wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Genetica

Total questions: 150

Worksheet time: 1hrs 15mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de beste definitie van een gen in de biologie?

a)

Een organel dat energie voor cellen maakt

b)

Een eiwit dat alle kenmerken bepaalt

c)

Een stuk DNA dat een eigenschap codeert

d)

Een hele chromosoom dat een cel vormt

2.

Welke bewering beschrijft het verschil tussen genotype en fenotype het duidelijkst?

a)

Genotype is DNA; fenotype is waarneembare kenmerken

b)

Genotype is uiterlijk; fenotype is verborgen DNA

c)

Genotype zijn eiwitten; fenotype zijn suikers

d)

Genotype en fenotype zijn identieke begrippen

3.

Wat betekent ‘dominant’ bij allelen van een eigenschap?

a)

Het allel verandert andere chromosomen direct

b)

Het allel bepaalt het kenmerk als het aanwezig is

c)

Het allel komt nooit tot uiting in nakomelingen

d)

Het allel verschijnt alleen als dubbel aanwezig

4.

Een organisme heeft het genotype Bb voor oogkleur, waarbij B dominant is over b. Welke oogkleur verwacht je in het fenotype?

a)

De dominante kleur verschijnt bij het organisme

b)

Er verschijnt geen kleur in het organisme

c)

De recessieve kleur verschijnt bij het organisme

d)

Beide kleuren verschijnen precies even sterk

5.

Wat is de functie van chromosomen in een cel?

a)

Chromosomen geven energie vrij in mitochondriën

b)

Chromosomen regelen zuurstoftransport in bloed

c)

Chromosomen dragen genen in de celkern

d)

Chromosomen produceren glucose in chloroplasten

6.

Welke combinatie beschrijft een homozygoot genotype correct?

a)

Drie allelen aanwezig voor een eigenschap

b)

Geen allelen aanwezig voor een eigenschap

c)

Twee verschillende allelen voor een eigenschap

d)

Twee gelijke allelen voor een eigenschap

7.

Twee ouders zijn beide heterozygoot (Tt) voor lange stengels bij een plant, waarbij T dominant is. Welke uitkomst is het meest waarschijnlijk voor hun nakomelingen?

a)

Ongeveer driekwart lang, een kwart kort

b)

Alle nakomelingen worden gegarandeerd kort

c)

Ongeveer de helft lang, de helft kort

d)

Alle nakomelingen worden gegarandeerd lang

8.

Welke uitspraak over DNA is juist voor dit onderwerp?

a)

DNA bevat de instructies voor erfelijke kenmerken

b)

DNA ontstaat alleen tijdens de bevruchting

c)

DNA bevindt zich alleen buiten de celkern

d)

DNA is hetzelfde als een enkel eiwitmolecuul

9.

Waarom worden Punnett-vierkanten gebruikt in de genetica?

a)

Om kansen op genotypen van nakomelingen te voorspellen

b)

Om de exacte fenotypen met zekerheid te bepalen

c)

Om het aantal chromosomen in cellen te tellen

d)

Om DNA-structuren onder een microscoop te tekenen

10.

Een eigenschap is X-gebonden recessief. Welke bewering is het meest logisch over de overerving?

a)

Meisjes tonen het minder omdat zij geen X-chromosomen hebben

b)

Jongens tonen het minder omdat zij twee X-chromosomen hebben

c)

Meisjes tonen het vaker omdat zij twee Y-chromosomen hebben

d)

Jongens tonen het vaker omdat zij één X-chromosoom hebben

11.

Welk doel heeft de wetenschap van genetica?

a)

Het bestuderen van planeten en sterren

b)

Het voorspellen van weerpatronen en klimaatverandering

c)

Het begrijpen hoe eigenschappen van ouders op kinderen overgaan

d)

Het ontwikkelen van nieuwe kookrecepten voor eiwitten

12.

Wat is een gen in eenvoudige woorden?

a)

Een stukje DNA dat een eigenschap beïnvloedt

b)

Een soort celvlies zonder functie

c)

Een bouwsteen van steen en cement

d)

Een eiwit dat altijd energie opslaat

13.

Welke combinatie beschrijft het best het verschil tussen genotype en fenotype?

a)

Genotype is DNA-informatie; fenotype is waarneembare eigenschap

b)

Genotype is zichtbaar; fenotype is onzichtbaar

c)

Genotype is gedrag; fenotype is voedselkeuze

d)

Genotype is milieu-invloed; fenotype is erfelijke code

14.

Welke uitspraak over erfelijke eigenschappen is het meest juist?

a)

Eigenschappen worden altijd door één enkel gen bepaald

b)

Erfelijke eigenschappen veranderen nooit in een populatie

c)

Veel eigenschappen ontstaan door genen én omgevingsfactoren

d)

Alle eigenschappen worden alleen door het milieu bepaald

15.

Een plant heeft twee allelen voor bloemkleur: R (rood) en r (wit). R is dominant. Welke bloemkleur zie je bij genotype Rr?

a)

Roze door menging van kleuren

b)

Gevlekt door beide allelen actief

c)

Wit door recessief r

d)

Rood door dominant R

16.

Wat gebeurt er tijdens bevruchting met het aantal chromosomen?

a)

Het halveert in de zygote

b)

Het verdwijnt in de eerste deling

c)

Het blijft gelijk aan één ouder

d)

Het verdubbelt door twee gameten te combineren

17.

Waarom lijken broers en zussen op elkaar maar zijn ze niet identiek?

a)

Ze krijgen exact dezelfde allelen

b)

Ze erven alleen van hun moeder

c)

Ze delen geen genen met elkaar

d)

Ze krijgen willekeurige combinaties van allelen

18.

Een fokker kruist twee erwtplanten: beide zijn heterozygoot voor gele zaden (Yy). Welke verhouding gele:groene zaden verwacht je?

a)

1:3 gele tot groene zaden

b)

3:1 gele tot groene zaden

c)

2:2 gele tot groene zaden

d)

4:0 gele tot groene zaden

19.

Welke situatie laat co-dominantie het beste zien?

a)

Rood x wit bloem geeft rode bloemen

b)

Zwart x wit kip geeft grijze veren

c)

Rood x wit koe geeft rood-wit gevlekte vacht

d)

Rood x wit bloem geeft witte bloemen

20.

Een bepaalde ziekte is recessief. Welke ouderparen kunnen een ziek kind krijgen?

a)

Beide ouders drager, geen symptomen

b)

Eén ouder drager, ander homozygoot dominant

c)

Beide ouders homozygoot dominant

d)

Geen ouder drager, allelen onbekend

21.

Wat onderzoekt genetica in de biologie het meest direct?

a)

Hoe eigenschappen tussen generaties worden doorgegeven

b)

Waarom sterren fuseren tot zwaardere elementen

c)

Hoe oceanen warmte transporteren in seizoenen

d)

Welke recepten eiwitten het lekkerst laten smaken

22.

Welke term beschrijft erfelijke informatie die eigenschappen aanstuurt?

a)

Mineralen in botweefsel

b)

Genen in DNA-moleculen

c)

Zouten in celvocht

d)

Vetten in celmembranen

23.

Wat is een voorbeeld van een overerfbare eigenschap bij mensen?

a)

Schoenmaat door strakke schoenen

b)

Taal die je op school leert

c)

Littekens na een valpartij

d)

Oogkleur zoals bruin of blauw

24.

Welke uitspraak past het best bij het begrip 'erfenispatroon'?

a)

De volgorde waarin organen zich ontwikkelen

b)

De manier waarop allelen eigenschappen beïnvloeden

c)

De snelheid waarmee cellen energie verbruiken

d)

De methode waarmee voedingsstoffen worden opgenomen

25.

Waarom is het bestuderen van genetica belangrijk in de geneeskunde?

a)

Het verandert getijden in oceanen

b)

Het verbetert kooktechnieken voor eiwitten

c)

Het voorspelt aardbevingen nauwkeuriger

d)

Het helpt erfelijke ziekten te begrijpen

26.

Welke bewering is juist over eigenschappen en omgeving?

a)

Eigenschappen ontstaan alleen uit schoolonderwijs

b)

Eigenschappen veranderen nooit na de geboorte

c)

Eigenschappen worden uitsluitend door voeding bepaald

d)

Eigenschappen kunnen door genen en omgeving beïnvloed worden

27.

Stel: in een familie komt vaak krullend haar voor. Welke verklaring past het best?

a)

Krullen ontstaan puur door toeval elke generatie

b)

Een erfelijke variant komt regelmatig voor

c)

Er is een tijdelijke seizoensinvloed aanwezig

d)

Alle familieleden gebruiken dezelfde shampoo

28.

Wat is de kleinste eenheid van erfelijkheid die een eigenschap kan beïnvloeden?

a)

Een orgaan als geheel

b)

Een gen als DNA-segment

c)

Een spier als weefsel

d)

Een bloedcel per druppel

29.

Welke situatie laat het verschil zien tussen aangeboren en aangeleerd?

a)

Slaapritme versus nachtdienst

b)

Hoogtezon versus schaduwplek

c)

Regenkans versus paraplugebruik

d)

Oogkleur versus leren fietsen

30.

Je wilt onderzoeken of planthoogte vooral genetisch of door watergift wordt bepaald. Wat is de beste aanpak?

a)

Twee rassen vergelijken met gelijke watergift

b)

Willekeurig water geven aan alle planten

c)

Eén plant bekijken zonder notities te maken

d)

Hoogte gokken zonder metingen te doen

31.

Wat zijn genen volgens de uitleg in de afbeelding?

a)

Gehele chromosomen die alle erfelijke informatie bevatten

b)

Segmenten van DNA die instructies bevatten voor eiwitten

c)

Structuren die uitsluitend bepalen welke haarkleur iemand krijgt

d)

Recepten in een kookboek zonder echte biologische functie

32.

Waar bevinden genen zich meestal in een cel?

a)

Op ribosomen rond het membraan

b)

Op chromosomen in de celkern

c)

Los zwevend in het cytoplasma

d)

In de vacuole naast het water

33.

Welke uitspraak beschrijft het best een chromosoom?

a)

Een enkel eiwit dat een gen maakt

b)

Een opgerolde structuur van DNA met veel genen

c)

Een mitochondrion dat energie maakt

d)

Een los DNA-fragment zonder genen

34.

Wat is de relatie tussen gen en eiwit het meest correct?

a)

Een gen is een eiwit dat DNA bouwt

b)

Een eiwit bepaalt welke genen bestaan in DNA

c)

Eiwitten zijn chromosomen die genen dragen

d)

Een gen bevat de code om een eiwit te maken

35.

Een leerling zegt: "Genen bepalen slechts één kenmerk, zoals haarkleur." Wat is de beste reactie?

a)

Genen kunnen meerdere kenmerken beïnvloeden in samenhang

b)

Genen bepalen alleen zichtbare kenmerken zoals lengte

c)

Één gen bepaalt altijd precies één trait

d)

Genen werken los van elkaar zonder interactie

36.

Welke combinatie past het best: DNA : genen :: boek : ?

a)

De kaft zonder tekst

b)

De hele bibliotheek

c)

De bladwijzers van lezers

d)

Hoofdstukken met instructies

37.

Waarom is het onjuist om genen te beschrijven als "gehele chromosomen"?

a)

Genen zijn RNA-ketens zonder codering

b)

Genen zijn volledig eiwitstructuren buiten DNA

c)

Genen zijn kleinere DNA-segmenten binnen chromosomen

d)

Genen zijn organellen die cellen voeden

38.

Kies de juiste volgorde van schaal van klein naar groot.

a)

Nucleotide → gen → chromosoom

b)

Gen → chromosoom → nucleotide

c)

Eiwit → nucleotide → chromosoom

d)

Chromosoom → gen → nucleotide

39.

Welke stelling helpt het best verklaren waarom mutaties een effect kunnen hebben?

a)

Verandering in vacuole vergroot aantal chromosomen

b)

Verandering in cytoplasma verwijdert alle genen

c)

Verandering in een chromosoom maakt cellen onzichtbaar

d)

Verandering in een gen kan het eiwit veranderen

40.

Een diagram toont een chromosoom met meerdere gearceerde stukjes. Wat stelt elk gearceerd stukje waarschijnlijk voor?

a)

Een gen met specifieke instructies

b)

Een ribosoom dat eiwitten bouwt

c)

Een vacuole met opgeslagen water

d)

Een membraan met kanalen

41.

Wat is de beste beschrijving van een gen?

a)

Hele chromosomen die alle informatie samen dragen

b)

Segmenten van DNA die instructies geven voor eiwitten

c)

Losse eiwitten die cellen aan en uit zetten

d)

Moleculen van RNA die energie opslaan

42.

Waar bevinden genen zich in een cel?

a)

Op ribosomen naast het endoplasmatisch reticulum

b)

In mitochondriën buiten de kern

c)

Op chromosomen in de celkern

d)

Los in het cytoplasma zonder drager

43.

Welke bewering over chromosomen is juist?

a)

Chromosomen maken direct alle eiwitten van de cel

b)

Chromosomen zijn membranen die de kern omhullen

c)

Chromosomen zijn losse eiwitten met erfelijke code

d)

Chromosomen bestaan uit DNA en dragen vele genen

44.

Welke vergelijking past het best bij genen en eiwitten?

a)

Genen zijn batterijen, eiwitten zijn opladers

b)

Genen zijn borden, eiwitten zijn vorken

c)

Genen zijn vlammen, eiwitten zijn lucifers

d)

Genen zijn recepten, eiwitten zijn gerechten

45.

Wat gebeurt meestal als een gen muteert?

a)

De cel verliest direct alle chromosomen

b)

Het DNA wordt volledig tot RNA afgebroken

c)

De eiwitbouwinstructie verandert mogelijk

d)

De kern verdwijnt uit de cel geheel

46.

Welke eigenschap is het meest waarschijnlijk polygeen?

a)

Witbloemkleur met dominant allel

b)

Tongrollen als enkelvoudige eigenschap

c)

Bloedgroep bepaald door één gen

d)

Lengte bij mensen over vele genen

47.

Een kind erft een allel A van de moeder en een allel a van de vader. Welke term past bij Aa?

a)

Heterozygoot genotype voor die eigenschap

b)

Fenotype dat losstaat van genen

c)

Homozygoot recessief zonder variatie

d)

Homozygoot dominant genotype altijd

48.

Als A dominant is over a, welk fenotype verwacht je bij Aa?

a)

Het dominante kenmerk wordt zichtbaar

b)

Het recessieve kenmerk wordt zichtbaar

c)

Er is geen zichtbaar kenmerk aanwezig

d)

Beide kenmerken zijn volledig zichtbaar

49.

Welke combinatie beschrijft het best het verschil tussen genotype en fenotype?

a)

Genotype is eiwitvorm; fenotype is chromosoomsoort

b)

Genotype is genetische code; fenotype is zichtbaar kenmerk

c)

Genotype is uiterlijk; fenotype is DNA-volgorde

d)

Genotype is celdeling; fenotype is erfelijke kopie

50.

Twee ouders zijn beide heterozygoot (Aa). Gebruik een Punnett-vierkant in gedachten. Welke kans heeft een kind op aa?

a)

Vier op vier, ofwel 100 procent

b)

Drie op vier, ofwel 75 procent

c)

Twee op vier, ofwel 50 procent

d)

Eén op vier, ofwel 25 procent

51.

Waarom is de volgorde van genen op chromosomen belangrijk voor een organisme?

a)

Ze bepaalt de zichtbare kleur van chromosomen

b)

Ze laat chromosomen zichzelf verdubbelen

c)

Ze is alleen relevant bij planten, niet mensen

d)

Ze helpt genen correct te functioneren

52.

Wat is de beste beschrijving van een gen?

a)

Een suikermolecuul dat energie opslaat

b)

Een stuk DNA met informatie voor een eigenschap

c)

Een volledig chromosoom met vele eiwitten

d)

Een celorganel dat energie produceert

53.

Welke uitspraak over chromosomen is juist?

a)

Chromosomen zijn identiek aan genen

b)

Chromosomen bestaan uit DNA en eiwitten

c)

Chromosomen zijn losse suikerringen

d)

Chromosomen vormen alleen in plantencellen

54.

Wat gebeurt er meestal met de genen van ouders tijdens bevruchting?

a)

Ze blijven gescheiden zonder te mengen

b)

Ze veranderen alle eigenschappen tegelijk

c)

Ze combineren tot nieuwe genvariaties

d)

Ze verdwijnen na celdeling volledig

55.

Welke term beschrijft verschillende versies van hetzelfde gen?

a)

Allelen van een bepaald gen

b)

Chromatiden van een chromosoom

c)

Ribosomen in het cytoplasma

d)

Enzymen voor DNA-reparatie

56.

Een kind erft één allel van elke ouder. Welke combinatie leidt vaak tot een recessieve eigenschap?

a)

Twee recessieve allelen samen

b)

Eén dominant en één recessief

c)

Geen van beide allelen aanwezig

d)

Twee dominante allelen samen

57.

Waarom zorgt de volgorde van genen op een chromosoom voor betrouwbare overdracht van eigenschappen?

a)

Volgorde maakt replicatie onmogelijk

b)

Chromosomen veranderen voortdurend van kleur

c)

Cellen lezen instructies in vaste volgorde

d)

Eigenschappen ontstaan willekeurig zonder volgorde

58.

Welke bewering over DNA-replicatie is passend voor erfelijkheid?

a)

DNA wordt gekopieerd vóór celdeling

b)

DNA kopieert zich niet in geslachtscellen

c)

DNA wordt alleen aangemaakt na geboorte

d)

DNA wordt vervangen door eiwitten

59.

Welke casus past het best bij een dominant allel?

a)

Twee recessieve allelen bepalen alles

b)

Eén dominant allel bepaalt het uiterlijk

c)

Dominantie komt alleen bij planten voor

d)

Dominantie betekent afwezig DNA-instructies

60.

Twee ouders dragen beide een recessief allel voor een eigenschap maar tonen het niet. Welke uitkomst is aannemelijk voor hun kind?

a)

Het kind kan de eigenschap toch vertonen

b)

Het kind toont nooit de eigenschap

c)

Alle kinderen tonen altijd de eigenschap

d)

Eigenschap verschijnt alleen bij dochters

61.

Wat is de beste beschrijving van een gen?

a)

Een stukje DNA dat informatie bevat

b)

Een volledige cel met organellen binnenin

c)

Een eiwit dat energie maakt voor cellen

d)

Een suiker die DNA van voeding bouwt

62.

Wat is de functie van chromosomen in een cel?

a)

Ze maken nieuwe cellen zonder deling

b)

Ze veranderen DNA in glucosemoleculen

c)

Ze organiseren DNA tot draagbare structuren

d)

Ze kleuren de celkern in verschillende tinten

63.

Waarom is de volgorde van genen op chromosomen cruciaal? (zie afbeelding)

a)

De volgorde is alleen belangrijk voor planten, niet voor mensen

b)

De volgorde bepaalt de kleur van de chromosomen

c)

De volgorde is essentieel voor de juiste functie van genen

d)

Zonder volgorde kunnen chromosomen zich vermenigvuldigen

64.

Wat is het beste voorbeeld van een allel?

a)

Een membraan dat de cel afsluit

b)

Een suikergroep in de celwand

c)

Een eiwit dat zuurstof transporteert

d)

Een variant van een gen voor oogkleur

65.

Welke combinatie beschrijft genotype en fenotype het duidelijkst?

a)

Genotype is DNA, fenotype is waarneembare eigenschap

b)

Genotype is uiterlijk, fenotype is DNA-volgorde

c)

Genotype en fenotype betekenen precies hetzelfde

d)

Fenotype is onzichtbaar en niet meetbaar altijd

66.

Wat gebeurt er meestal tijdens meiose met allelen?

a)

Allelen verdwijnen en verschijnen willekeurig weer

b)

Allelen worden identiek door kopieerstop altijd

c)

Allelen fuseren zodat cellen dubbel allel krijgen

d)

Allelen scheiden zodat gameten één allel krijgen

67.

Een kind heeft twee verschillende allelen voor een eigenschap. Hoe heet dit?

a)

Recessief genotype volledig

b)

Heterozygoot voor die eigenschap

c)

Homozygoot voor die eigenschap

d)

Dominant fenotype altijd

68.

Welke uitspraak over dominante en recessieve allelen klopt het meest?

a)

Een recessief allel maskert altijd elk dominant allel

b)

Recessieve allelen komen nooit bij mensen voor

c)

Een dominant allel bepaalt het fenotype bij één kopie

d)

Dominantie betekent dat het allel sterker groeit

69.

Twee ouders zijn beide heterozygoot voor kuiltjes (D = dominant, d = recessief). Welke uitkomst is het meest waarschijnlijk voor hun kind?

a)

Kans 25% kuiltjes, 75% geen kuiltjes

b)

Kans 100% kuiltjes, 0% geen kuiltjes

c)

Kans 75% kuiltjes, 25% geen kuiltjes

d)

Kans 50% kuiltjes, 50% geen kuiltjes

70.

Waarom leidt mutatie in een gen soms tot een veranderd fenotype?

a)

Allelen worden automatisch dominant na mutatie

b)

De DNA-volgorde verandert en eiwitten werken anders

c)

De cel wordt groter en verspreidt extra water

d)

Chromosomen wisselen altijd nummers in het lichaam

71.

Hoeveel chromosomen heeft een menselijke lichaamscel in totaal?

a)

Twaalfentwintig paren, dus 24

b)

Drieëntwintig paren, dus 46

c)

Zesentwintig paren, dus 52

d)

Ongeveer vijftig in totaal

72.

Wat is het beste omschreven als een stukje DNA dat codeert voor een eigenschap?

a)

Een suiker in het DNA

b)

Een ribosoom in cytoplasma

c)

Een gen op een chromosoom

d)

Een celwand met informatie

73.

Hoeveel chromosomen bevat een menselijke eicel of zaadcel normaal gesproken?

a)

Vijftig per cel

b)

Zesenveertig per cel

c)

Twaalf per cel

d)

Drieëntwintig per cel

74.

Wat betekent het als een organisme diploïd is?

a)

Het heeft variabele sets chromosomen

b)

Het heeft drie sets chromosomen

c)

Het heeft twee sets chromosomen

d)

Het heeft één set chromosomen

75.

Welke combinatie beschrijft het beste het verschil tussen genotype en fenotype?

a)

Beiden zijn DNA, geen uiterlijk

b)

Genotype is uiterlijk, fenotype is DNA

c)

Genotype is DNA, fenotype is uiterlijk

d)

Beiden zijn uiterlijk, geen DNA

76.

Een kind erft het X- en Y-chromosoom van welke ouders om een jongen te worden?

a)

Y van beide ouders

b)

X van beide ouders

c)

X van moeder, Y van vader

d)

Y van moeder, X van vader

77.

Waarom hebben broers en zussen vaak gelijkenissen maar zijn ze niet identiek?

a)

Genen veranderen na de geboorte

b)

Ze krijgen willekeurige combinaties van genen

c)

Ze hebben exact hetzelfde DNA

d)

Ze krijgen alleen genen van moeder

78.

Welke uitspraak over allelen is juist?

a)

Allelen zijn verschillende vormen van een gen

b)

Allelen zijn extra chromosomen in cellen

c)

Allelen zijn eiwitten in ribosomen

d)

Allelen zijn suikers in nucleotiden

79.

Een dominant allel voor bruine ogen (B) en een recessief allel voor blauwe ogen (b) komen samen in Bb. Welke oogkleur is het meest waarschijnlijk?

a)

Groene ogen bij de persoon

b)

Bruine ogen bij de persoon

c)

Blauwe ogen bij de persoon

d)

Geen invloed op oogkleur

80.

Een Punnett-square laat de kruising Bb × Bb zien. Welke verhouding van fenotypes verwacht je voor oogkleur als B dominant is?

a)

Vier op vier bruine ogen

b)

Drie op vier bruine ogen

c)

Eén op vier bruine ogen

d)

Twee op vier bruine ogen

81.

Hoeveel chromosomen heeft een mens in totaal in lichaamscellen?

a)

Zesenveertig chromosomen per cel

b)

Zesendertig chromosomen per cel

c)

Tweeëntwintig chromosomen per cel

d)

Drieënveertig chromosomen per cel

82.

Hoeveel chromosomen zitten er in een menselijke geslachtscel (gamete)?

a)

Vijftig chromosomen aanwezig

b)

Zesenveertig chromosomen aanwezig

c)

Drieëntwintig chromosomen aanwezig

d)

Twaalf chromosomen aanwezig

83.

Wat is de beste beschrijving van een gen?

a)

Een complete chromosoom van DNA

b)

Een stuk DNA met informatie

c)

Een eiwit dat cellen bouwt

d)

Een celtype in het lichaam

84.

Wat is de relatie tussen DNA, genen en chromosomen?

a)

Genen maken DNA uit chromosomen

b)

Chromosomen zijn genen zonder DNA

c)

DNA bevat genen op chromosomen

d)

DNA en genen vormen losse cellen

85.

Welke uitspraak over allelen is juist?

a)

Allelen zijn types van eiwitten

b)

Allelen zijn delen van ribosomen

c)

Allelen zijn varianten van een gen

d)

Allelen zijn identieke chromosomen

86.

Een kind erft één allel voor een eigenschap van elke ouder. Welke combinatie leidt vaak tot een recessieve eigenschap?

a)

Twee identieke recessieve

b)

Twee verschillende dominante

c)

Twee identieke dominante

d)

Eén dominant en één recessief

87.

Waarom hebben broers en zussen vaak gelijke maar niet identieke kenmerken?

a)

Zij krijgen willekeurige allelenmix

b)

Zij krijgen alleen moederlijke genen

c)

Zij krijgen geen genen van ouders

d)

Zij krijgen exact dezelfde genen

88.

Welke uitspraak past het best bij het begrip ‘karyotype’?

a)

Een lijst met alle genen

b)

Een foto van alle chromosomen

c)

Een schema van alle cellen

d)

Een model van alle eiwitten

89.

Bij welke celdeling halveert het aantal chromosomen, waardoor geslachtscellen ontstaan?

a)

Mitose in lichaamscellen

b)

Meiose in voortplanting

c)

Budding in bacteriën

d)

Splitsing in mitochondria

90.

Welke bewering over dominante allelen is correct?

a)

Dominant verdwijnt naast recessief

b)

Dominant zit alleen op X‑chromosoom

c)

Dominant bepaalt fenotype vaak

d)

Dominant is altijd schadelijk

91.

Wat betekent ‘overerving’ in de biologie?

a)

Het proces van de ontwikkeling van chromosomen

b)

De manier waarop eiwitten worden afgebroken

c)

Het proces waarbij planten groeien

d)

Het overdragen van eigenschappen van ouders op kinderen

92.

Welke bewering beschrijft het beste een eigenschap die via genen wordt doorgegeven?

a)

De lengte van een dag in de seizoenen

b)

De kleur van ogen in een familie

c)

De hoeveelheid water in een rivier

d)

De snelheid van internetverbindingen

93.

Wat is de waarschijnlijkste reden dat broers en zussen op elkaar lijken maar niet identiek zijn?

a)

Ze hebben exact dezelfde chromosomen

b)

Ze ontwikkelen genen na de geboorte

c)

Ze krijgen genen van beide ouders

d)

Ze erven alleen genen van de moeder

94.

Welke uitspraak past het beste bij het begrip ‘eigenschap’?

a)

Een aangeleerd schoolrooster

b)

Een tijdelijk humeur na sporten

c)

Een geobserveerde kenmerk zoals haarkleur

d)

Een willekeurige gewoonte zoals lopen

95.

Kies het voorbeeld dat het duidelijkst door erfelijkheid wordt beïnvloed.

a)

Favoriete muziekstijl van een leerling

b)

Tijd die nodig is voor huiswerk

c)

Keuze van sport door vrienden

d)

Haarkleur van een kind in de klas

96.

Welk begrip hoort direct bij de overdracht van eigenschappen van ouders op kinderen?

a)

Verdamping van water uit meren

b)

Verbranding van voedsel in ovens

c)

Overerving via genetisch materiaal

d)

Evolutie van planeten in banen

97.

Waarom is ‘de ontwikkeling van chromosomen’ geen juiste definitie van overerving?

a)

Het verwijst naar plantengroei in seizoenen

b)

Het zegt niets over overdracht tussen generaties

c)

Het gaat over eiwitafbraakprocessen

d)

Het beschrijft alleen het organisme

98.

Welke optie is een misvatting over overerving?

a)

Eigenschappen kunnen variëren bij kinderen

b)

Eigenschappen komen van beide ouders

c)

Erfelijkheid gebruikt genetisch materiaal

d)

Alle eigenschappen komen uitsluitend van vader

99.

Je ziet in een stamboom dat meerdere familieleden blauwe ogen hebben. Welke verklaring past het beste?

a)

Blauwe ogen worden altijd dominant geërfd

b)

Blauwe ogen ontstaan door dieet in de jeugd

c)

Blauwe ogen kunnen via genen in families voorkomen

d)

Blauwe ogen komen door oefening van de spieren

100.

Welk scenario laat het duidelijkst het principe van overerving zien?

a)

Een fiets rijdt harder na olie op de ketting

b)

Een plant groeit hoger door extra water

c)

Een kind heeft krullen zoals één van de ouders

d)

Een leerling leert sneller na veel oefenen

101.

Wat betekent ‘overerving’ in de biologie?

a)

Het doorgeven van eigenschappen van ouders aan kinderen

b)

Het vormen van nieuwe chromosomen in cellen

c)

Het afbreken van eiwitten in het lichaam

d)

Het proces waardoor planten hoger groeien

102.

Welke uitspraak beschrijft het beste een eigenschap die wordt overgeërfd?

a)

De kleur verf op een slaapkamerdeur

b)

De oogkleur die lijkt op die van een ouder

c)

Een litteken dat je opliep tijdens sport

d)

Een nieuw kapsel dat je net hebt geknipt

103.

Wat is het verschil tussen een erfelijke eigenschap en een aangeleerde vaardigheid?

a)

Aangeleerd wordt bepaald door chromosomen alleen

b)

Aangeleerd is altijd hetzelfde bij alle mensen

c)

Erfelijk is meegekregen via genen bij geboorte

d)

Erfelijk is aangeleerd door oefenen elke dag

104.

Welke optie past het best bij het begrip ‘genen’?

a)

Grote celorganellen die voedsel verteren

b)

Stukken huid die je tegen kou beschermen

c)

Instructies in DNA die eigenschappen sturen

d)

Druppels in bloed die zuurstof vervoeren

105.

Als een kind dezelfde kuiltjes in de wangen heeft als een ouder, welke verklaring past hierbij?

a)

Kuiltjes verschijnen door identiek dieet

b)

Kuiltjes worden overgeërfd via de genen

c)

Kuiltjes ontstaan door dezelfde schooltraining

d)

Kuiltjes komen door gelijke klerenstijl

106.

Welke stelling is WAAR over chromosomen in het kader van overerving?

a)

Chromosomen maken planten groter in de lente

b)

Chromosomen verwijderen littekens uit weefsels

c)

Chromosomen verteren eiwitten tot kleinere deeltjes

d)

Chromosomen dragen DNA met genetische informatie

107.

Kies het voorbeeld dat het minst waarschijnlijk erfelijk is.

a)

Sproeten op de neus in de zomer

b)

Natuurlijke haarlijn zoals je moeder

c)

Stemhoogte die lijkt op een ouder

d)

Fietsvaardigheid na veel oefenen

108.

Twee ouders hebben beide bruine ogen. Hun kind krijgt blauwe ogen. Wat laat dit vooral zien?

a)

Overerving kan nieuwe combinaties voortbrengen

b)

Oogkleur verandert door dagelijkse training

c)

Chromosomen ontbreken in kinderen met blauw

d)

Eigenschappen komen altijd identiek terug

109.

Waarom is ‘eiwitten afbreken’ geen goede definitie van overerving?

a)

Omdat overerving gaat over het delen van energie

b)

Omdat overerving verwijst naar plantenfotosynthese

c)

Omdat overerving draait om chromosomen delen

d)

Omdat overerving gaat over doorgeven van eigenschappen

110.

Welke vraag zou je stellen om te onderzoeken of een kenmerk erfelijk is binnen een familie?

a)

Verandert het kenmerk elke week met het weer

b)

Trainen familieleden samen in dezelfde sport

c)

Komt het kenmerk voor bij meerdere verwanten

d)

Eet iedereen hetzelfde ontbijt elke dag

111.

Wat wordt bedoeld met de term ‘allelen’ in genetica?

a)

De specifieke eiwitten die door genen worden gemaakt

b)

De verschillende vormen waarin een gen kan voorkomen

c)

De instructies voor het maken van een specifiek recept

d)

De structuren die alleen in de moedercel voorkomen

112.

Welke uitspraak beschrijft het best een gen?

a)

Een losse eiwitketen zonder functie in cellen

b)

Een DNA-sectie met informatie voor een eigenschap

c)

Een suiker die energie levert aan alle cellen

d)

Een type celmembraan dat stoffen transporteert

113.

Wat is het verschil tussen genotype en fenotype?

a)

Genotype verandert met omgeving; fenotype blijft altijd gelijk

b)

Genotype bepaalt alleen bloedgroep; fenotype bepaalt alleen geslacht

c)

Genotype is uiterlijk; fenotype is alleen DNA-volgorde

d)

Genotype is genetische informatie; fenotype is waarneembare eigenschappen

114.

Bij dominantie bepaalt één allel de eigenschap wanneer beide aanwezig zijn. Hoe heet het andere allel in zo’n paar?

a)

Recessief allel in het allelenpaar

b)

Mutant allel zonder erfelijkheid

c)

Co-dominant allel met gelijke invloed

d)

Heterozygoot allel dat overheerst

115.

Twee heterozygote ouders voor een dominante eigenschap (A) krijgen een kind. Welke kans heeft het kind op het recessieve fenotype?

a)

Ongeveer één op de vier kans

b)

Ongeveer twee op de vier kans

c)

Ongeveer drie op de vier kans

d)

Ongeveer geen enkele kans

116.

Welke bewering past bij een homozygoot genotype?

a)

Eén allel zonder partner op het chromosoom

b)

Twee identieke chromosomen zonder genen

c)

Twee verschillende eiwitten voor een celtype

d)

Twee identieke allelen voor hetzelfde gen

117.

Waarom kunnen broers en zussen van dezelfde ouders toch verschillende fenotypes hebben?

a)

Ze erven altijd exact dezelfde mutaties

b)

Ze hebben identieke kopieën van elk chromosoom

c)

Ze krijgen willekeurige combinaties van allelen

d)

Ze delen nooit omgevingsinvloeden of voeding

118.

Welke combinatie beschrijft co-dominantie het best?

a)

Een dominant allel onderdrukt elk ander allel volledig

b)

Een recessief allel wordt nooit waargenomen in cellen

c)

Beide allelen komen volledig tot uiting in het fenotype

d)

Het fenotype verschijnt alleen zonder omgevingsinvloeden

119.

Een eigenschap wordt beïnvloed door meerdere genen en omgeving. Welk begrip hoort hierbij?

a)

Strikte overerving zonder variatiebron

b)

Complexe overerving met multifactoriële invloed

c)

Chromosoomkoppeling zonder recombinatie

d)

Eenvoudige overerving met één enkel gen

120.

Wat geeft een Punnett-vierkant weer in genetica?

a)

Een stamboom met voorouders en nakomelingen

b)

Mogelijke allelencombinaties van nakomelingen

c)

De exacte fenotypes van alle kinderen

d)

De DNA-sequentie van het dominante allel

121.

Wat wordt bedoeld met de term ‘allelen’ in genetica?

a)

De instructies voor het maken van een specifiek kookgerecht

b)

De structuren die alleen in de moedercel voorkomen

c)

De specifieke eiwitten die genen aanmaken

d)

De verschillende vormen waarin genen kunnen voorkomen

122.

Wat is een gen in het DNA van een organisme?

a)

Een stuk DNA dat informatie voor een eigenschap bevat

b)

Een complete chromosoomset van beide ouders

c)

Een type cel dat alleen in organen voorkomt

d)

Een eiwit dat kenmerken van cellen verandert

123.

Welke uitspraak beschrijft het verschil tussen genotype en fenotype het best?

a)

Genotype is de genetische code, fenotype is het waarneembare

b)

Genotype is wat je ziet, fenotype is de celdeling

c)

Genotype ontstaat uit omgeving, fenotype uit chromosomen

d)

Genotype is een eiwit, fenotype is een enzym

124.

Twee allelen voor een eigenschap zijn ‘homozygoot’ wanneer…

a)

Beide allelen hetzelfde zijn in een individu

b)

Een allel ontbreekt in elke lichaamscel

c)

De allelen van verschillende chromosomen komen

d)

De allelen altijd dominant tot uiting komen

125.

Dominante allelen…

a)

Verschijnen alleen wanneer beide recessief zijn

b)

Bepalen het fenotype wanneer minstens één aanwezig is

c)

Komen altijd vaker voor dan recessieve allelen

d)

Zorgen dat genotype en fenotype identiek zijn

126.

Welke combinatie kan leiden tot een recessieve eigenschap in het fenotype?

a)

Twee recessieve allelen samen aanwezig

b)

Eén dominant en één recessief allel

c)

Twee dominante allelen samen aanwezig

d)

Geen allelen voor die eigenschap aanwezig

127.

Een Punnett-vierkant wordt gebruikt om…

a)

Chromosomen te tekenen voor microscopie

b)

Kans op overerving van eigenschappen te voorspellen

c)

Lengte van DNA-strengen te meten in cellen

d)

Eiwitstructuren te bepalen bij mutaties

128.

Een ouder is homozygoot dominant (AA) en de andere homozygoot recessief (aa). Wat is het verwachte genotype van alle nakomelingen?

a)

Alle nakomelingen zijn heterozygoot Aa

b)

Een kwart AA, helft Aa, een kwart aa

c)

De helft is AA en de helft is aa

d)

Alle nakomelingen zijn homozygoot aa

129.

Bij een kruising van twee heterozygote ouders (Aa x Aa), wat is de kans op een recessief fenotype?

a)

Ongeveer één op vier nakomelingen

b)

Ongeveer twee op drie nakomelingen

c)

Ongeveer één op twee nakomelingen

d)

Ongeveer drie op vier nakomelingen

130.

Stel dat bruin oogkleur (B) dominant is over blauw (b). Welke uitspraak past het best bij een kind met blauwe ogen?

a)

Het kind is homozygoot recessief bb

b)

Het kind heeft geen allelen voor oogkleur

c)

Het kind is homozygoot dominant BB

d)

Het kind is heterozygoot Bb

131.

Een recessief allel komt tot uiting wanneer…

a)

er een dominant allel aanwezig blijft

b)

er geen dominant allel aanwezig is

c)

het gen op het moederlijk chromosoom zit

d)

het samenkomt met een dominant allel

132.

Wat betekent het begrip ‘dominant’ bij allelen?

a)

Het allel maskeert het recessieve allel

b)

Het allel komt alleen zonder partner tot uiting

c)

Het allel zit altijd op het X‑chromosoom

d)

Het allel verandert altijd het genotype

133.

Welke genotypecombinatie laat een recessieve eigenschap zien?

a)

A A of Aa

b)

AA

c)

Aa

d)

aa

134.

Een kind heeft het recessieve kenmerk. Welke uitspraak past hierbij het best?

a)

Het kind kreeg één dominant allel

b)

Het kenmerk is altijd X‑gebonden

c)

Minstens één ouder is homozygoot dominant

d)

Het kind heeft twee recessieve allelen

135.

Waarom verdwijnt een recessief kenmerk bij Aa meestal uit het fenotype?

a)

Het recessieve allel wordt niet geërfd

b)

Het dominante allel verandert het DNA altijd

c)

Het recessieve allel bestaat niet in cellen

d)

Het dominante allel maskeert de uitwerking

136.

Welke combinatie is heterozygoot voor een eigenschap?

a)

Aa

b)

aa

c)

AA

d)

AA of aa

137.

Kies de juiste koppeling tussen term en betekenis:

a)

Allel: hele set chromosomen in cel

b)

Chromosoom: variant van een eigenschap

c)

Genotype: alle waarneembare eigenschappen

d)

Fenotype: uiterlijk waarneembare kenmerken

138.

Twee ouders zijn dragers (Aa). Wat is de kans op een kind met het recessieve fenotype?

a)

75%

b)

50%

c)

0%

d)

25%

139.

Welke stelling over allelen is juist?

a)

Allelen zijn varianten van hetzelfde gen

b)

Allelen zijn verschillende genen op verschillende loci

c)

Allelen zijn altijd dominant in paren

d)

Allelen bepalen alleen bloedgroepen

140.

Een eigenschap is dominant. Welke fenotypen kunnen daarbij voorkomen?

a)

Alleen AA toont het dominante kenmerk

b)

Aa toont geen enkel kenmerk

c)

Alleen aa toont het dominante kenmerk

d)

AA en Aa tonen het dominante kenmerk

141.

Een recessief allel komt alleen tot uiting wanneer…

a)

het gen zich op een chromosoom van de moeder bevindt.

b)

het samenkomt met een ander dominant allel.

c)

er een dominant allel aanwezig is.

d)

er geen dominant allel aanwezig is.

142.

Wat betekent ‘dominant allel’ het best in eenvoudige woorden?

a)

Een allel dat een recessief allel maskeert.

b)

Een allel dat alleen zonder partner werkt.

c)

Een allel dat altijd zeldzaam voorkomt.

d)

Een allel dat alleen bij zonlicht actief is.

143.

Welke genotypecombinatie laat een recessieve eigenschap verschijnen?

a)

drie allelen samen (AAA).

b)

één dominant en één recessief (Aa).

c)

twee recessieve allelen (aa).

d)

twee dominante allelen (AA).

144.

Een kind erft één allel van elke ouder. Welke uitspraak klopt?

a)

Genotype bestaat uit twee allelen.

b)

Fenotype bepaalt de ouderkeuze.

c)

Chromosomen dragen geen allelen.

d)

Allelen komen alleen van de moeder.

145.

Kies het voorbeeld dat een fenotype beschrijft.

a)

Twee verschillende allelen.

b)

Bruine oogkleur zichtbaar.

c)

Een kruisingstabel invullen.

d)

Genen op chromosoom 7.

146.

Welke bewering over homozygoot en heterozygoot is juist?

a)

Homozygoot betekent twee chromosomen minder.

b)

Heterozygoot betekent alle genen identiek.

c)

Heterozygoot is twee gelijke allelen.

d)

Homozygoot is twee gelijke allelen.

147.

Waarom verdwijnt een recessieve eigenschap vaak in één generatie maar kan later terugkeren?

a)

Omdat dominante allelen zeldzaam worden.

b)

Omdat heterozygoten het allel verbergen.

c)

Omdat recessieve allelen vanzelf muteren.

d)

Omdat het allel door voeding verdwijnt.

148.

In een kruising Aa × Aa, wat is de kans op een aa-nakomeling?

a)

100 procent kans op aa.

b)

75 procent kans op aa.

c)

50 procent kans op aa.

d)

25 procent kans op aa.

149.

Welke term past bij ‘zichtbare eigenschap door genen bepaald’?

a)

Chromotype van een organisme.

b)

Fenotype van een organisme.

c)

Genotype van een organisme.

d)

Karyotype van een organisme.

150.

Wat gebeurt er als een dominant en een recessief allel samen aanwezig zijn (Aa)?

a)

De dominante eigenschap wordt zichtbaar.

b)

Geen eigenschap komt tot uiting.

c)

Beide eigenschappen mengen altijd.

d)

De recessieve eigenschap wordt sterker.