wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Basisoptie E&O - Eerste semester

Total questions: 29

Worksheet time: 5mins

Name
Class
Date
1.

De aanbodcurve is een dalende rechte.

a)

Waar

b)

Niet waar

2.

E-commerce is het aankopen en verkopen van goederen via het internet.

a)

Waar

b)

Niet waar

3.

De secundaire sector zijn ondernemingen in de industrie, energie, water en bouw.

a)

Waar

b)

Niet waar

4.

Ondernemingen en organisaties uit de non-profitsector horen tot de:

a)

Primaire sector

b)

Secundaire sector

c)

Tertiaire sector

d)

Quartaire sector

5.

Een stakeholder is iemand die enkel rechtstreekse belangen heeft bij een onderneming en er invloed op uitoefent.

a)

Waar

b)

Niet waar

6.

Geld verdienen is een voorbeeld van een persoonlijk motief om te ondernemen.

a)

Waar

b)

Niet waar

7.

Een kappersbezoek is een voorbeeld van een korte keten.

a)

Waar

b)

Niet waar

8.

Producten aanbieden aan één grote groep met vergelijkbare behoeften en problemen:

a)

Nichemarkt

b)

Gesegmenteerde markt

c)

Gediversifieerde markt

d)

Massamarkt

9.

Zelf werktijden kunnen bepalen is een voorbeeld van een:

a)

Maatschappelijk motief

b)

Persoonlijk motief

c)

Economisch motief

10.

Iemand die voor zijn beroep medische behandelingen uitvoert, maar geen arts of tandarts is.

a)

Paramedicus

b)

Vrij beroep

c)

Telecom

11.

Stakeholders binnen de onderneming zoals werknemers zijn:

a)

Interface stakeholders

b)

Interne stakeholders

c)

Externe stakeholders

12.

Prijs, plaats, product en planeet zijn de 4P's van de marketingmix:

a)

Waar

b)

Niet waar

13.

Producten aanbieden aan verschillende klantsegmenten met totaal verschillende behoeften en problemen:

a)

Nichemarkt

b)

Gesegmenteerde markt

c)

Gediversifieerde markt

d)

Massamarkt

14.

Dit is een strategie die inspeelt op het gevoel van de klant bij een bepaalde prijs.

a)

Charm pricing

b)

Exact pricing

c)

Ankereffect

d)

Schaarste

15.

Convenience staat voor consumentengemak in het C-model en verwijst naar de P van plaats in het P-model.

a)

Waar

b)

Niet waar

16.

Wat is een voorbeeld van een variabele kost?

a)

Het loon van een bediende

b)

De huur van een machine

c)

De aankopen van ingrediënten

17.

Gevaar voor overconsumptie is een voordeel van e-commerce voor de consument.

a)

Waar

b)

Niet waar

18.

Een handelsonderneming is een onderneming die goederen en diensten inkoopt en verkoopt.

a)

Waar

b)

Niet waar

19.

De kosten van een goed of dienst = aantal stuks x verkoopprijs per stuk.

a)

Waar

b)

Niet waar

20.

Als de kosten groter zijn dan de opbrengsten, maakt de onderneming verlies.

a)

Waar

b)

Niet waar

21.

De huur van een magazijn is een voorbeeld van een variabele kost.

a)

Waar

b)

Niet waar

22.

Het gaat om het plaatsen van producten in een bepaalde volgorde zodat de consument het duurste eerst ziet.

a)

Charm pricing

b)

Exact pricing

c)

Ankereffect

d)

Schaarste

23.

Een consument is iemand die het product koopt.

a)

Waar

b)

Niet waar

24.

Een consument hoort thuis in de bedrijfskolom.

a)

Waar

b)

Niet waar

25.

De bedrijfskolom start bij de kleinhandelaar en eindigt meestal bij de producent.

a)

Waar

b)

Niet waar

26.

Als ik mijn t-shirt aankoop in Duitsland, dan importeer ik de t-shirt uit het buitenland.

a)

Waar

b)

Niet waar

27.

Als de prijs van Fanta daalt, zal de vraag naar Cola stijgen.

a)

Waar

b)

Niet waar

28.

Het geheel van vraag naar een product noem je een markt.

a)

Waar

b)

Niet waar

29.

Het kattencafé (van Andermans Zaken) dat we onder de loep hebben genomen, heeft de naam:

a)

MUA Kattencafé

b)

MIAUW Kattencafé

c)

MAU Kattencafé

d)

MAUW Kattencafé