wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

TOETS 2 Spelling 2/3/4 Quiz

Total questions: 40

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de juiste spelling van het woord dat hoort bij (a…loop)?

a)

afloop

b)

afloep

c)

afloof

d)

afloap

2.

Welke spelling is correct voor het woord (afsluit…g)?

a)

afsluiting

b)

afsluiteng

c)

afsluitig

d)

afsluitang

3.

Vul het juiste woord in: (argum…nt)

(a)  

4.

Wat is het correcte woord voor (ac…u)?

a)

accu

b)

accoe

c)

accuu

d)

accou

5.

Welke spelling hoort bij (berei…n)?

a)

bereiken

b)

bereiken

c)

bereiken

d)

bereiken

6.

Wat is het juiste woord voor (belacheli…k)?

a)

belachelijk

b)

belachelik

c)

belachelikk

d)

belachelijck

7.

Vul het juiste woord in: (besl…it)

(a)  

8.

Wat is de correcte spelling van (buurth…s)?

a)

buurthuis

b)

buurthys

c)

buurthuisz

d)

buurthuisen

9.

Welke spelling hoort bij (capucho…)?

a)

capuchon

b)

capuchoon

c)

capuchun

d)

capuchan

10.

Wat is het juiste woord voor (comfor…bel)?

a)

comfortabel

b)

comfortabel

c)

comfortbel

d)

comfortabbel

11.

Vul het juiste woord in: (disco…nter)

(a)  

12.

Wat is de correcte spelling van (complim…nt)?

a)

compliment

b)

complimant

c)

complimint

d)

complimont

13.

Welke spelling hoort bij (drieë…twintig)?

a)

drieëntwintig

b)

drieëntwinting

c)

drieëntwintich

d)

drieëntwintik

14.

Wat is het juiste woord voor (dr…ging)?

a)

draging

b)

draging

c)

draging

d)

draging

15.

Vul het juiste woord in: (eta…e)

(a)  

16.

Wat is de correcte spelling van (moe…lijk)?

a)

moeilijk

b)

moelijk

c)

moeilik

d)

moeilijk

17.

Welke spelling hoort bij (onmidde…lijk)?

a)

onmiddellijk

b)

onmiddelijk

c)

onmiddelijk

d)

onmiddelijk

18.

Wat is het juiste woord voor (gedra…gen)?

a)

gedragen

b)

gedraaggen

c)

gedraagen

d)

gedraegen

19.

Vul het juiste woord in: (meni…te)

(a)  

20.

Wat is de correcte spelling van (christ…nen)?

a)

christenen

b)

christenon

c)

christenaan

d)

christenien

21.

De soldaten voelden veel

a)

dreiging

b)

compliment

c)

capuchon

22.

De leerling kreeg een (a)   voor goed gedrag.

23.

Een dikke jas met een kap heet een

a)

menigte

b)

christenen

c)

capuchon

24.

Het was heel (a)   om de som op te lossen.

25.

Wat betekent het woord "etage" in de context van een huis?

a)

Een verdieping van een gebouw

b)

Een groep mensen

c)

Een religieuze groep

d)

Een soort jas

26.

Vul het juiste woord in: "Wij wonen op de tweede (a)   van het gebouw."

27.

Welke zin beschrijft het beste wat je moet doen voordat je gaat eten volgens de tekst?

a)

Je moet alle spullen goed controleren.

b)

Je moet direct beginnen met eten.

c)

Je moet een jas aantrekken.

d)

Je moet naar school gaan.

28.

Waarom krijgen de leerlingen iets volgens de tekst?

a)

Omdat ze te laat zijn

b)

Voor hun goede inzet

c)

Omdat ze ziek zijn

d)

Omdat ze een jas dragen

29.

Stel je voor dat je een winkel hebt die goedkope producten verkoopt. Welk woord uit de tekst past het beste bij deze winkel?

(a)  

30.

Welke zin kun je maken met de woorden: "aanloop – nemen – ze – moesten – een"?

a)

Ze moesten een aanloop nemen.

b)

Ze moesten een nemen aanloop.

c)

Aanloop ze moesten nemen een.

d)

Moesten ze een nemen aanloop.

31.

Welke zin kun je maken met de woorden: "gevaar – dreiging – was – grote – er – van"?

a)

Er was grote dreiging van gevaar.

b)

Gevaar was er van grote dreiging.

c)

Grote dreiging was er van gevaar.

d)

Dreiging van gevaar was er grote.

32.

Welke zin kun je maken met de woorden: "afsluiting – feest – de – het – was"?

a)

De afsluiting was het feest.

b)

Het feest was de afsluiting.

c)

Feest de afsluiting was het.

d)

Was het feest de afsluiting.

33.

Welke zin kun je maken met de woorden: "etage – woont – derde – de – hij – op"?

a)

Hij woont op de derde etage.

b)

Op de derde etage woont hij.

c)

Woont hij op de derde etage.

d)

De derde etage woont hij op.

34.

Welke zin kun je maken met de woorden: "kreeg – een – hij – compliment"?

a)

Hij kreeg een compliment.

b)

Kreeg hij een compliment.

c)

Een compliment kreeg hij.

d)

Compliment kreeg hij een.

35.

Welk woord hoort NIET in het rijtje: "accu – discounter – buurthuis"? Geef de reden.

a)

Accu, want dat is een onderdeel van een apparaat.

b)

Discounter, want dat is een winkel.

c)

Buurthuis, want dat is een gebouw.

d)

Accu, want dat is een winkel.

36.

Welk woord hoort NIET in het rijtje: "dreiging – besluit – etage"? Geef de reden.

a)

Etage, want dat is een verdieping in een gebouw.

b)

Dreiging, want dat betekent gevaar.

c)

Besluit, want dat is een beslissing.

d)

Dreiging, want dat is een verdieping.

37.

Welk woord hoort NIET in het rijtje: "christenen – compliment – menigte"? Geef de reden.

a)

Compliment, want dat is iets wat je zegt.

b)

Christenen, want dat zijn mensen.

c)

Menigte, want dat is een groep mensen.

d)

Compliment, want dat is een groep mensen.

38.

Welke van de volgende woorden hoort NIET in het rijtje: belachelijk – moeilijk – onmiddellijk?

a)

belachelijk

b)

moeilijk

c)

onmiddellijk

d)

gedragen

39.

Waarom is het belangrijk om goede, korte zinnen te schrijven bij DEEL G?

a)

Omdat het makkelijker te lezen is

b)

Omdat het meer punten oplevert

c)

Omdat het minder tijd kost

d)

Omdat het leuker is

40.

Stel je moet drie verschillende woorden uit een lijst gebruiken om zinnen te maken. Wat is dan belangrijk volgens de opdracht?

a)

Gebruik dezelfde woorden in elke zin

b)

Gebruik drie verschillende woorden

c)

Gebruik alleen werkwoorden

d)

Gebruik alleen zelfstandige naamwoorden