wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Markt deel 2 t/m toezichthouders

Total questions: 15

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.

Koppel de marktvorm aan de juiste kenmerken

a)

Volkomen concurrentie / volledige mededinging

1.

Veel aanbieders
Homogeen goed

b)

Monopolistische concurrentie

2.

Veel aanbieders
Heterogeen goed

c)

Oligopolie

3.

Paar aanbieders hebben een groot %

d)

Monopolie

4.

1 aanbieder

2.

Bij welke marktvorm heeft een aanbieder de meeste marktmacht/meeste invloed op de prijs?

a)

Volkomen concurrentie

b)

Monopolistische concurrentie

c)

Oligopolie

d)

Monopolie

3.

Welke marktvorm heeft een horizontale prijs-afzet lijn en laat daarmee zien dat er geen invloed op de prijs is?

a)

Volkomen concurrentie

b)

Monopolistische concurrentie

c)

Oligopolie

d)

Monopolie

4.

Bij welke marktvorm is de kans op een prijzenoorlog het grootst?

a)

Volkomen concurrentie

b)

Monopolistische concurrentie

c)

Oligopolie

d)

Monopolie

5.

Bij welke marktvorm is de kans op kartelvorming het grootst?

a)

Volkomen concurrentie

b)

Monopolistische concurrentie

c)

Oligopolie

d)

Monopolie

6.

Soort variabele kosten:
Hier is sprake van ​ (a)   . Dit zie je aan de ​ (b)   MK-lijn

Choose from the below words
progressief variabele kosten
stijgende
degressief variabele kosten
proportioneel variabele kosten
dalende
horizontale
7.

Hoeveen producten moet je produceren als je streeft naar maximale winst?

(a)  

8.

Hoeveen producten moet je produceren als je streeft naar maximale omzet

(a)  

9.

Soort variabele kosten:
Hier is sprake van ​ (a)   . Dit zie je aan de ​ ​ (b)   MK-lijn

Choose from the below words
proportioneel variabele kosten
degressief variabele kosten
progressief variabele kosten
dalende
horizontale
stijgende
10.
Question Image

Welke prijs moet je hanteren als je streeft naar...

a)

Maximale winst (MO=MK)

1.

Q = 30 miljard
P = 17,5 cent

b)

Maximale omzet (MO=0)

2.

Q = 50 miljard
P = 12,5 cent

c)

Breakeven (GO=GTK)

3.

Q=10 en 50 miljard
P = 22,5 en 12,5 cent

11.

Bij​ (a)   vraag je voor precies hetzelfde product een andere prijs voor verschillende groepen. Voorwaarden zijn dat ​ (b)   en ​ (c)   .

Bij ​ (d)   vraag je voor een net wat ander product een andere prijs. Een voorbeeld hiervan is ​ (e)   .

Choose from the below words
Prijsdiscrimminatie
de deelmarkten strikt gescheiden moeten zijn
dat doorverkoop niet mogelijk is
Prijsdifferentiatie
een boek met hard en zacht kaft
65+ korting
12.

Organize these options into the right categories

Categorize the following

Luchtvervuiling

Milieuvervuiling

Zwerfafval

Geluidsoverlast

Vaccinaties

Wandelmogelijkheden in de duinen

Postieve externe effecten
Negatieve externe effecten
13.

Bij een vraag over externe effecten moet je altijd uitleggen:
- Dat het een ​ (a)   is van productie of consumptie
- Dat niet in de ​ (b)   is inbegrepen
- Hoe ​ (c)   hier last van hebben.
Vaak leidt dit ook tot ​ (d)  

Choose from the below words
onbedoeld gevolg
prijs
andere mensen
maatschappelijke kosten
14.

Koppel het volgende

a)

De overheid maakt het product goedkoper om het gebruik te stimuleren.

1.

Subsidie

b)

Een maximale prijs vastgesteld door de overheid. De prijs kan nooit hoger zijn dan deze prijs.

2.

Maximumprijs

c)

De overheid maakt het product duurder om het gebruik te ontmoedigen

3.

Heffing

d)

De overheid stelt als regel dat er maximaal een bepaalde hoeveelheid geproduceerd mag worden

4.

Productiequotum

e)

Een minimale prijs vastgesteld door de overheid. De prijs kan nooit lager zijn dan deze prijs

5.

Minimumprijs

15.

Wie ziet waar op toe?

Categorize the following

Kartelvorming

Consumentenrecht

Toezicht op banken

Toezicht op verzekeraars

Toezicht op hypotheekverstrekkers

Toezicht op de beurs

ACM - Autoriteit consument en markt
AFM - Autoriteit financiële markten