wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 2 deel 2 bacterien en virussen

Total questions: 82

Worksheet time: 1hrs 2mins

Name
Class
Date
1.

Welke rol vervullen bacteriën als reducenten in ecosystemen?

a)

Ze produceren uitsluitend koolhydraten uit anorganische stoffen

b)

Ze zetten organische resten om in anorganische stoffen

c)

Ze maken lichtenergie rechtstreeks bruikbaar voor dieren

d)

Ze verhogen de biodiversiteit zonder stofomzetting

2.

Wat is het microbioom?

a)

Alle cellen van je immuunsysteem in de darmen

b)

Alle micro-organismen die op en in je lichaam leven

c)

Alle pathogenen die je ziek kunnen maken

d)

Alle nuttige bacteriën in voedselproducten

3.

Welke bewering over darmbacteriën is juist?

a)

Ze vervangen de rol van enzymen volledig

b)

Ze blokkeren alle opname van vezels en mineralen

c)

Ze helpen bij de vertering en produceren vitaminen

d)

Ze verhogen altijd de zuurgraad tot pH onder 3

4.

Wat is een kenmerk van pathogenen vergeleken met nuttige bacteriën?

a)

Pathogenen verlagen geen risico op infecties

b)

Pathogenen leven alleen op plantenwortels

c)

Pathogenen veroorzaken ziekte bij de gastheer

d)

Pathogenen produceren vitamine K in de darmen

5.

Welke functie hebben bacteriën op de huid en in de vagina?

a)

Ze beschermen tegen binnendringende pathogenen

b)

Ze verhogen constant de pH tot neutraal

c)

Ze verwijderen permanent alle micro-organismen

d)

Ze neutraliseren alle talgproductie volledig

6.

Wat doen bacteriën in de darmen met vezels?

a)

Ze vernietigen vezels zonder afbraakproducten

b)

Ze fermenteren vezels en ondersteunen vertering

c)

Ze belemmeren volledig de opname van water

d)

Ze zetten vezels om in lichtenergie direct

7.

Welke uitspraak over probiotica is het best onderbouwd?

a)

Ze hebben bewezen geen enkel nut bij gezonde mensen

b)

Ze genezen alle darmziekten met sterke zekerheid

c)

Het bewijs voor blijvend effect op het darmmicrobioom is beperkt

d)

Ze vervangen alle bacteriën in het microbioom snel

8.

Wat zijn prebiotica?

a)

Onverteerbare voedingsstoffen die groei van nuttige bacteriën stimuleren

b)

Vitamines die door bacteriën in de darmen gemaakt worden

c)

Levende ‘goede’ bacteriën die je inneemt als supplement

d)

Antibiotica die schadelijke bacteriën doden rechtstreeks

9.

Waarom zijn reducenten essentieel voor producenten in de kringloop?

a)

Ze voorkomen dat producenten water verliezen

b)

Ze maken organische stoffen direct uit zonlicht

c)

Ze zorgen dat consumenten meer energie opnemen

d)

Ze leveren anorganische stoffen die opnieuw bruikbaar zijn

10.

Welke broeikasgas wordt in de pens van herkauwers vooral door methaanbacteriën geproduceerd?

a)

Koolstofdioxide

b)

Lachgas

c)

Waterstof

d)

Methaan

11.

Welk proces in de pens leidt tot vorming van H2 en CO2 die omgezet worden naar methaan?

a)

Nitrificatie proces

b)

Anaeroob fermenteren

c)

Aeroob fermenteren

d)

Fotosynthese reactie

12.

Wat onderscheidt voedselinfectie van voedselvergiftiging?

a)

Bij infectie ziek door toxine

b)

Bij infectie door virusdeeltjes

c)

Bij vergiftiging ziek door toxine

d)

Bij vergiftiging door levende bacterie

13.

Wat is een veelvoorkomende oorzaak van een salmonella-infectie bij mensen?

a)

Langzaam drinken van water

b)

Onvoldoende doorbakken kip

c)

Ongewassen fruit eten

d)

Te veel zout consumeren

14.

Welke eigenschap klopt voor salmonellabacteriën?

a)

Leven alleen in planten

b)

Doden bij 7 °C

c)

Vormen endosporen

d)

Staafvormige bacteriën

15.

Waarom geven sporenvormende bacteriën vaak problemen in rijst of pasta?

a)

Geen groei bij koeling

b)

Sporen activeren bij opwarmen

c)

Toxine hitte-instabiel

d)

Toxine afgebroken bij invriezen

16.

Wat veroorzaakt ziekte bij voedselvergiftiging door sporenvormers in zetmeelrijke producten?

a)

Een virus dat meegroeit

b)

De toxine in het voedsel

c)

Een schimmel in de saus

d)

De bacterie zelf

17.

Welke preventieve maatregel maakte difterie in ons land bijna verdwijnen?

a)

Antibiotica in water

b)

Strenge voedselkeuring

c)

Verbod op contactdier

d)

Vaccinatie programma

18.

Waardoor wordt kinkhoest vooral gekenmerkt bij geïnfecteerde personen?

a)

Acute diarree met ernstig vochtverlies

b)

Zware blaffende hoest bij aanhoudende aanvallen

c)

Pijnlijke spierkrampen in de benen

d)

Hoge koorts met huiduitslag overal

19.

Wat is het primaire doel van vaccinatie tegen bacteriële ziekten bij baby’s?

a)

Lichaamstemperatuur blijvend verhogen

b)

Alle microben in het lichaam verwijderen

c)

De bacterie direct doden zonder immuniteit

d)

Het immuunsysteem laten herkennen en uitschakelen

20.

Welke drie ziekten zitten in het basisvaccinatieschema en worden op latere leeftijd herhaald?

a)

Hepatitis B, influenza en meningokokken

b)

Polio, pneumokokken en HPV

c)

Mazelen, bof en rubella

d)

Tetanus, difterie en kinkhoest

21.

Wat beschrijft het concept ‘vaccinatiegeheugen’ het best?

a)

Bacterie onthoudt eerdere antibiotica

b)

Longen slaan antistoffen tijdelijk op

c)

Zenuwen reageren sneller op toxinen

d)

Immuunsysteem herkent later de ziekteverwekker

22.

Waarom is vaccinatie belangrijk voor groepsimmuniteit?

a)

Het verhoogt individuele koortsreacties

b)

Het voorkomt alle infecties volledig

c)

Het verkleint verspreiding naar kwetsbaren

d)

Het stimuleert toxineproductie van bacteriën

23.

Welke overdrachtsweg speelt een hoofdrol bij kinkhoest?

a)

Speekseldruppels bij hoesten

b)

Water via zwemmeren

c)

Contact met besmet voedsel

d)

Vectoren zoals muggen

24.

Wat is een correcte maatregel om salmonellabesmetting via voedsel te beperken?

a)

Rauw vlees vaker laten marineren

b)

Kruiden toevoegen tegen bacteriën

c)

Voldoende doorbakken en reinigen

d)

Handen alleen met water spoelen

25.

Welke uitspraak klopt over pasteurisatie van melk?

a)

Bevriezing tot onder 0 °C

b)

Langdurige verhitting boven 160 °C

c)

Korte verwarming onder 100 °C

d)

Drogen tot restvocht 0%

26.

Wat is het belangrijkste verschil tussen sterilisatie en pasteurisatie?

a)

Pasteurisatie duurt veel langer

b)

Sterilisatie bewaart smaak beter

c)

Pasteurisatie gebruikt hogere druk

d)

Sterilisatie doodt ook endosporen

27.

Welke UHT-beschrijving is correct?

a)

Dagenlang bij kamertemperatuur

b)

Enkele minuten 60–80 °C

c)

Enkele seconden 140–160 °C

d)

Urenlang 100–110 °C

28.

Welke bewaartechniek remt bacteriegroei in voedsel niet?

a)

Bewaren onder olie of azijn

b)

Koel bewaren in de koelkast

c)

Koken tot hoge temperatuur

d)

Onbedekt laten bij kamertemperatuur

29.

Wat is het doel van conserveringsmiddelen in voeding?

a)

Neutraliseren van allergenen

b)

Verbeteren van kleur en geur

c)

Verhogen van voedingswaarde

d)

Onderdrukken van bacteriegroei

30.

Welke chemische stof wordt vaak gebruikt om oppervlakken te ontsmetten in klinieken?

a)

Alcoholoplossingen

b)

Zuiver water

c)

Keukenzout

d)

Baking soda

31.

Welke soort straling wordt ingezet voor het steriliseren van ruimtes en materialen?

a)

Ioniserende straling of uv-C

b)

Infraroodstraling alleen

c)

Radiogolven laag vermogen

d)

Zichtbaar licht fel

32.

Welke combinatie van bewerkingen remt bacteriën het meest in voedselopslag?

a)

Warmte en langdurige blootstelling aan lucht

b)

Lage temperatuur en veel zuurstof

c)

Hoge pH en veel suiker

d)

Koel bewaren en zuur milieu

33.

Welke uitspraak beschrijft het basismechanisme van antibiotica het best?

a)

Ze verhogen de lichaamstemperatuur om bacteriën te doden

b)

Ze neutraliseren virussen in het bloed rechtstreeks

c)

Ze verstoren de stofwisseling van bacteriële cellen

d)

Ze stimuleren immuuncellen tot snellere deling

34.

Wat is een directe maatregel thuis om besmetting door bacteriën te vermijden?

a)

Handen wassen bij voedselhantering

b)

Altijd rauwe groenten eten

c)

Dagelijks vitamines innemen

d)

Alleen koud water gebruiken

35.

Welke richtlijn hoort NIET bij verantwoord antibioticagebruik?

a)

Maak de volledige kuur af tot het einde

b)

Volg de voorgeschreven dosering nauwkeurig

c)

Bewaar restant antibiotica voor later gebruik

d)

Contacteer de arts bij uitblijvende verbetering

36.

Wat is een gevolg van herhaald en verkeerd gebruik van antibiotica?

a)

Snellere wondgenezing bij patiënten

b)

Toename van antibioticaresistente bacteriën

c)

Minder kans op bijwerkingen bij medicijnen

d)

Sterkere werking van alle antibiotica

37.

Hoe verklein je de kans op resistentie tijdens een kuur?

a)

Stoppen zodra je je beter voelt

b)

Doseer dubbel bij koorts

c)

Maak de volledige kuur af

d)

Sla elke tweede dosis over

38.

Wat beschrijft een superbacterie het nauwkeurigst?

a)

Een bacterie die alleen in water kan leven

b)

Een bacterie die sneller groeit bij kou

c)

Een bacterie ongevoelig voor meerdere antibiotica

d)

Een bacterie die virussen kan besmetten

39.

Welke methode kan bacteriën in voedselomgeving doden om houdbaarheid te verlengen?

a)

Toevoegen van kleurstoffen aan producten

b)

Gebruik van ioniserende straling bij behandeling

c)

Verlagen van zuurstof in woonkamers

d)

Koeler serveren van bereide maaltijden

40.

Welke stelling over hygiëne in de bestrijding van bacteriën is juist?

a)

Hygiëne voorkomt alle virale ziekten

b)

Hygiëne vervangt alle conserveringsmiddelen

c)

Goede hygiëne is essentieel voor preventie

d)

Hygiëne is secundair na medicatiegebruik

41.

Welke actie onderneem je als er na enkele dagen geen verbetering optreedt tijdens antibiotica?

a)

De dokter waarschuwen en overleggen

b)

Dosering zelf verhogen zonder advies

c)

Stoppen en afwachten nog een week

d)

Antibiotica bewaren voor later gebruik

42.

Wat is het meest waarschijnlijke gevolg als bacteriën vaak met lage doses antibiotica worden blootgesteld?

a)

Snellere afsterving door zwakke dosis

b)

Geen effect door directe verdamping

c)

Ontwikkeling van ongevoeligheid bij bacteriën

d)

Verandering in virusstructuren bij mensen

43.

Welke stap komt direct na de aanhechting van een bacteriofaag aan de gastheercel?

a)

Synthese van virale eiwitten

b)

Vrijlating door lysis van cel

c)

Binnendringen van erfelijk materiaal

d)

Knopvorming van nieuwe virussen

44.

Wat gebeurt bij de stap ‘Productie van virale eiwitten en viraal erfelijk materiaal’ in de bacteriofaagcyclus?

a)

Booren door het celmembraan

b)

Binding aan membraanreceptoren

c)

Herprogrammering van de gastheercel

d)

Samengaan van capsiden en genoom

45.

Welke beschrijving past het best bij ‘Vorming van nieuwe virussen’ in een bacteriofaagcyclus?

a)

Afbraak van bacteriële wand

b)

Assemblage van capsiden met genoom

c)

Koppeling aan gastheerreceptoren

d)

Exocytose van envelopvirussen

46.

Wat is het gevolg van de laatste stap in de bacteriofaagreplicatiecyclus?

a)

Virale genen integreren blijvend

b)

Nieuwe virussen komen vrij

c)

Gastheercel herstelt volledig

d)

Receptorbinding wordt onmogelijk

47.

Welke structuur speelt een sleutelrol bij de aanhechting van een virus aan een gastheercel?

a)

Lysosomen van de cel

b)

Ribosomen in cytoplasma

c)

Mitochondria van de cel

d)

Receptoren in het celmembraan

48.

Wat omschrijft ‘binnendringen van het erfelijke materiaal’ bij fagen het best?

a)

RNA wordt vertaald tot eiwit

b)

Capsiden versmelten met kern

c)

Virale eiwitten boren een opening

d)

Gastheergenoom wordt afgebroken

49.

Wat is een mogelijke inzet van bacteriofagen in de gezondheidszorg?

a)

Versterking van bacteriële biofilms

b)

Remming van menselijke receptoren

c)

Vaccins tegen alle virussen maken

d)

Gerichte aanval op resistente bacteriën

50.

Welke weg van besmetting hoort bij kleine druppeltjes die in de lucht blijven zweven en ingeademd worden?

a)

via speeksel tijdens zoenen

b)

via ingeademde lucht door aerosolen

c)

via andere organismen zoals muggen

d)

via besmet voedsel zoals sla

51.

Welke uitspraak over antibiotica en virussen is correct?

a)

Antibiotica versterken het immuungeheugen

b)

Antibiotica doden virussen direct

c)

Antibiotica werken niet tegen virussen

d)

Antibiotica vervangen vaccins bij virale ziekten

52.

Welke besmettingsweg past het best bij het norovirus?

a)

via ingeademde lucht bij hoesten

b)

via andere organismen als vector

c)

via speeksel bij kussen

d)

via besmet voedsel of water

53.

Welke combinatie van virus en besmettingsweg klopt het meest?

a)

SARS‑CoV‑2 – via vectoren zoals muggen

b)

Griepvirus – via ingeademde lucht en druppels

c)

Herpes simplex type 2 – via besmet voedsel

d)

Zikavirus – via speeksel bij kussen

54.

Welke maatregel helpt vooral tegen besmetting via ingeademde lucht?

a)

Wondjes afdekken met pleisters

b)

Mondmasker correct dragen

c)

Rauw voedsel vermijden

d)

Handen wassen met zeep

55.

Welke besmettingsweg hoort bij HIV in de context van de mindmap?

a)

via bloed en seksueel contact

b)

via ingeademde lucht en aerosolen

c)

via andere organismen (vectoren)

d)

via besmet voedsel en water

56.

Wat is een bacteriofaag?

a)

Een schimmel die bacteriën remt

b)

Een antistof tegen virussen

c)

Een bacterie die virussen eet

d)

Een virus dat bacteriën aanvalt

57.

Welke cellen worden aangevallen door bacteriofagen?

a)

Virale deeltjes algemeen

b)

Menselijke darmcellen

c)

Bacteriële cellen specifiek

d)

Schimmelsporen divers

58.

Waarom kan faagtherapie nuttig zijn bij antibioticaresistentie?

a)

Fagen vervangen het immuunsysteem volledig

b)

Fagen genezen virale infecties primair

c)

Fagen maken antibiotica supersterk

d)

Fagen blijven werken tegen resistente bacteriën

59.

Wat is een belangrijk voordeel van faagtherapie voor de darmflora?

a)

Versterkt antibiotica breed spectrum

b)

Spaart nuttige bacteriën grotendeels

c)

Vernietigt alle darmbacteriën snel

d)

Neutraliseert alle virussen continu

60.

Welke eigenschap maakt een lage dosis faag vaak voldoende?

a)

Fagen activeren snel antistoffen

b)

Fagen doden ook schimmels passief

c)

Fagen vermeerderen zich in de bacterie

d)

Fagen blijven eeuwig in het lichaam

61.

Wat is een nadeel van faagtherapie bij acute infecties?

a)

Fagen werken alleen bij virussen

b)

Fagen zijn te breed en ongericht

c)

Fagen veroorzaken zware allergieën

d)

Zoektocht naar geschikte faag kost tijd

62.

Welke uitspraak over ziekenhuisbacteriën is correct?

a)

Ze zijn altijd één enkele soort

b)

Ze zijn vaak resistent tegen antibiotica

c)

Ze verdwijnen vanzelf na twee weken

d)

Ze zijn geen risico tijdens opname

63.

Wat illustreert de afbeelding van de faagstructuur het best?

a)

Faag maakt eigen antibiotica direct

b)

Faag injecteert DNA in bacterie

c)

Faag smelt samen met menselijke cel

d)

Faag eet bacterie mechanisch op

64.

Waarom zijn virussen geschikt om specifieke cellen binnen te dringen?

a)

Ze bewegen snel door de bloedbaan

b)

Ze hebben grotere ribosomen dan bacteriën

c)

Ze herkennen celtypes alsof ze een adres hebben

d)

Ze produceren veel ATP voor energie

65.

Welke aanpassing voorkomt dat een virale vector zich nog kan vermenigvuldigen?

a)

Toedienen van sterke antibiotica vooraf

b)

Verhogen van lichaamstemperatuur bij de patiënt

c)

Verwijderen van alle lipiden uit de cel

d)

Inactiveren van replicatiegenen in het virus

66.

Wat wordt bedoeld met een virus dat slapend aanwezig is?

a)

Het kan alleen dieren infecteren

b)

Het veroorzaakt voortdurend hoge koorts

c)

Het sterft binnen enkele uren na infectie

d)

Het blijft levenslang in het lichaam latente infectie

67.

Welke prikkels kunnen een opstoot van koortsblaasjes uitlokken bij Herpes simplex type 1?

a)

Vermoeidheid, stress, koorts

b)

Overmatig sporten, zonlicht, zout

c)

Suikerinname, cafeïne, melk

d)

Hoge luchtvochtigheid, kou, regen

68.

Vanaf wanneer ben je besmettelijk voor anderen bij koortsblaasjes?

a)

Alleen tijdens hoge koorts zonder blaasje

b)

Enkel na behandeling met antivirale crèmes

c)

Pas als ze volledig uitdrogen en verdwijnen

d)

Wanneer de blaasje opkomen en voelbaar worden

69.

Welke overdrachtsweg is expliciet genoemd voor Herpes simplex type 1?

a)

Feco-orale route via water

b)

Direct contact via speeksel

c)

Druppelinfectie via hoesten

d)

Vectoroverdracht via muggen

70.

Wat is een realistische reden dat koortsblaasjes opnieuw kunnen verschijnen?

a)

Bacteriën nemen het virus-DNA volledig over

b)

Immuunsysteem maakt geen witte bloedcellen meer

c)

Het virus blijft latent en kan reactiveren

d)

Huid verliest permanent alle keratinocyten

71.

Kijk goed naar de afbeelding. Welke cel kan een bacterie zijn?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

geen van deze

72.

Waar staan virussen in de stamboom van het leven?

a)

Virussen behoren tot de bacteriën.

b)

Virussen behoren tot de dieren.

c)

Virussen staan niet in de stamboom van het leven.

73.

Waarom?

a)

Virussen veroorzaken alleen maar ziektes.

b)

Virussen voeden zich met andere organismen.

c)

Virussen zijn geen levende organismen.

74.
Welke bloedcellen zijn onderdeel van het immuunsysteem?
a)
Witte bloedcellen
b)
Rode bloedcellen
c)
Bloedplaatjes
d)
Bloedplasma
75.

wat zijn kenmerken van een infectieziekte?

meerder antwoorden mogelijk.

a)

besmettelijk

b)

veroorzaakt door een virus of bacterie

c)

veroorzaakt door een supervirus

d)

ongeneeslijk

76.

waar of niet waar:

Bacteriën maken gebruik van een gastheercel

a)

waar

b)

niet waar

77.

antibiotica is een medicijn tegen

a)

alle infectieziekten

b)

bacteriën en virussen

c)

bacteriën

d)

virussen

78.

Welke van deze figuren kan geen virus zijn?

a)

Figuur 1

b)

Figuur 2

c)

Figuur 3

d)

Figuur 4

79.

Virussen kunnen lang overleven buiten het lichaam van een gastheer

a)

Juist

b)

Fout

80.

Het lichaam zal meestal zelf het virus bestrijden

a)

Juist

b)

Fout

81.

Door wat kan je een infectieziekte krijgen?

a)

Schimmel

b)

Virus

c)

Schimmel en een virus

d)

Bacterie

e)

Virus en een bacterie

82.

Bij een vaccinatie worden er verzwakte of dode ziekteverwekkers binnengebracht zodat je witte bloedcellen afweerstoffen gaan maken.

a)

Juist

b)

Onjuist