wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Bewegen – Toets A

Total questions: 27

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.

Je kunt een beweging op de foto vastleggen door met een speciale lamp meerdere keren te belichten. Omcirkel de juiste letter. Hoe heet zo’n lamp?

a)

een flitslamp

b)

een SL-lamp

c)

een stroboscooplamp

d)

een video-opnamelamp

2.

Fleur woont vlak bij school. In vijf minuten fietst ze van huis naar school. De afstand is 1,751{,}75 km. Gebruik de SPA-methode. Hoeveel seconden doet ze erover om naar school te fietsen?

a)

240240 s

b)

300300 s

c)

350350 s

d)

375375 s

3.

Fleur woont vlak bij school. In vijf minuten fietst ze van huis naar school. De afstand is 1,751{,}75 km. Gebruik de SPA-methode. Wat is haar gemiddelde snelheid in m/s?

a)

4,24{,}2 m/s

b)

5,85{,}8 m/s

c)

7,07{,}0 m/s

d)

8,38{,}3 m/s

4.

Fleur woont vlak bij school. In vijf minuten fietst ze van huis naar school. De afstand is 1,751{,}75 km. Gebruik de SPA-methode. Reken deze snelheid om naar km/h.

a)

1818 km/h

b)

2020 km/h

c)

2121 km/h

d)

2424 km/h

5.

Jaro rijdt op zijn scooter. Hij is moe, waardoor zijn reactietijd langer is dan normaal. Omcirkel de juiste letter. Wat gebeurt er dan met de reactieafstand, de remweg en de stopafstand?

a)

De reactieafstand en de remweg worden langer; de stopafstand blijft gelijk.

b)

De reactieafstand en de stopafstand worden langer; de remweg blijft gelijk.

c)

De reactieafstand wordt langer; de remweg en de stopafstand blijven gelijk.

d)

De remweg en de stopafstand worden langer; de reactieafstand blijft gelijk.

6.

In figuur 1 zie je het afstand-tijddiagram van een fietstocht. Zet een 1 in de grafiek op de momenten dat de beweging van de fiets vertraagd waren. Kies alle juiste tijdsintervallen.

a)

0,00,50{,}0\text{–}0{,}5 h

b)

0,51,20{,}5\text{–}1{,}2 h

c)

1,22,01{,}2\text{–}2{,}0 h

d)

2,02,32{,}0\text{–}2{,}3 h

e)

2,32,52{,}3\text{–}2{,}5 h

7.

In figuur 1 zie je het afstand-tijddiagram van een fietstocht. Zet een 2 in de grafiek op de momenten dat de beweging van de fiets versneld waren. Kies alle juiste tijdsintervallen.

a)

0,00,50{,}0\text{–}0{,}5 h

b)

0,51,20{,}5\text{–}1{,}2 h

c)

1,22,01{,}2\text{–}2{,}0 h

d)

2,02,32{,}0\text{–}2{,}3 h

e)

2,32,52{,}3\text{–}2{,}5 h

8.

In figuur 1 zie je het afstand-tijddiagram van een fietstocht. Zet een 3 in de grafiek op de momenten dat de beweging van de fiets eenparig waren. Kies alle juiste tijdsintervallen.

a)

0,00,50{,}0\text{–}0{,}5 h

b)

0,51,20{,}5\text{–}1{,}2 h

c)

1,22,01{,}2\text{–}2{,}0 h

d)

2,02,32{,}0\text{–}2{,}3 h

e)

2,32,52{,}3\text{–}2{,}5 h

9.

In figuur 2 zie je een foto waarop een beweging is vastgelegd door meerdere keren te flitsen. Tussen elke flits zit 0,020{,}02 s. Hoeveel tijd zit er tussen het eerste en het laatste beeldje? Omcirkel de juiste letter.

a)

0,020{,}02 s

b)

0,080{,}08 s

c)

0,100{,}10 s

d)

0,120{,}12 s

10.

In figuur 3 zie je een stroboscopische foto van een vallende bal. De tijd tussen de lichtflitsen is 0,040{,}04 s. Hoeveel keer heeft de lamp geflitst?

a)

88 keer

b)

99 keer

c)

1010 keer

d)

1111 keer

11.

In figuur 3 zie je een stroboscopische foto van een vallende bal. De tijd tussen de lichtflitsen is 0,040{,}04 s. Hoeveel tijd zit er tussen het eerste en het laatste beeldje van de bal?

a)

0,320{,}32 s

b)

0,360{,}36 s

c)

0,400{,}40 s

d)

0,440{,}44 s

12.

In figuur 3 zie je een stroboscopische foto van een vallende bal. De tijd tussen de lichtflitsen is 0,040{,}04 s. Waar bewoog de bal het snelst?

a)

bovenaan de reeks

b)

in het middendeel van de reeks

c)

onderaan de reeks

d)

de snelheid was overal gelijk

13.

Gebruik bij deze vraag een ruitblad. Zet je naam op het ruitblad. Tabel 1 is een afstand-tijdtabel van een optrekkende auto. Wat voor soort beweging is dit?

a)

eenparige beweging (constante snelheid)

b)

eenparig versnelde beweging

c)

eenparig vertraagde beweging

d)

willekeurige beweging

14.

In figuur 4 zie je een afstand-tijddiagram met een fout erin. Wat is er fout aan het diagram? Omcirkel de juiste letter.

a)

De eenheden kloppen niet.

b)

De horizontale as en de verticale as zijn verwisseld.

c)

De schaalverdeling langs de afstand-as klopt niet.

d)

De schaalverdeling langs de tijd-as klopt niet.

15.

Een motorrijder botst met zijn motor tegen een boom. Hij heeft niet geremd. Op het moment van de botsing rijdt hij 4040 km/uur. Gelukkig overleeft de motorrijder het ongeluk doordat hij een helm draagt. In figuur 5 zie je een doorsnede van zijn helm. De schuimlaag in de helm is 22 cm dik. De schuimlaag in de helm beschermt het hoofd van de motorrijder. Welke afstand wordt door de schuimlaag groter: de reactieafstand, de stopafstand of de remweg?

a)

reactieafstand

b)

stopafstand

c)

remweg

d)

geen van deze afstanden

16.

Een motorrijder botst met zijn motor tegen een boom. Hij heeft niet geremd. Op het moment van de botsing rijdt hij 4040 km/uur. Wat is de lengte van de reactieafstand bij deze botsing?

a)

00 m

b)

22 cm

c)

4040 km

d)

22 m

17.

Een motorrijder botst met zijn motor tegen een boom. Hij heeft niet geremd. In figuur 5 zie je een doorsnede van zijn helm. Wat is de stopafstand van het hoofd van de motorrijder?

a)

0,020{,}02 m

b)

0,20{,}2 m

c)

22 m

d)

0,0020{,}002 m

18.

Uitspraak 1: ‘Als de massa groter wordt, dan wordt de stopafstand ook groter.’ Uitspraak 2: ‘Als de remkracht groter wordt, dan wordt de stopafstand ook groter.’ Welke uitspraak is juist? Omcirkel de juiste letter.

a)

Geen van beide uitspraken is juist.

b)

Alleen uitspraak 1 is juist.

c)

Alleen uitspraak 2 is juist.

d)

Uitspraak 1 en 2 zijn beide juist.

19.

Welke twee afstanden bepalen de stopafstand van een auto? Kies alle juiste opties.

a)

reactieafstand

b)

remweg

c)

zichtafstand

d)

volgafstand

20.

In figuur 6 zie je een stroboscopische foto van een bal die naar beneden rolt. Tussen twee beeldjes zit 0,5 s. Timo heeft een aantal punten in een afstand‑tijddiagram ingetekend (figuur 7). Welk punt heeft hij verkeerd in het diagram gezet? Kies de juiste letter.

a)

punt A

b)

punt B

c)

punt C

d)

punt D

21.

Een marathon is 40,195 km lang. De snelste renners lopen deze afstand in twee uur en zes minuten. Wat is de gemiddelde snelheid in km/h van een renner die de marathon loopt in twee uur en zes minuten? Rond af op twee cijfers achter de komma.

a)

17,20 km/h

b)

18,50 km/h

c)

19,14 km/h

d)

20,10 km/h

22.

In figuur 8 zie je een afstand‑tijddiagram van een schaatstocht. Wat is de totale afstand die de schaatser heeft afgelegd?

a)

32 km

b)

45 km

c)

55 km

d)

60 km

23.

In figuur 8 zie je een afstand‑tijddiagram van een schaatstocht. Hoelang heeft de schaatser daarover gedaan?

a)

1,5 h

b)

2,0 h

c)

2,5 h

d)

3,0 h

24.

In figuur 8 zie je een afstand‑tijddiagram van een schaatstocht. Wat was de gemiddelde snelheid van de schaatser?

a)

18 km/h

b)

22 km/h

c)

25 km/h

d)

30 km/h

25.

Tijdens de tocht heeft de schaatser twee keer gerust. Kies alle tijdsintervallen waarin volgens figuur 8 de grafiek horizontaal is (rust).

a)

tussen 0,3 en 0,5 h

b)

tussen 0,8 en 0,9 h

c)

tussen 1,0 en 1,3 h

d)

tussen 1,8 en 2,0 h

26.

Rowan loopt 4,5 uur met een snelheid van 6 km/h. Hoe ver heeft Rowan gelopen? Kies de juiste letter.

a)

1,3 km

b)

7,5 km

c)

10,5 km

d)

27 km

27.

In figuur 10 zie je een afstand‑tijddiagram. Wat voor beweging is dit? Kies de juiste letter.

a)

een eenparige beweging

b)

een versnelde beweging

c)

een vertraagde beweging