wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 3 Woordenschat Taal Actief GROEP 7

Total questions: 150

Worksheet time: 1hrs 15mins

Name
Class
Date
1.

Welk woord betekent een spannend en eng boek?

a)

de biografie

b)

de roman

c)

het genre

d)

de thriller

2.

Wat is een boek over het leven van iemand die echt bestaat of bestaan heeft?

a)

het detail

b)

de biografie

c)

de roman

d)

het genre

3.

Welke term past bij een boek met een verzonnen verhaal over mensen?

a)

de smokkelaar

b)

de roman

c)

de biografie

d)

de onderscheiding

4.

Wat betekent opzichtig?

a)

erg opvallen

b)

niet opvallen

c)

een klein onderdeel

d)

precies op ooghoogte

5.

Wat betekent onopvallend?

a)

iemand die helpt

b)

het niet opval

c)

erg opvallen

d)

heel gewoon

6.

Wat is een ‘detail’?

a)

een prijs voor bijzonderheid

b)

een groot geheel met veel delen

c)

een tekst met mooie letters

d)

een klein onderdeel van iets groters

7.

Wat betekent hulpvaardig?

a)

als je teleurgesteld kijkt

b)

als je een ander graag helpt

c)

als je vaak struikelt

d)

als je stiekem spullen brengt

8.

Welke beschrijving past bij beteuterd?

a)

blij, uitgelaten

b)

grappig, los

c)

boos, fel

d)

teleurgesteld, sip

9.

Wat betekent ‘spreiden’ het best?

a)

samenknijpen

b)

op elkaar leggen

c)

uit elkaar houden

d)

hardop roepen

10.

Wat is een onderscheiding?

a)

een eigenaar van een huis

b)

een bewijs dat je iets goeds hebt gedaan

c)

een korte broek met pijpen

d)

iemand die stiekem spullen vervoert

11.

Wat is ‘het lintje’ in deze context?

a)

een prijs van de koning voor iets bijzonders

b)

een onderdeel van kleding op je schouder

c)

een versiering op een medaillon

d)

een bandje dat spullen samenbindt

12.

Wat betekent ‘doodgewoon’?

a)

romantisch en dromerig

b)

nieuwsgierig meekijken

c)

erg opvallen in een groep

d)

heel gewoon, niets bijzonders

13.

Wat doet een ‘pottenkijker’?

a)

een medaillon openmaken voor een foto

b)

stiekem spullen vervoeren naar een land

c)

nieuwsgierig meekijken zonder dat je dat wilt

d)

een huis van iemand anders uitbaten

14.

Wie is de ‘smokkelaar’?

a)

iemand die veel harder praat dan anderen

b)

iemand die een huisbaas huur betaalt

c)

iemand die stiekem verboden spullen naar een ander land brengt

d)

iemand die een hanger open kan doen

15.

Wat is de ‘huisbaas’?

a)

een korte broek zonder knopen

b)

een bewijs dat je iets goeds deed

c)

iemand die stiekem spullen vervoert

d)

de eigenaar van een huis dat iemand anders huurt

16.

Wat betekent ‘vervalsen’?

a)

iets maken en anderen laten geloven dat het echt is

b)

iets uit je mouw schudden zonder moeite

c)

veel harder praten dan anderen

d)

romantisch mooier zien dan echt

17.

Wat betekent ‘iets uit je mouw schudden’?

a)

een eigenaar van een huis betalen

b)

een hanger met foto openen

c)

heel makkelijk en snel iets bedenken

d)

met moeite iets namaken

18.

Wat is ‘straatrant’ volgens de lijst?

a)

heel arm

b)

heel rijk

c)

gemiddeld

d)

romantisch

19.

Wat betekent ‘vermogend’?

a)

heel arm en weinig bezitten

b)

niets bijzonders kunnen

c)

heel rijk en veel geld hebben

d)

gewoon en alledaags

20.

Wat is een ‘dag sieraad’?

a)

een kostbaar sieraad in de schatkamer

b)

een hanger die je open kan doen

c)

een sieraad dat je dagelijks draagt

d)

een lintje van de koning

21.

Wat is ‘kunstig’?

a)

romantisch en dromerig

b)

knap gemaakt of knap gedaan

c)

heel gewoon en een beetje saai

d)

nieuwsgierig meekijken

22.

Wat betekent ‘de polonaise’ hier?

a)

een dans waarbij mensen in een rij lopen

b)

een rookwolkje boven een pan

c)

een dagversiering voor een feest

d)

een kledingstuk met plooien en lint

23.

Wat betekent ‘alledaags’?

a)

romantisch mooier dan echt

b)

beroemd en bekend kunstenaar

c)

erg kostbaar en zeldzaam

d)

heel gewoon, een beetje saai

24.

Wat is ‘de klederdracht’?

a)

een hanger die je open kan doen

b)

een rookachtig dampje

c)

een korte broek tot de knie

d)

de kleding die in een bepaalde streek heel lang gedragen werd

25.

Wat betekent ‘onafscheidelijk’?

a)

snel uit elkaar vallen

b)

bijna altijd samen, niet zonder elkaar

c)

samen een dans beginnen

d)

nieuwsgierig meekijken

26.

Wat is ‘de bezwaarlijkheid’?

a)

een rook uit de pan die prikt

b)

iets bijzonders dat veel mensen willen zien

c)

een bewijs met mooie letters

d)

een moeilijk punt of bezwaar

27.

Wat is ‘de walm’?

a)

een teken van romantiek

b)

een dikke damp die prikt

c)

een sierlijk lintje

d)

een kostbaar medaillon

28.

Wat betekent ‘je hebt gelijk’ in deze context?

a)

je praat het hoogst en het hardst

b)

je bent nieuw en onbekend

c)

jij hebt het goed en erg knap gezegd

d)

je doet alsof iets echt is

29.

Wat betekent ‘het interview’ het best?

a)

Een gesprek waarbij één vragen stelt en de ander antwoordt

b)

Een éénrichtingsgesprek met een toespraak

c)

Een debat waarin twee teams argumenteren

d)

Een discussie waarin iedereen door elkaar praat

30.

Wie is ‘de geïnterviewde’?

a)

Degene die het publiek laat stemmen

b)

Degene die vragen stelt aan anderen

c)

Degene die antwoorden geeft op vragen in een gesprek

d)

Degene die het gesprek filmt met een camera

31.

Wat is ‘formuleren’?

a)

Iets onthouden zonder te noteren

b)

Iets uitbeelden met een toneelstuk

c)

Iets in woorden zeggen of opschrijven

d)

Iets tekenen in een schetsboek

32.

Wat betekent ‘vastleggen’ in deze context?

a)

Iets kopen en bewaren in een kluis

b)

Iets bewaren door het op te schrijven of met een foto

c)

Iets repareren dat kapot is gegaan

d)

Iets uit het geheugen leren voor een toets

33.

Wat is ‘bevooroordeeld’?

a)

Je oordeel baseren op feiten en bewijs

b)

Je mening steeds aanpassen aan de situatie

c)

Van tevoren al een mening hebben over iemand

d)

Je oordeel pas vormen na luisteren

34.

Kies de beste betekenis van ‘vermoedelijk’.

a)

Waarschijnlijk, als je denkt dat iets zo is

b)

Absoluut zeker en vaststaand

c)

Onbelangrijk en niet de moeite waard

d)

Onmogelijk en nooit voorkomend

35.

Wat betekent ‘de waardering’?

a)

Als je iets snel weer vergeet

b)

Als je iets goed of belangrijk vindt

c)

Als je iets geheim wilt houden

d)

Als je iets totaal onbelangrijk vindt

36.

Wat betekent ‘resoluut’?

a)

Vastberaden, heel zeker van je zaak

b)

Twijfelend en aarzelend reageren

c)

Voorzichtig en langzaam beslissen

d)

Onverschillig en zonder mening blijven

37.

Wat betekent ‘achter de schermen’?

a)

Wat je normaal niet ziet maar wel gebeurt

b)

Wat je in een winkel kunt kopen

c)

Wat je op het podium kunt zien

d)

Wat je in een boek kunt lezen

38.

Wat betekent ‘op eigen houtje’?

a)

Zonder hulp of toestemming van anderen iets doen

b)

Samen met een grote groep werken

c)

Altijd met je beste vriend samenwerken

d)

Alleen iets plannen maar niet uitvoeren

39.

Wat is ‘opbloeien’?

a)

Iets nieuws beginnen zonder idee

b)

Iets tot iets moois laten komen

c)

Iets uitstellen tot het niet meer kan

d)

Iets kapot maken door te veel doen

40.

Wat betekent ‘respecteren’?

a)

Veel tijd nemen om iets uit te stellen

b)

Veel kritiek op iets of iemand hebben

c)

Veel waardering voor iets of iemand hebben

d)

Veel regels opleggen aan anderen

41.

Wat is ‘minachten’?

a)

Iemand geduldig uitleg geven en helpen

b)

Iemand eerlijk prijzen voor een prestatie

c)

Iemand weinig waardering geven of neer kijken

d)

Iemand vriendelijk uitnodigen voor een gesprek

42.

Wat betekent ‘weerloos’?

a)

Als je een groep kunt leiden en sturen

b)

Als je iemand goed kunt overtuigen

c)

Als je je goed kunt verdedigen tegen iets

d)

Als je niets tegen iets of iemand kunt

43.

Wat betekent ‘weerbaar’?

a)

Als je alleen met hulp kunt reageren

b)

Als je altijd de strijd ontwijkt

c)

Als je je kunt verdedigen tegen iets of iemand

d)

Als je niets kunt doen tegen onrecht

44.

Wat betekent ‘afkomstig zijn’?

a)

Bedenken waar iemand naartoe gaat

b)

Aangeven waar iemand vandaan komt

c)

Uitleggen wat iemand graag eet

d)

Weten waar iemand nu woont

45.

Wat is ‘de gave’ volgens de woordenlijst?

a)

Het cadeau dat iemand koopt

b)

Het salaris dat iemand krijgt

c)

Het talent dat iemand heeft

d)

Het beroep dat iemand kiest

46.

Wat betekent ‘ontroeren’?

a)

Iemands idee bekritiseren met argumenten

b)

Iemands gevoel raken met iets moois of verdrietigs

c)

Iemands mening veranderen met een debat

d)

Iemands plannen verstoren met lawaai

47.

Wat betekent ‘beamen’?

a)

Veranderen wat gezegd is in een verhaal

b)

Zeggen dat iets klopt of dat je het met iets eens bent

c)

Twijfelen of iets waar is en wachten

d)

Ontkennen dat iets klopt met feiten

48.

Wat is ‘het interieur’?

a)

De ingang van een huis

b)

De binnenkant van een ruimte

c)

De buitenkant van een gebouw

d)

De omgeving rond een plein

49.

Wat betekent ‘de historie’?

a)

De toekomst van een stad

b)

De geschiedenis van iets

c)

De plattegrond van een wijk

d)

De regels van een sport

50.

Wat betekent ‘leven van de wind’?

a)

Leven zonder geld te verdienen

b)

Leven dankzij hulp van buren

c)

Leven met heel veel spaargeld

d)

Leven door iedere dag te gokken

51.

Wat betekent ‘openhartig’?

a)

Als je geheimen van anderen doorvertelt

b)

Als je nooit iets over jezelf zegt

c)

Als je alleen schriftelijk durft te praten

d)

Als je makkelijk over jezelf vertelt

52.

Wat betekent ‘atletisch’?

a)

Slim zoals een professor

b)

Rustig zoals een monnik

c)

Creatief zoals een kunstenaar

d)

Gespierd zoals een atleet

53.

Wat betekent ‘het niveau’?

a)

De afspraak met de leraar

b)

De kwaliteit van wat je weet of kunt

c)

De plek waar je oefent sport

d)

De tijd die je leert per week

54.

Wat betekent ‘de tactiek’?

a)

Een plan dat je helpt een doel te bereiken

b)

Een regel die iedereen moet volgen

c)

Een fout die vaak voorkomt bij sport

d)

Een advies dat je niet hoeft te volgen

55.

Wat betekent ‘de voorbereiding’?

a)

Het nablijven na een training

b)

Het vieren na een wedstrijd

c)

Het oefenen en plannen vóór je iets doet

d)

Het herstellen na een blessure

56.

Wat betekent ‘de beperking’?

a)

Iets wat extra veel tijd kost

b)

Iets wat altijd heel snel lukt

c)

Iets wat iedereen perfect kan

d)

Iets wat niet of minder makkelijk kan

57.

Wat betekent ‘bijwonen’?

a)

Erbij zijn

b)

Ervoor betalen

c)

Ervan dromen

d)

Ertegen protesteren

58.

Wat betekent de sfeer?

a)

een plek in de woestijn

b)

een verdrietig gevoel

c)

het gevolg van een keuze

d)

de stemming van een groep

59.

Welke woorden passen bij een ontspannen sfeer?

a)

relaxed

b)

knus

c)

desnoods

d)

dubieus

60.

Het succes betekent…

a)

een logisch gevolg

b)

een vrolijk gezicht trekken

c)

iets wat goed is gegaan

d)

een onderwerp van een tekst

61.

Wat is de mislukking?

a)

het publiek bij een concert

b)

het midden van Nederland

c)

iets wat fout is gegaan

d)

een prettig gevoel

62.

Centraal betekent…

a)

in het midden

b)

heel onbelangrijk

c)

erg verdrietig

d)

aan de zijkant

63.

Welke betekenis heeft weergeven?

a)

laten zien

b)

proberen iets te bereiken

c)

ergens spijt van hebben

d)

iemand bewonderen

64.

Desnoods betekent…

a)

heel aangenaam zijn

b)

op een plek in de woestijn

c)

als het echt nodig is

d)

rustig en bescheiden

65.

Trachten is…

a)

zachtjes huilen van verdriet

b)

iemand met bewondering bekijken

c)

een gevolg van een beslissing

d)

proberen, ergens je best voor doen

66.

Wat is het ontzag?

a)

de bewondering

b)

de woede

c)

de twijfel

d)

de opluchting

67.

Wat betekent te binnen schieten?

a)

je plotseling iets herinneren

b)

een plek verlaten

c)

met iemand meelopen

d)

een klein cadeautje geven

68.

In harmonie leven betekent…

a)

goed samenleven

b)

een kick krijgen

c)

zwijmelen bij een liedje

d)

iemand proberen te overtuigen

69.

Welke woorden horen bij 'ingetogen'?

a)

arrogant

b)

bescheiden

c)

rustig

d)

brutaal

70.

Ondervinden betekent…

a)

op iemand verliefd zijn

b)

iemand ergens op aanspreken

c)

meemaken, merken

d)

een onderwerp centraal zetten

71.

Dubieus betekent…

a)

twijfelachtig, vermoedelijk niet goed

b)

moeilijk maar haalbaar

c)

zeker en bewezen correct

d)

erg grappig en luchtig

72.

Je neus ergens in steken betekent…

a)

een geheim vertellen

b)

je ergens mee bemoeien

c)

iets heel snel opruimen

d)

iemand laten schrikken

73.

Het concert is…

a)

een tentoonstelling met kunst

b)

een sportwedstrijd in een hal

c)

een feest met veel eten

d)

een muziekuitvoering voor publiek

74.

Het orkest is…

a)

een logisch gevolg van een keuze

b)

een groep mensen die muziek maakt

c)

een belangrijk deel van een boek

d)

een plek in de woestijn met bomen

75.

Het aspect is…

a)

een onderdeel van iets

b)

een wonderlijk natuurverschijnsel

c)

een plek waar muziek klinkt

d)

een prettig gevoel door winnen

76.

Inspelen op betekent…

a)

streng verbieden

b)

ver weg dromen

c)

vooruit lopen

d)

reageren op

77.

Wat is evalueren?

a)

Iets met veel bewondering aanprijzen

b)

Dingen een plek geven volgens plan

c)

Een product in stukken opdelen voor overzicht

d)

Iets achteraf bespreken, wat we ervan leerden

78.

Welke omschrijving past bij de recensie?

a)

Een verslag met puntgewijze opsomming

b)

Een bespreking met mening over een boek

c)

Een lijst met statische en dynamische woorden

d)

Een herhaling van wat op tv is besproken

79.

Wat betekent verguisd?

a)

Heel erg bewonderd en geliefd

b)

Onverwacht hoger gescoord dan gedacht

c)

Heel slecht over iemand denken en praten

d)

In het bijzonder gekozen en geprezen

80.

Wat is de stijl in kunst of schrijven?

a)

De manier waarop iemand iets doet

b)

De inhoud van wat iemand vertelt

c)

De lengte van een geschreven tekst

d)

De plaats waar iets wordt getoond

81.

Wat is opdelen?

a)

Iets zorgvuldig onderzoeken en beoordelen

b)

Iets vrij snel binnen de kortste keren doen

c)

Iets in gelijke delen verdelen in stukken

d)

Iets evalueren en bespreken na afloop

82.

Wat betekent indelen?

a)

Dingen een eigen plek geven

b)

Iets punt voor punt opschrijven

c)

Iets snel en onverwacht doen

d)

Iets binnen een stijl beschrijven

83.

Wat betekent zowaar?

a)

Vervelend, in je nadeel en lastig

b)

Nuttig, zoals iemand wil horen

c)

Onverwacht, terwijl je het niet verwachtte

d)

Heel gewoon en gebruikelijk

84.

Wat betekent puntgewijs?

a)

Ongeveer, niet exact

b)

Binnen de kortste keren

c)

In één oogopslag zien

d)

Punt voor punt, opgesomd

85.

Wat betekent keuren?

a)

Iets of iemand zorgvuldig onderzoeken en beoordelen

b)

Iets onverwachts doen zonder voorbereiding

c)

Iets netjes afwerken en afronden

d)

Iets bewonderen en altijd adoreren

86.

Wat betekent inventief?

a)

Je bent goed in het bedenken van oplossingen

b)

Je bent goed in het netjes afwerken

c)

Je bent goed in het voorzichtig observeren

d)

Je bent goed in het groots vertellen

87.

Wat betekent innovatief?

a)

Je verdeelt ideeën puntgewijs

b)

Je herhaalt bestaande ideeën vaak

c)

Je bedenkt en maakt nieuwe ideeën

d)

Je keurt ideeën zorgvuldig

88.

Wat betekent dynamisch?

a)

In beweging, met energie

b)

In de afwerking heel netjes

c)

In het bijzonder zeer speciaal

d)

Niet in beweging, stilstaand

89.

Wat betekent grondig?

a)

Heel erg luid, met bravoure

b)

Heel erg vrolijk, enthousiast

c)

Heel erg snel, zonder detail

d)

Heel erg goed, zeer zorgvuldig

90.

Wat is ‘de smaakpapil’?

a)

een bobbeltje op je tong

b)

een sterk kruidig sausje

c)

een zeldzame smaaksoort

d)

een sap uit de keel

91.

Wat betekent ‘de creativiteit’ het best?

a)

kennis van wereldgeschiedenis

b)

vaardigheid om netjes te schrijven

c)

vermogen om snel te rennen

d)

talent om iets nieuws te bedenken

92.

Wat is ‘de asperge’ volgens de woordenlijst?

a)

een witte stengel groente

b)

een dikke groene boon

c)

een zachte bladgroente

d)

een kleine ronde kool

93.

Wat betekent ‘met name’?

a)

daarna

b)

vooral

c)

vanzelf

d)

tegenover

94.

Wat is ‘het aanbod’?

a)

iets wat je kunt krijgen

b)

een plan om te reizen

c)

een strenge regel op school

d)

een soort verpakte groente

95.

Wat is ‘het voornemen’?

a)

een fout in de uitleg

b)

een geheime aanwijzing

c)

een grote tegenvaller

d)

een plan dat je wilt doen

96.

Wat is ‘het risico’?

a)

een vaste gewoonte

b)

een nieuwe regel

c)

een kleine beloning

d)

kans dat iets misgaat

97.

Wat betekent ‘ruig’ het best?

a)

koud

b)

wild

c)

vlak

d)

droog

98.

Wat betekent ‘duizelingwekkend’?

a)

zo klein dat je het mist

b)

zo groot dat je duizelig wordt

c)

zo luid dat je schrikt

d)

zo snel dat je struikelt

99.

Wat betekent ‘zich bewust zijn van’?

a)

blij zijn met iets

b)

bang zijn voor iets

c)

boos worden om iets

d)

weten dat iets zo is

100.

Wat betekent ‘zinvol’?

a)

grappig, als het je laat lachen

b)

saai, als het lang duurt

c)

moeilijk, als het veel tijd kost

d)

nuttig, als iets nut heeft

101.

Wat betekent ‘het hoofd over iets buigen’?

a)

een oplossing direct vinden

b)

een moeilijke taak ontwijken

c)

iemand streng toespreken

d)

lang nadenken over iets

102.

Wat betekent ‘kruipen’ hier?

a)

met grote sprongen lopen

b)

stil blijven zitten

c)

snel hard wegrennen

d)

op handen en knieën gaan

103.

Wat betekent ‘de bon’?

a)

bewijs dat je hebt betaald

b)

etiket op een verpakking

c)

kaartje voor een treinreis

d)

lijst met boodschappen

104.

Wat betekent ‘importeren’?

a)

iets voor altijd bewaren

b)

iets gratis weggeven

c)

iets uit je land sturen

d)

iets in je land brengen

105.

Wat betekent ‘exporteren’?

a)

iets naar het buitenland sturen

b)

iets uit de winkel terughalen

c)

iets in het magazijn bewaren

d)

iets voor jezelf houden

106.

Wat betekent ‘anoniem’?

a)

met schuiladres

b)

zonder naam

c)

met eigen naam

d)

met geheime code

107.

Wat is ‘de expositie’?

a)

een sporttoernooi

b)

een muziekles

c)

een kookwedstrijd

d)

een tentoonstelling

108.

Wat is ‘het object’?

a)

een handeling, een actie

b)

een moeilijke vraag

c)

een plek, een locatie

d)

het voorwerp, het ding

109.

Wat betekent ‘de rage’?

a)

een gevaarlijke uitdaging

b)

een goedkope koop

c)

iets erg in de mode

d)

een onbekende gewoonte

110.

Wat betekent ‘aangezien’?

a)

hoewel

b)

nadat

c)

zodat

d)

omdat

111.

Wat doet ‘de criticus’?

a)

vermeldt prijzen bij verkoop

b)

geeft mening over kunst

c)

beveiligt werken in museum

d)

legt regels op in de klas

112.

Wat betekent ‘tentoonstellen’?

a)

iets laten zien

b)

iets verstoppen

c)

iets weggooien

d)

iets doorverkopen

113.

Wat betekent ‘je kunt met een bon spelen’?

a)

je mag gratis een spel meenemen

b)

je krijgt toegang tot een spel

c)

je moet een spel terugbrengen

d)

je verliest de bon na het spel

114.

Welke zijn voorbeelden van handelswoorden?

a)

de opbrengst

b)

de criticus

c)

exporteren

d)

importeren

115.

Welke woorden hebben te maken met plannen of intenties?

a)

het voornemen

b)

realiseren

c)

tentoonstellen

d)

accepteren

116.

Welke woorden gaan over sociale invloed?

a)

aanprijzen

b)

bespotten

c)

duizelingwekkend

d)

royaal

117.

Wat betekent stemmen in een vergadering?

a)

De voorzitter kiezen voor de groep

b)

Laten weten of je voor of tegen iets bent

c)

Een voorstel uitwerken met details

d)

Notulen schrijven van het gesprek

118.

Welke groep is de meerderheid?

a)

De grootste groep van het geheel

b)

De kleinste groep van het geheel

c)

De groep met een aanstelling

d)

De groep die notulen schrijft

119.

Wat doet de voorzitter tijdens een vergadering?

a)

Zorgt voor uitnodigingen voor iedereen

b)

Regelt alles wat met geld te maken heeft

c)

Maakt het verslag en leest de notulen voor

d)

Leidt de vergadering en is hoofd van het bestuur

120.

Wie regelt wat met geld te maken heeft?

a)

De penningmeester

b)

De getuige

c)

De wethouder

d)

De voorzitter

121.

Wat houdt democratisch in?

a)

Als de penningmeester het besluit neemt

b)

Als de notulen de regels bepalen

c)

Als alleen de voorzitter beslist

d)

Als iedereen mag meebeslissen

122.

Wie bestuurt samen met de burgemeester een gemeente?

a)

De penningmeester

b)

De secretaris

c)

De wethouder

d)

De getuige

123.

Wat zijn notulen?

a)

Een formeel verzoek aan het bestuur

b)

Een democratische stemming

c)

Een geschreven verslag van wat er is gezegd

d)

Een aanstelling voor een baan of functie

124.

Wat betekent inschakelen?

a)

Afzonderlijk werken zonder overleg

b)

Een alternatief kiezen voor een plan

c)

Erbij halen om te helpen

d)

Een voorstel afwijzen met argumenten

125.

Wat betekent het verzoek?

a)

Een officiële stemming

b)

Iets beleefd vragen

c)

Een getuigenis geven

d)

Een aanstelling krijgen

126.

Wat betekent suggereren in een overleg?

a)

De notulen afsluiten

b)

Een voorstel doen

c)

De stemming tellen

d)

De voorzitter kiezen

127.

Welke opties beschrijven formele communicatie in een overleg?

a)

De notulen van de vergadering

b)

Het verzoek aan het bestuur

c)

De inspraak van bewoners

d)

Het inschakelen van hulp

128.

‘verzamelen’ betekent vooral…

a)

fouten verbeteren in een tekst

b)

informatie vergaren voor een taak

c)

geld uitgeven aan dure spullen

d)

meningen delen met vrienden

129.

Wat betekent ‘het gaat van kwaad tot erger’?

a)

iets verdwijnt vanzelf

b)

iets verbetert heel snel

c)

iets blijft precies hetzelfde

d)

iets wordt steeds slechter

130.

Wat betekent ‘vermaard’?

a)

beroemd en bekend om talent

b)

verlegen en onbekend bij publiek

c)

nieuw en onervaren in vak

d)

streng en bang voor kritiek

131.

Wat betekent ‘de concurrentie’?

a)

anderen die hetzelfde doen en beter willen zijn

b)

leraren die cijfers geven aan leerlingen

c)

burgers die samen regels maken

d)

vrienden die elkaar altijd helpen

132.

Wat is ‘de oorsprong’?

a)

het plan dat je wilt uitvoeren

b)

het punt waar iets begint

c)

het spel dat je wilt spelen

d)

het doel waar je naartoe gaat

133.

Wat doet ‘de politicus’?

a)

iemand die een land of stad bestuurt

b)

iemand die schilderijen maakt

c)

iemand die sporters traint

d)

iemand die zangers begeleidt

134.

Wat is een werktekening in techniek?

a)

Een tekening waarop staat hoe iets in elkaar zit

b)

Een schets met losse ideeën

c)

Een lijst met benodigde materialen

d)

Een foto van het eindproduct

135.

Wat beschrijft de dwarsdoorsnede het beste?

a)

De kleur van het oppervlak

b)

Het vlak waarlangs iets doormidden is gesneden

c)

De bovenkant van een object

d)

De buitenste lijn van een figuur

136.

Wie is de producent?

a)

Iemand die iets koopt

b)

Iemand die een product maakt om te verkopen

c)

Iemand die reclame maakt

d)

Iemand die een winkel opent

137.

Welke rol heeft de consument?

a)

Produceren van goederen

b)

Ontwerpen van artikelen

c)

Kopen of gebruiken van artikelen

d)

Verzenden van producten

138.

Welke uitspraak past bij overwintern?

a)

In het voorjaar zaden planten

b)

Ergens de winter doorbrengen

c)

In de herfst oogsten

d)

Een warme plek zoeken voor de zomer

139.

Wat betekent secuur?

a)

Groot en zwaar

b)

Precies en zorgvuldig

c)

Ruw en sterk

d)

Snel en slordig

140.

Wat is construeren?

a)

Iets meten

b)

Iets verven

c)

Iets in elkaar zetten

d)

Iets afbreken

141.

Welke maat krijg je bij lengte × breedte van een rechthoek?

a)

De oppervlakte

b)

De hoogte

c)

De omtrek

d)

De dwarsdoorsnede

142.

Wat is een patroon?

a)

Een versiering van vormen die zich herhalen

b)

Een lijst met aanwijzingen

c)

Een enkele tekening

d)

Een fout in de constructie

143.

Wat betekent variëren?

a)

Afwisselen

b)

Nauwkeurig nameten

c)

Alles hetzelfde houden

d)

Iets vergroten

144.

Wat betekent transpireren?

a)

Water drinken

b)

Zweet verliezen

c)

Rustig slapen

d)

Diep ademhalen

145.

Wat betekent continu werken?

a)

Zonder onderbreking, de hele tijd

b)

Alleen met een team

c)

Met veel pauzes

d)

Alleen ’s ochtends

146.

Wat betekent ‘iets onder handen nemen’?

a)

Iets bekijken

b)

Iets opbergen

c)

Iets aanpakken

d)

Iets vermijden

147.

Wat is een concept?

a)

Een schets van de verpakking

b)

Een strak plan dat vastligt

c)

Een plan van wat je wilt maken

d)

Een lijst met materialen

148.

Wat is ‘de eenzaamheid’?

a)

Altijd samen zijn

b)

Het gevoel dat je alleen bent

c)

Veel vrienden hebben

d)

Een drukke omgeving

149.

Wat betekent ‘het ommetje’?

a)

Een snelle sprint

b)

Een lange reis

c)

Een korte wandeling

d)

Een rondje fietsen

150.

Wat betekent ‘luidruchtig’?

a)

Met fluisterstem

b)

Zonder geluid

c)

Met zachte muziek

d)

Met veel lawaai