De massa neemt af

30.

Wat is een voorbeeld van een mengsel?

a)

Goud

b)

Staal

c)

Zout water

d)

Suiker

31.

Hoe bereken je de dichtheid van een stof?

a)

Door de kleur te observeren

b)

Door de temperatuur te meten

c)

Door het volume te vermenigvuldigen met de massa

d)

Door de massa te delen door het volume

32.

Wat is de eenheid voor dichtheid?

a)

Gram per kubieke centimeter (g/cm³)

b)

Kilogram per liter (kg/L)

c)

Meter per seconde (m/s)

d)

Joule per kilogram (J/kg)