Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Hoofdstuk 3 energiebronnen

Total questions: 23

Worksheet time: 26mins

Name
Class
Date
1.

3.1 Wat is geen fossiele brandstof?

a)

Aardolie

b)

Aardgas

c)

Steenkool

d)

Windmolens

2.

3.1 Welke van de onderstaande uitspraken is onjuist?

a)

Bij het opwekken van kernenergie komt radioactiviteit vrij

b)

Steenkool is in de wereld meestal makkelijker te winnen dan aardolie

c)

Uit aardolie wordt kerosine gemaakt

d)

Aardgas ontstaat uit plantenresten

3.

3.1 Bekijk de afbeelding.

Welke twee uitspraken over deze figuur zijn waar?

a)

Na de Tweede Wereldoorlog neemt het energieverbruik in Nederland toe.

b)

Rond 1960 werd het aardgasveld in Groningen ontdekt.

c)

Op de letter A in de legenda moet energiebron aardolie staan.

d)

Op de letter B in de legenda moet energiebron duurzame energie staan.

4.

3.1 Bekijk de bron. De stijgende vraag naar energie in Frankrijk wordt opgevangen door twee energiebronnen. Welke zijn dat?

a)
aardgas
b)

kernenergie

c)

waterkracht

d)
aardolie
5.

3.1 Twee stellingen over Frankrijk:

l In Frankrijk wordt meer energie geproduceerd dan in Nederland

II Het grootste deel van de elektriciteit in Frankrijk is afkomstig van kerncentrales

a)

l is juist en ll is onjuist

b)

l is onjuist en ll is juist

c)

Allebei juist

d)

Allebei onjuist

6.

Welke van de volgende is geen fossiele brandstof?

a)

Steenkool

b)

Aardolie

c)

Zonne-energie

d)

Aardgas

7.

Wat zijn hernieuwbare energiebronnen?

a)

Energiebronnen die opraken

b)

Energiebronnen die niet opraaken

c)

Energiebronnen die schadelijk zijn voor het milieu

d)

Energiebronnen die moeilijk winbaar zijn

8.

Wat is een voorbeeld van een uitputbare energiebron?

a)

Stromend water

b)

Zon

c)

Wind

d)

Aardgas

9.

Wat gebeurt er bij de winning van fossiele brandstoffen?

a)

Er komt geen vervuiling vrij

b)

Er komt CO2 vrij

c)

Er komt alleen water vrij

d)

Er komt alleen zuurstof vrij

10.

Wat is een nadeel van hernieuwbare energie?

a)

Het is moeilijk op te slaan

b)

Het is altijd beschikbaar

c)

Het is schadelijk voor het milieu

d)

Het is goedkoop

11.

Wat is de rol van biomassa in energieopwekking?

a)

Het is een fossiele brandstof

b)

Het is een hernieuwbare energiebron

c)

Het is een secundaire energiebron

d)

Het is een uitputbare energiebron

12.

Wat is de belangrijkste reden voor de stijging van het energieverbruik?

a)

Bevolkingsgroei

b)

Minder gebruik van fossiele brandstoffen

c)

Afname van de welvaart

d)

Toename van hernieuwbare energiebronnen

13.

Wat is de impact van fossiele brandstoffen op het milieu?

a)

Verminderde CO2-uitstoot

b)

Verhoogde biodiversiteit

c)

Vervuiling en klimaatverandering

d)

Geen impact

14.

Wat is een kenmerk van steenkool?

a)

Het is een hernieuwbare energiebron

b)

Het is een secundaire energiebron

c)

Het is gevormd uit plantenresten

d)

Het is altijd makkelijk winbaar

15.

Wat is een voordeel van duurzame energie?

a)

Het veroorzaakt veel vervuiling

b)

Het is onbeperkt beschikbaar

c)

Het is goedkoop

d)

Het is moeilijk te produceren

16.

Welk begrip past bij de onderstaande omschrijving?

'Een fabriek waar aardolie geschikt wordt gemaakt voor verder gebruik'

(a)  

17.

Bekijk de afbeelding

Welke afkorting hoort bij vloeibaar aardgas?

(a)  

18.

Waar liggen de meeste steden in Brazilië?

a)

Zuidoosten

b)

Noordoosten

c)

Zuidwesten

d)

Midden van Brazilië

19.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving:

Een brandstof gewonnen uit suiker die in planten zit.

(a)  

20.

Welk begrip past bij het deel dat is ondergelopen door water?

(a)  

21.

Welke dimensie hoort bij de onderstaande zin:

Doordat bedrijven veel grondstoffen willen winnen in de Amazone gaat er veel bos verloren

a)

Economisch

b)

Sociaal-cultureel

c)

Natuurlijk

d)

Politiek

22.

Welke dimensie hoort bij de onderstaande zin:

De bouw van een stuwdam zorgde ervoor dat de inheemse bewoners minder woonoppervlakte hebben

a)

Economisch

b)

Sociaal-cultureel

c)

Natuurlijk

d)

Politiek

23.

Welk begrip past het beste bij de onderstaande omschrijving?
Het in bezit nemen van een gebied

a)

Kolonisatie

b)

Inundatie

c)

Mensenrechten

d)

Concurrentie om de ruimte