Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Uitvergroot: Internationale overeenstemming 2026

Total questions: 94

Worksheet time: 47mins

Name
Class
Date
1.

Welke rol speelt het OESO Modelverdrag in het streven naar internationale belastingconsensus?

a)

Het biedt uniforme verdragsartikelen als referentiekader

b)

Het verplicht landen tot identieke nationale wetgeving

c)

Het vervangt alle bestaande bilaterale belastingverdragen

d)

Het regelt uitsluitend indirecte belastingen wereldwijd

2.

Wat is een kernverschil tussen het Inclusive Framework en EU‑richtlijnen op het gebied van belastingen?

a)

IF is vrijwillig multilateraal; EU‑richtlijnen zijn bindend voor lidstaten

b)

IF richt zich alleen op btw; EU‑richtlijnen op vennootschapsbelasting

c)

IF geldt voor EU‑bedrijven; EU‑richtlijnen voor multinationals buiten de EU

d)

IF creëert rechtbanken; EU‑richtlijnen vervangen nationale rechters

3.

Een multinational plant zijn structuur met oog op Pillar 2. Welke beleidskeuze past het meest bij de doelstelling van de minimumbelasting?

a)

Beperken winstverschuiving door wereldwijde effectieve minimumtarieven

b)

Verlagen bronbelasting om meer kapitaal aan te trekken

c)

Uitbreiden rulingpraktijk voor selectieve belastingvoordelen

d)

Verplaatsen hoofdkantoor naar laagbelastende jurisdictie

4.

Welke valkuil bij internationale harmonisatie wordt vaak onderschat door beleidsmakers?

a)

Gebrek aan interesse van multinationals in compliance

b)

Divergente implementatie en definities in nationale wetgeving

c)

Onmogelijkheid om verdragen te wijzigen na ratificatie

d)

Afwezigheid van overlegfora voor technische standaarden

5.

Stel: een land wil snel aansluiten bij Pillar 2. Welke volgorde van stappen is het meest rationeel om zowel juridisch als operationeel te slagen?

a)

Onderhandelingen met bedrijven, daarna internationale ratificatie en geen IT

b)

Impactanalyse, wetgevingsontwerp, administratieve systemen, phased‑in handhaving

c)

Directe handhaving, later impactanalyse, daarna beleidsconsultatie

d)

Publicatie van richtlijnen zonder wetgeving, vervolgens IT‑systemen bouwen

6.

Welke hoofdvraag beoordeelde de Centrale Raad van Beroep in de zaak van de Nederlandse zeevaerende op een niet‑EU‑gevlagd schip?

a)

Of woonplaatsvoorwaarden buiten beschouwing blijven

b)

Of aansluiting bij stelsel werkgeverstaat vereist is

c)

Of AOW‑verzekering voortvloeit uit EU‑recht

d)

Of SVB gebonden is aan latere pensioenoverzichten

7.

Wat was de uitkomst voor de eerste klacht over toepassing van de wetgeving van de vestigingsstaat van de werkgever?

a)

Klacht gegrond; nationale regels prevaleren

b)

Klacht ongegrond; aansluiting bij stelsel werkgever

c)

Klacht aangehouden voor nieuw EU‑arrest

d)

Klacht gegrond wegens woonplaatsvereisten

8.

Waarom faalde de tweede klacht die zich beriep op art. 24 van KB 746 inzake uitsluiting van verplichte verzekering?

a)

Vraag betrof uitleg nationale AOW‑wetartikelen

b)

EU‑recht verplicht tot Nederlandse dekking

c)

Besluit was niet onaantastbaar in nationaal recht

d)

SVB moest eerdere pensioenoverzichten volgen

9.

Welke regel volgt uit het Kik‑arrest voor zeelieden zonder specifieke aanwijzingsregel?

a)

Nederlandse wet geldt bij vlagstaat tekort

b)

Vrijwillige verzekering in elk lidstaat mogelijk

c)

Wet waar werkgever gevestigd is geldt

d)

Wet woonstaat van werknemer is van toepassing

10.

Wat bepaalt Vo. (EG) 883/2004 voor een zeeman wonend in een EU‑lidstaat en werkzaam op een niet‑EU‑gevlagd schip voor werkgever in andere lidstaat?

a)

Wet woonstaat volgens art. 11(3)(e) geldt

b)

Wet werkgeverstaat geldt altijd

c)

Wet vlagstaat van het schip geldt

d)

Wet woonstaat werknemer geldt

11.

Waarom kon het beroep op de hardheidsclausule van art. 24 BUB 1999 de belanghebbende niet helpen?

a)

SVB moest Unierechtelijk verzoek honoreren

b)

Hardheidsclausule vervalt bij EU‑coördinatie

c)

Coördinatieregels laten lidstaat keuzevoorwaarden

d)

SVB heeft verzoek afgewezen zonder motivering

12.

Welke gevolgtrekking maakte de Hoge Raad over het door SVB genomen besluit en het Unierecht?

a)

Geen Unierechtelijke verplichting, klacht faalt

b)

Besluit strijdig met EU‑recht, vernietigen

c)

SVB moest pensioenoverzichten herzien, gegrond

d)

Besluit procedureel ondeugdelijk, terugwijzen

13.

Wat betekent het voor de AOW‑verzekering dat Zwitserse wet de woonplaatsvereiste stelt?

a)

EU‑recht verplicht tot dubbele verzekering

b)

Zwitserse wet geldt; Nederlandse niet toepasbaar

c)

Vrijstelling van verzekeringsplicht in NL

d)

Nederlandse wet geldt bij niet‑EU vlag

14.

Wat houdt de verkorting van de 30%-regeling in voor expats in Nederland?

a)

Duur van tien naar zeven jaar

b)

Duur ongewijzigd met plafond

c)

Duur van vijf naar drie jaar

d)

Duur van acht naar vijf jaar

15.

Welke functie heeft overgangsrecht bij de verkorting van de 30%-regeling?

a)

Uniformeren internationale regels

b)

Versnellen implementatie beleid

c)

Afschaffen fiscale faciliteiten

d)

Bescherming bestaande gevallen

16.

Welke eigendomsrechtelijke norm kan worden ingeroepen tegen inperking van fiscale voordelen?

a)

Art. 8 EVRM

b)

Art. 6 EVRM

c)

Art. 1 EP EVRM

d)

Art. 10 EVRM

17.

Wat is een constitutieve voorwaarde van de 30%-regeling?

a)

Specifieke schaarse deskundigheid

b)

Onbeperkte verblijfstitel

c)

Werk buiten EU-grenzen

d)

Vaste netto-looncomponent

18.

Wanneer is onderscheid tussen groepen belastingplichtigen toelaatbaar?

a)

Als budgettaire noodzaak speelt

b)

Wanneer politieke steun bestaat

c)

Indien toepassing tijdelijk is

d)

Bij objectieve en redelijke rechtvaardiging

19.

Welke toets past bij art. 1 EP EVRM bij wijziging van fiscale regelingen?

a)

Formele legaliteit zonder belangen

b)

Fair balance tussen algemeen belang en individu

c)

Volledige rechterlijke herbeoordeling beleid

d)

Strikte proportionaliteit zonder marge

20.

Wat is een typische EVRM-risico bij abrupt schrappen van overgangsrecht?

a)

Schending van gerechtvaardigd vertrouwen

b)

Onbevoegdheid van wetgever

c)

Onzekerheid over bronheffing

d)

Verlies aan internationale concurrentie

21.

Welke maatstaf beoordeelt discriminatie bij fiscale voordelen?

a)

Formele toepassingsduur bepalend

b)

Objectieve rechtvaardiging en proportionaliteit

c)

Budgetneutraliteit als kerncriterium

d)

Enkel gelijkheidsbeginsel zonder afweging

22.

Wat kan de wetgever doen om EVRM-risico’s bij verkorting te verminderen?

a)

Verleggen regeling naar cao’s

b)

Ruim overgangsrecht gefaseerde afbouw

c)

Strikte onmiddellijke beëindiging

d)

Verbod op nieuwe aanvragen

23.

Welke uitkomst is waarschijnlijk bij toetsing van beleidsruimte van de wetgever?

a)

Ruime margin of appreciation

b)

Geen enkele beleidsvrijheid

c)

Volledige rechterlijke substitutie

d)

Automatische onverbindendheid

24.

Wat is een mogelijk argument tegen beroep op eigendomsrecht bij loonvoordelen?

a)

Voordeel is een auteursrechtelijk werk

b)

Voordeel is een contractuele aanspraak

c)

Voordeel is geen vaststaand eigendomsrecht

d)

Voordeel is een onroerende zaak

25.

Welke combinatie versterkt een niet-discriminatoire verkorting?

a)

Selectieve toepassing zonder criteria

b)

Uitsluiting per sector met quota

c)

Algemene toepassing met overgangsrecht

d)

Uitsluitend nieuwe gevallen getroffen

26.

Welke hoofdregel bepaalt de toepasselijke sociale zekerheidswet bij werken in meerdere landen binnen de EU/EER of Zwitserland?

a)

Wetgeving van de woonstaat altijd

b)

Wetgeving van de staat waar de werkgever is gevestigd

c)

Gezamenlijke keuze van werknemer en werkgever

d)

Wetgeving van de staat waar het werk feitelijk wordt verricht

27.

Een in Nederland wonende zeevarende werkt op een schip onder buitenlandse vlag voor een Zwitserse werkgever. Welke factor is beslissend voor AOW-verzekering onder Verordening (EG) 883/2004?

a)

Vestigingsplaats van de werkgever is beslissend

b)

Nationaliteit van de werknemer is beslissend

c)

Vlag van het schip is beslissend

d)

Plaats van feitelijke arbeid is beslissend

28.

Wat is de kern van het Kik‑arrest voor de beoordeling van AOW‑verzekeringsplicht?

a)

Verzekering volgt inkomen uit arbeid

b)

Verzekering volgt woonplaats met aanvullende eisen

c)

Verzekering volgt vlag en registratie van het schip

d)

Verzekering volgt nationaliteit van de werknemer

29.

Welke overgang speelt tussen Verordening (EEG) 1408/71 en Verordening (EG) 883/2004 voor grensoverschrijdend werk?

a)

Van bronheffing naar eindheffing

b)

Van sociale bijstand naar sociale verzekering

c)

Van woonlandbeginsel naar werklandbeginsel

d)

Van nationale regels naar bilaterale verdragen

30.

Wanneer kan de hardheidsclausule van artikel 24 Bub 1999 worden toegepast bij AOW‑verzekering?

a)

Als strikte wetstoepassing tot onbillijke uitkomst leidt

b)

Als het schip onder niet‑EU vlag vaart

c)

Als de werknemer een buitenlandse werkgever heeft

d)

Als de wet expliciet verbiedt toepassing

31.

Welke situatie leidt het meest waarschijnlijk tot een AOW‑gat bij een Nederlandse resident die voor een Zwitserse werkgever werkt op een buitenlands schip?

a)

Verordening 883/2004 wijst buitenlandse wetgeving aan

b)

Werknemer heeft dubbele nationaliteit

c)

Werk vindt deels in Nederland plaats

d)

Werkgever heeft een filiaal in Nederland

32.

Wat is bij zeevarenden volgens Verordening 883/2004 de hoofdregel voor toepasselijke wetgeving?

a)

Wetgeving van werkgever’s vestigingsstaat

b)

Wetgeving van vlagstaat van het vaartuig

c)

Wetgeving van eerste aanloophaven

d)

Wetgeving van woonstaat van werknemer

33.

Welke stap hoort bij het bepalen van AOW‑verzekerde tijdvakken in een casus met Zwitserse werkgever?

a)

Beoordelen of schip zeewaardig is verklaard

b)

Toetsen of perioden onder EU‑coördinatie vallen

c)

Controleren of bilateraal verdrag sociale bijstand regelt

d)

Nagaan of werknemer vennootschapsbelasting betaalt

34.

Wat is het praktische gevolg van het woonplaatsvereiste uit het Kik‑arrest voor Nederlanders die buitenlands werk doen?

a)

AOW‑verzekering tenzij EU‑regels andere wetgeving aanwijzen

b)

Altijd AOW‑verzekering ongeacht werkland

c)

AOW‑verzekering alleen bij Nederlandse werkgever

d)

Geen AOW‑verzekering bij werken buiten EU

35.

Welke correctie is passend als een periode niet AOW‑verzekerd blijkt door aanwijzing van Zwitserse wetgeving onder 883/2004?

a)

Aanvragen vrijwillige AOW‑verzekering voor die periode

b)

Toepassen hardheidsclausule om toch te verzekeren

c)

Terugvorderen betaalde premies uit Nederland

d)

Achteraf toerekenen als ingezetene met dubbele telling

36.

Wat houdt het territoriale verzekeringsbeginsel in voor AOW-verzekering onder nationaal recht?

a)

Verzekering toegekend na individuele behoefte

b)

Verzekering afhankelijk van leeftijdsgrenzen

c)

Verzekering gebaseerd op nationaliteit alleen

d)

Verzekering gekoppeld aan woon- of werkstaat

37.

Wanneer wordt de formele rechtskracht van een SVB-besluit doorgaans aangenomen?

a)

Na publicatie in het Staatsblad

b)

Na onherroepelijke bezwaar- en beroepsfase

c)

Na drie jaar zonder herziening

d)

Na intern heroverwegingsmemo

38.

Hoe verhouden EU‑coördinatieregels zich tot nationale AOW‑bepalingen bij conflict?

a)

De oudere regeling geldt automatisch

b)

Nationale regels blijven altijd leidend

c)

EU‑regels coördineren en hebben voorrang

d)

Beide worden niet toegepast tijdelijk

39.

Welke situatie kan leiden tot uitsluiting van AOW‑verzekering ondanks banden met Nederland?

a)

Ontvangen van Nederlandse uitkering

b)

Inschrijving in Nederlandse gemeente kort

c)

Tijdelijk verblijf voor vakantie in Nederland

d)

Werken en wonen uitsluitend buiten Nederland

40.

Wat is een praktische implicatie voor burgers bij grensoverschrijdend werken binnen de EU?

a)

AOW‑opbouw stopt automatisch volledig

b)

Altijd dubbel verzekerd in twee landen

c)

Controleer toepasselijke lidstaat voor verzekering

d)

Alle premies worden door SVB terugbetaald

41.

Welke bepaling regelt specifiek het voorvoegingsverlies binnen een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting?

a)

Art. 15ah Wet VPB 1969

b)

Art. 15ae Wet VPB 1969

c)

Art. 10a Wet VPB 1969

d)

Art. 3.25 Wet IB 2001

42.

Wat is een kenmerkend risico bij verliescompensatie na een fusie binnen een fiscale eenheid?

a)

Verplichte goodwillrevaluatie

b)

Automatische renteaftrekverruiming

c)

Dubbele belasting van winst

d)

Verliesverdamping door tijdsverloop

43.

Welke term duidt op de fiscaal te corrigeren afschrijvingen op betaalde meerwaarde bij overname?

a)

Herwaarderingsreserve

b)

Preferent dividend

c)

Verschuldigde rente

d)

Goodwillafschrijving

44.

Wat is het belangrijkste doel van art. 15ah Wet VPB 1969 binnen een fiscale eenheid?

a)

Regulering renteaftrekbeperkingen

b)

Correctie interne transacties

c)

Vaststellen consolidatievoorwaarden

d)

Beperking verliesverrekening

45.

Bij grammaticale interpretatie van belastingwetgeving ligt de nadruk vooral op welke benadering?

a)

Historische parlementaire context

b)

Economische realiteitsbenadering

c)

Teleologische doelbenadering

d)

Letterlijke tekst van de wet

46.

Welke omstandigheid kan leiden tot toepassing van fraus legis binnen een fiscale eenheid?

a)

Samenstel handelingen zonder reële functie

b)

Verwerking van fusieresultaat in jaarrekening

c)

Indiening van suppletieaangifte

d)

Gebruik van preferente certificaten

47.

Welke toets vereist fraus legis volgens de rechtspraak?

a)

Alleen motieftoets

b)

Alleen normtoets

c)

Materiële winsttoets

d)

Motief- en normtoets samen

48.

Wat is een typische fiscale consequentie van het aanmerken van een aandeelhouderslening als onzakelijk?

a)

Rente niet aftrekbaar

b)

Verlies niet verrekenbaar

c)

Dividend niet belastbaar

d)

Goodwill niet afschrijfbaar

49.

Welke regel geldt voor voorvoegingsverliezen bij toetreding van een vennootschap tot een fiscale eenheid?

a)

Verliezen worden volledig geconsolideerd

b)

Verliezen gaan naar de moedermaatschappij

c)

Verliezen vervallen onmiddellijk

d)

Verliezen blijven toerekenbaar aan de toetredende maatschappij

50.

Welke situatie noodzaakt een goodwillafschrijvingscorrectie binnen een fiscale eenheid?

a)

Uitgifte van converteerbare obligaties

b)

Terugbetaling aandeelhouderslening

c)

Uitkering van preferent dividend

d)

Interne overname met betaalde meerwaarde

51.

Wat is het effect van art. 15ae op verliescompensatie bij fusies binnen de fiscale eenheid?

a)

Automatische eliminatie van verliezen

b)

Verplichte carry-back van verliezen

c)

Vrije verrekening van alle verliezen

d)

Beperkingen voor pre-entry losses

52.

Welke interpretatiekeuze past bij toepassing van renteaftrekbeperkingen in complexe structuren?

a)

Onmiddellijk aannemen van fraus legis

b)

Primair afgaan op jaarrekeningcijfers

c)

Alleen verwijzen naar beleidsbesluiten

d)

Systematische en tekstuele uitleg combineren

53.

Welke kernvoorwaarde hanteert het Hof bij toepassing van fraus legis in vennootschapsbelastingzaken?

a)

Doel en strekking van de Wet geschonden

b)

Transactie vindt plaats binnen één boekjaar

c)

Belanghebbende heeft winst niet gerapporteerd

d)

Alle schulden zijn marktconform geprijsd

54.

Wat bedoelt het Hof met ‘winstdrainage’ in deze context?

a)

Verplaatsen van Nederlandse winst via rente

b)

Herwaarderen van verborgen reserves bij fusie

c)

Verlagen van winst door afschrijvingen op goodwill

d)

Splitsen van winst tussen fiscale eenheden

55.

Waarom acht het Hof de rente op de aandeelhouderslening niet aftrekbaar voor 64,5 procent?

a)

Handelen in strijd met doel en strekking

b)

Geen fiscale eenheid gevormd

c)

Ontbreken van zakelijke rechtshandeling

d)

Rente boven arm’s length tarief

56.

Welke functie schrijft het Hof toe aan het private-equityhuis in de structuur?

a)

Architect van de acquisitiestructuur

b)

Externe kredietverstrekker tegen vaste rente

c)

Toezichthouder binnen fiscale eenheid

d)

Louter passieve investeerder zonder invloed

57.

Wat is het effect van herfinanciering van bestaande schulden volgens het Hof?

a)

Maakt alle rentekosten aftrekbaar

b)

Altijd toegestaan bij fiscale eenheden

c)

Leidt tot hogere belastingdruk dan zonder misbruik

d)

Verlaagt de rente naar marktconform niveau

58.

Wanneer kan artikel 10a Wet Vpb de renteaftrek uitsluiten volgens het Hof?

a)

Slechts bij rente boven 10 procent

b)

Alleen bij buitenlandse aandeelhouders

c)

Alleen bij fusies binnen een fiscale eenheid

d)

Bij ontbreken van zakelijke motieven en financiële spilfunctie

59.

Wat verstaat het Hof onder ‘financiële spilfunctie’ in de 10a-structuur?

a)

Toepassen van winstsplitsing bij afsplitsing

b)

Beheren van stille reserves bij overname

c)

Aantrekken en doorlenen binnen de groep

d)

Uitsluitend eigen vermogen injecteren

60.

Welke conclusie trekt het Hof over de moedermaatschappij in 4.2.2?

a)

Vervult geen reële functie, slechts fiscale spilfunctie

b)

Is economisch eigenaar van alle PEC’s

c)

Draagt stille reserves over zonder belasting

d)

Kan rentelasten altijd aftrekken binnen EU

61.

Wat is volgens het Hof het relevante verschil tussen eigen en vreemd vermogen in deze casus?

a)

Transformeren van eigen naar vreemd vermogen beïnvloedt renteaftrek

b)

Eigen vermogen is altijd goedkoper dan vreemd vermogen

c)

Vreemd vermogen maakt winstsplitsing onmogelijk

d)

Eigen vermogen verhindert toepassing van fraus legis

62.

Welke maatstaf hanteert de Hoge Raad voor de normrente op bestaande schulden in vergelijkbare zaken?

a)

3,3 procent van het totale investeringsbedrag

b)

35,5 procent voor resterende rente

c)

2,5 procent voor aandeelhoudersleningen

d)

10 procent voor bestaande schulden

63.

Wat is het primaire doel van art. 10a Wet Vpb 1969?

a)

Voorkomen van winstdrainage door renteaftrek

b)

Bevorderen van herfinanciering van oude schulden

c)

Maximaliseren van aftrek bij aandeelhoudersleningen

d)

Uniformeren internationale bronheffingen op rente

64.

Welke situatie valt doorgaans binnen de reikwijdte van art. 10a Wet Vpb 1969?

a)

Operationele banklening voor voorraad

b)

Aandeelhouderslening voor uitdeling aan moeder

c)

Leasing van bedrijfsmiddelen door derde partij

d)

Subsidie voor R&D van overheid

65.

Wat houdt het Spilfunctie‑arrest in bij de beoordeling van renteaftrek?

a)

Pivotfunctie staat renteaftrek altijd toe bij derden

b)

Financiële pivot geeft aanwijzing voor onzakelijkheid

c)

Spilfunctie verbiedt interne leningen binnen concern

d)

Pivotfunctie verplicht consolidatie van schulden

66.

Wat is kenmerkend voor winstdrainage in private‑equity structuren?

a)

Excessieve rente bij aandeelhoudersleningen

b)

Gebruik van niet‑aftrekbare boetes

c)

Verkoop met verlies aan verbonden partij

d)

Opbouw van stille reserves in activa

67.

Wat is een belangrijk element van fraus legis in fiscale context?

a)

Afwijken van IFRS‑waarderingsregels

b)

Overtreden van strafrechtelijke bepalingen

c)

Doel‑en‑strekking miskenning door kunstmatige handelingen

d)

Niet tijdig indienen van aangifte

68.

Welke factor kan leiden tot weigering van renteaftrek ondanks zakelijke lening?

a)

Rente gebruikt voor aflossing bestaande groepsschulden

b)

Rente lager dan marktrente bij bank

c)

Afsluiten van lening in vreemde valuta

d)

Vervallen van bronbelasting door verdrag

69.

Wat was in de 'koffiezaak' een centraal geschilpunt?

a)

Toepassing van BPM op export

b)

Vaststelling van transferprijzen voor koffiebonen

c)

Aftrekbaarheid van goodwill‑afschrijving

d)

Geweigerde renteaftrek wegens fraus legis

70.

Waarom kan herfinanciering van bestaande schulden problematisch zijn voor renteaftrek?

a)

Kan worden gezien als onttrekking van winst via rente

b)

Leidt automatisch tot bovenmatige thin‑capitalisation

c)

Maakt rente juridisch niet afdwingbaar

d)

Schendt altijd bankconvenanten van de oude lening

71.

Welke toets hanteert de rechter bij fraus legis ten aanzien van renteaftrek?

a)

Uitsluitend zakelijke overwegingen van CFO

b)

Alleen buitenlandse fiscale regels

c)

Enkel formele tekst van art. 10a

d)

Doel‑en‑strekking van de wet als geheel

72.

Wat kan een aanwijzing zijn dat een concerncompromis een renteaftrek niet redt?

a)

Aanzienlijk lagere rente dan op bestaande schulden

b)

Rente gelijk aan marktrente van banken

c)

Lening verstrekt door onafhankelijke derde

d)

Contractuele zekerheden op activa

73.

Welke gevolgtrekking maakte de Hoge Raad in de tweede cassatieronde rond de koffiezaak?

a)

Toestaan van volledige renteaftrek zonder voorwaarden

b)

Verplichte bronbelasting op alle interne leningen

c)

Brede bespreking van mogelijke fraus legis‑implicaties

d)

Definitieve afwijzing van art. 10a toepassing

74.

Wat is een praktisch gevolg wanneer renteaftrek op grond van art. 10a wordt geweigerd?

a)

Afschrijvingen op activa vervallen

b)

Belaste winst stijgt door niet‑aftrekbare rente

c)

Aftrek schuift door naar latere jaren automatisch

d)

Dividenduitkeringen worden vrijgesteld van Vpb

75.

Wat is het kernverschil tussen een Shareholder Loan (SHL) en een Preferred Equity Certificate (PEC) in private-equitystructuren?

a)

SHL is eigen vermogen, PEC is vreemd vermogen

b)

SHL is onzakelijk, PEC altijd zakelijk

c)

SHL is fiscaal vrijgesteld, PEC volledig belast

d)

SHL is schuld met rente, PEC is kapitaal met coupon

76.

Welke eis ziet op het onderzoeken van zakelijke motieven achter een geldverstrekking?

a)

Totaalwinstcorrectie bij fraus legis

b)

Splifunctie bij geldverstrekker

c)

Normvereiste bij doel en strekking

d)

Motiefvereiste bij art. 10a Wet VPB 1969

77.

Wat bedoelt men met een ‘onzakelijke lening’ in dit kader?

a)

Lening met fiscale vrijstelling

b)

Lening zonder marktconforme voorwaarden

c)

Lening uitsluitend tussen banken

d)

Lening met verplichte aflossing

78.

Welke benadering volgt de Hoge Raad bij ‘splifunctie’ volgens recente arresten?

a)

Financiële splifunctie als toepassing van art. 10a

b)

Automatische renteaftrekbeperking

c)

Altijd subjectief motiefonderzoek

d)

Geen relevantie voor private equity

79.

Wat houdt het normvereiste in volgens de Wet VPB 1969?

a)

Toets aan doel en strekking van de wet

b)

Aftrek van alle rente zonder beperking

c)

Verbod op intragroepstransacties

d)

Verplichte marktrente op elke lening

80.

Welke factor is cruciaal bij het vaststellen van effectieve winstdrainage?

a)

Aanwezigheid van bankgaranties

b)

Gebruik van notariële akten

c)

Registratie van leningsdocumenten

d)

Uitholling van nationale heffingsgrondslag

81.

Wat is een mogelijk gevolg als sprake is van ‘fraus legis’ bij renteaftrek?

a)

Weigering van renteaftrek op grond van totaalwinst

b)

Automatische boete zonder beoordeling

c)

Verhoging van fiscale winst door verlies

d)

Verplicht herfinancieren bij bank

82.

Welke overweging speelt bij het oordeel of een lening zakelijk is?

a)

Publicatie in Staatscourant

b)

Hoogte van dividenduitkering

c)

Aanwezigheid van aandeelhouders

d)

Armslength-rente en voorwaarden

83.

Wat kan een compromis tussen inspecteur en belastingplichtige beïnvloeden?

a)

Verdere inhoudelijke beoordeling in cassatie

b)

Directe toepassing van EU-recht

c)

Verplichte rentepercentages

d)

Automatisch gelijk voor belastingplichtige

84.

Waarom stelt de Hoge Raad prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU?

a)

Voor uitleg over Unierechtelijke misbruikverbod

b)

Voor nationale proceskostenregeling

c)

Voor vaststelling van marktrentes

d)

Voor goedkeuring van private-equitydeals

85.

Wat is een kernfunctie van het at arm's length‑beginsel bij concernfinanciering?

a)

Bepalen of interne rente marktconform is

b)

Vastleggen groepsstructuur formeel correct

c)

Verplichten tot voorafgaande APA‑aanvraag

d)

Voorkomen dubbele belasting door verrekening

86.

Welke correctie hoort bij het begrip totaalwinstcorrecties in de vennootschapsbelasting?

a)

Aanpassing voor niet‑aftrekbare kosten

b)

Herrekening btw over intragroepdiensten

c)

Heffing bronbelasting op uitgaande rente

d)

Verplichte herwaardering immateriële activa

87.

Wat is een typische grens aan renteaftrek volgens nationale anti‑misbruikregels?

a)

Aftrekbeperking bij onzakelijke schulden

b)

Uitsluiting bij alle externe bankleningen

c)

Plafond van 10% effectieve belastingdruk

d)

Verplichte aflossing binnen drie boekjaren

88.

Wanneer rijst een EU‑rechtelijk vraagstuk bij renteaftrekbeperkingen?

a)

Als grensoverschrijdende leningen worden getroffen

b)

Als alleen binnenlandse investeringen bestaan

c)

Als enkel natuurlijke personen betrokken zijn

d)

Als geen invloed is op kapitaalverkeer

89.

Wat is het doel van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU?

a)

Uitleg van Unierecht door het HvJ EU

b)

Toetsing feitencomplex door nationale fiscus

c)

Cassatie van nationale uitspraken automatisch

d)

Mediation tussen belastingplichtige en Belastingdienst

90.

Welke verhouding staat centraal tussen EU‑recht en nationale anti‑misbruikmaatregelen?

a)

Onvoorwaardelijke aftrek van alle financieringskosten

b)

Prioriteit voor nationale tariefautonomie steeds

c)

Evenwicht tussen vrijheden en belastingbestrijding

d)

Volledige harmonisatie van vennootschapsbelasting

91.

Wat kan een Supreme Court‑uitspraak over renteaftrek vooral bepalen?

a)

Exacte marktwaarde van elke concernlening

b)

Vaststelling van uniforme EU‑tarieven

c)

Automatische kwijtschelding van back taxes

d)

Reikwijdte en toepassing van aftrekbeperkingen

92.

Welke factor is relevant bij toetsing aan het arm's length‑principe?

a)

Aanwezigheid van fiscale eenheid altijd

b)

Aantal werknemers in het concern

c)

Vergelijkbare externe leningsvoorwaarden

d)

Hoogte van dividenduitkeringen jaarlijks

93.

Wat kan een aanwijzing zijn voor misbruik bij renteaftrek?

a)

Lening tegen marktconforme rente en zekerheden

b)

Financiering via gereguleerde bankinstelling

c)

Investering in productieve activa binnenland

d)

Kunstmatige schuldpositie zonder zakelijke reden

94.

Welke EU‑vrijheid wordt vaak geraakt door renteaftrekbeperkingen?

a)

Vrij kapitaalverkeer in de EU‑verdragen

b)

Vrij verkeer van goederen tussen lidstaten

c)

Vrij verkeer van werknemers en sociale zekerheden

d)

Vrij verrichten van diensten door natuurlijke personen