wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

8.1 t/m 8.4 havo 4

Total questions: 20

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

In welk land begon de industriële revolutie?

a)

In België

b)

In Duitsland

c)

In de Verenigde Staten

d)

In Groot-Brittannië

2.

In Engeland waren rijke ​ ​ (a)   die winst wilde maken en geld staken in ​ (b)   (zoals de Spinning Jenny)

Choose from the below words
ondernemers
machines
fabrieken
arbeiders
steenkool
revolutie
3.

Selecteer welk antwoord geen gevolg is van de industriële revolutie

a)

Er kwamen veel uitvindingen zoals de gloeilamp

b)

Er werden nieuwe gebieden veroverd op zoek naar nieuwe grondstoffen

c)

Er gingen meer mensen in de landbouw werken.

d)

Er volgde extreme bevolkingsgroei

4.

Het ​ (a)   is een stroming waar vrijheid centraal staat. In het socialisme staat ​ (b)   centraal, en wordt gestreden voor de positie van de ​ (c)   . Het ​ (d)   wil juist zo veel mogelijk hetzelfde houden.

Choose from the below words
liberalisme
gelijkheid
arbeider
conservatisme
socialisme
nationalisme
feminisme
vrijheid
fabriekseigenaar
5.

Met het Congres van Wenen probeerde de grote mogendheden na de overwinning op Napoleon de oude orde te herstellen.

a)

Juist

b)

Onjuist

6.

Match the following

a)

1.

Socialisme

b)

2.

Confessionalisme

c)

3.

Liberalisme

d)

4.

Conservatisme

e)

5.

Feminisme

7.

Bij welke ideologie past deze uitspraak over de Sociale Kwestie:

"Arbeiders moeten zich verenigen in vakbonden, zodat zij sterker staan in hun terechte eis voor betere lonen"

a)

liberalisme

b)

conservatisme

c)

socialisme

d)

confessionalisme

8.

Welke ideologie past het beste bij deze bron?

a)

Liberalisme

b)

Katholicisme

c)

Conservatisme

d)

Confessionalisme

9.

Welke stroming past bij de volgende uitspraak?

De overheid moet zowel christelijke als openbare scholen financieren.

(a)  

10.

Wat was het gevolg van de scholenstrijd?

a)

De overheid betaalde alleen nog voor openbare scholen.

b)

Er kwam algemeen mannen kiesrecht.

c)

De socialisten werden de grootste partij in de tweedekamer

d)

Er kwam algemeen vrouwen kiesrecht

11.

Oorzaak van de feministische beweging - Kies er twee

a)

Vrouwen werden gezien als handelingsonbekwaam

b)

Vrouwen mochten niet trouwen met wie ze zelf wilden

c)

Vrouwen mochten niet zelf een rechtszaak 

aanspannen

d)

Vrouwen mochten niet werken

12.

​ (a)   van de feministische beweging waren bijvoorbeeld dat de vrouw een betere positie kreeg in de ​ (b)   . Vrouwen kregen ​ (c)   over hun kinderen. Steeds meer meisjes gingen naar de ​ (d)   en uitendelijk krijgen vrouwen kiesrecht in ​1919.

Choose from the below words
Gevolgen
maatschappij
medezeggenschap
universiteit
1917
1848
werk
kroeg
oorzaken
Oorzaken
13.

Bij welk kenmerkend aspect hoort het begrip parlementair stelsel

a)

De industriële revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een industriële samenleving.

b)

Discussies over de ‘sociale kwestie’.

c)

De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme.

d)

De opkomst van emancipatiebewegingen.

e)

Voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politieke proces

14.

Wat is geen politieke stroming?

a)

Liberalisme

b)

Socialisme

c)

Christendemocratie

d)

Atheïsme

15.

Waar past de onderstaande uitspraak bij?

De sterkste schouders moeten de zwaarste lasten dragen.

a)

Liberalen

b)

Christen-democraten

c)

Socialisten

d)

Extreemrechts

16.

Welke stroming hoort bij de woorden 'verantwoordelijkheid, vrijheid en vrijemarkteconomie'?

a)

Sociaal-democratie

b)

Liberalisme

c)

Rechts-extremisme

d)

Christen-democratie

17.

In 1848 was Nederland echter nog steeds geen volledige democratie. Dit lag aan het ..

a)

Passief kiesrecht

b)

Actief kiesrecht

c)

Censuskiesrecht

d)

Algemeen kiesrecht

18.

​ (a)   is het proces waarin burgers meer ​ (b)   krijgen over het bestuur in een land. Vaak kiezen zij dan een ​ (c)   Deze heeft in een ​​ (d)   de hoogste macht.

Choose from the below words
Democratisering
zeggenschap
volksvertegenwoordiging.
parlementair stelsel
monarchie
burgers
koning
constitutie
19.

Match het begrip met de juiste beschrijving

a)

Democratie

1.

Volk heeft de hoogste macht

b)

Volksvertegenwoordiger

2.

Iemand die door het volk is verkozen

c)

Consitutionele monarchie

3.

Koning met een grondwet

d)

Willem I

4.

Eerste koning van Nederland

e)

Willem II

5.

Koning die de grondwet ondertekende in 1848

20.

Zet de gebeurtenissen in de juiste volgorde

a)

De Bataafse Revolutie vindt plaats

b)

Eerste koning van Nederland

c)

Koning tekent de grondwet

d)

Algemeen mannenkiesrecht

e)

Algemeen kiesrecht (mannen & vrouwen)

1)
2)
3)
4)
5)