NEW
Font size
WorksheetsNASK hoofdstuk 3 - water
Total questions: 59
Worksheet time: 30mins
Stoffen kunnen voorkomen in drie fasen:
vast, vloeibaar, dampend
vast, vloeistof, gas
hard, zacht, gas
vloeibaar, hard, heet
Moleculen bestaan uit:
protonen
atomen
cellen
metalen
Het deeltjesmodel gaat ervan uit dat stoffen bestaan uit:
atomen die stil staan
moleculen die bewegen
vloeistoffen die koken
gassen die bevriezen
In een vaste stof bewegen moleculen vooral door:
rond te vliegen
te trillen rond een vaste plaats
langs elkaar heen te glijden
te verdwijnen
Een vaste stof heeft:
geen vaste vorm, wel vast volume
vaste vorm en vast volume
geen vaste vorm en geen vast volume
vaste vorm maar geen vast volume
In een vloeistof bewegen moleculen:
alleen omhoog
in alle richtingen langs elkaar
helemaal niet
los door de ruimte
Een vloeistof heeft:
vast volume en geen eigen vorm
eigen vorm en geen vast volume
geen volume en geen vorm
eigen vorm en vast volume
In een gas bewegen moleculen:
op vaste plekken
langs elkaar, dicht op elkaar
los van elkaar door de ruimte
alleen aan het oppervlak
Een gas heeft:
vast volume, geen eigen vorm
geen vast volume en geen eigen vorm
vaste vorm, geen eigen vorm
vaste vorm en vast volume
Stoom is:
zichtbare waterdruppels
hete waterdamp (gas)
ijs in kleine stukjes
koude lucht
Waarom kun je stoom niet zien?
omdat het vloeibaar is
omdat het een gas is
omdat het zout bevat
omdat het vast is
Aantrekkingskracht tussen moleculen van dezelfde stof heet:
adhesie
cohesie
ijken
sensor
Aantrekkingskracht tussen moleculen van verschillende stoffen heet:
adhesie
cohesie
smelten
meetbereik
Bij veel vaste stoffen zijn moleculen regelmatig gestapeld. Dat heet een:
meetbereik
kristalrooster
kooktraject
stijgbuis
Stoffen die uit kristallen bestaan heten:
digitale stoffen
kristallijne stoffen
gasstoffen
meetstoffen
Een kristalstructuur is:
willekeurige structuur van gassen
kenmerkende regelmatige structuur van veel vaste stoffen
de schaalverdeling op een thermometer
het kookpunt van water
Een atoom is:
bouwsteen van een molecuul
bouwsteen van een gasbel
een thermometerdeel
een fase-overgang
Een fase is:
de temperatuur van water
de toestand waarin een stof zich bevindt
een meetinstrument
een soort kristal
Temperatuur meet je met een:
barometer
thermometer
liniaal
voltmeter
Een veelgebruikte eenheid voor temperatuur is:
meter (m)
joule (J)
graden Celsius (°C)
newton (N)
Temperatuur meet je met een:
A barometer
B thermometer
C liniaal
D voltmeter
Een veelgebruikte eenheid voor temperatuur is:
A meter (m)
B joule (J)
C graden Celsius (°C)
D newton (N)
Een vloeistofthermometer bestaat uit:
A sensor en scherm
B reservoir en stijgbuis met schaalverdeling
C batterij en draad
D pomp en kraan
In een vloeistofthermometer stijgt de vloeistof als de temperatuur stijgt doordat:
A de vloeistof krimpt
B de vloeistof uitzet
C de buis korter wordt
D de lucht verdwijnt
Het meetbereik is:
A de afstand tussen moleculen
B verschil tussen hoogste en laagste meetbare temperatuur
C de grootte van de stijgbuis
D het vriespunt van water
Het maken of controleren van een schaalverdeling heet:
A rijpen
B ijken
C verdampen
D condenseren
De Celsius-schaal gebruikt vaste punten:
A -10 °C en 50 °C
B 0 °C en 100 °C
C 10 °C en 90 °C
D 4 °C en 0 °C
0 °C is de temperatuur van:
A kokend water
B smeltend ijs
C verdampend water
D stoom
100 °C is de temperatuur van:
A bevriezend water
B kokend water
C smeltend ijs
D condenserende stoom
Om luchttemperatuur betrouwbaar te meten hang je thermometers:
A in de zon tegen een muur
B 1,5 m boven de grond in een witgeschilderde weerhut met openingen
C in een gesloten kast
D op de grond naast water
Een digitale thermometer werkt met:
A een reservoir met vloeistof
B een sensor die temperatuur omzet in elektrisch signaal
C een kristalrooster
D een kooktraject
Een sensor is:
A doorzichtig pijpje
B klein stukje elektronica dat een grootheid omzet in een elektrisch signaal
C een gasbel
D een schaalverdeling
Een stijgbuis is:
A het reservoir onderaan
B doorzichtig pijpje waarin de vloeistof stijgt en daalt
C het scherm van een digitale thermometer
D het meetbereik
Het reservoir is:
A de schaalverdeling
B de ruimte onderaan gevuld met vloeistof
C de opening in een weerhut
D het vaste punt 100 °C
Bij een fase-overgang gaat een stof over van:
A warm naar koud
B de ene fase naar een andere fase
C klein naar groot
D nat naar droog
Smelten is:
A vloeibaar → vast
B vast → vloeibaar
C gas → vloeibaar
D vast → gas
Stollen / bevriezen is:
A vast → vloeibaar
B vloeibaar → vast
C gas → vast
D gas → vloeibaar
Verdampen is:
A vloeibaar → gas
B gas → vloeibaar
C vast → vloeibaar
D gas → vast
Condenseren is:
A vast → gas
B gas → vloeibaar
C vloeibaar → vast
D vast → vloeibaar
Rijpen is:
A gas → vast
B vast → gas
C vloeibaar → gas
D vloeibaar → vast
Vervluchtigen is:
A gas → vast
B vast → gas
C vloeibaar → vast
D gas → vloeibaar
Rijpen is:
gas → vast
vast → gas
vloeibaar → gas
vloeibaar → vast
Vervluchtigen is:
gas → vast
vast → gas
vloeibaar → vast
gas → vloeibaar
Als je een vaste stof verwarmt, gaan moleculen harder trillen en de afstand wordt groter. Daardoor kan de stof:
condenseren
smelten
rijpen
ijken
Moleculen in een vloeistof kunnen aan het oppervlak ontsnappen en worden gas. Dit heet:
stollen
verdampen
rijpen
kristalliseren
Water is bijzonder tussen 4 °C en 0 °C omdat het dan:
krimpt zoals de meeste stoffen
juist uitzet
kookt
verdampt sneller
Bij bevriezen zet water verder uit door:
meetbereik
bijzondere kristalstructuur van ijs
de sensor
stijgbuiswerking
In ijs is de gemiddelde afstand tussen moleculen:
kleiner dan in water
groter dan in water
gelijk aan in water
nul
Als water kookt, bereiken dampbellen die overal ontstaan het:
bodemvlak
wateroppervlak
vriespunt
kristalrooster
Tijdens het koken blijft de temperatuur:
stijgen
dalen
constant
eerst dalen dan stijgen
Kookpunt is:
temperatuur waarbij vaste stof smelt
temperatuur waarbij vloeistof gaat koken
temperatuur waarbij gas condenseert
temperatuur waarbij water uitzet
Smeltpunt is:
temperatuur waarbij vloeistof stolt
temperatuur waarbij vaste stof smelt
temperatuur waarbij vloeistof kookt
temperatuur waarbij gas vast wordt
Bij water spreek je niet van smeltpunt maar van:
kooktraject
vriespunt
meetbereik
sensorpunt
Tijdens het smelten blijft de temperatuur:
constant
stijgen
dalen
willekeurig
Je kunt het vriespunt van water verlagen door toe te voegen:
suiker en zand
zout of antivries
olie
lucht
Een smeltdiagram is een grafiek van het temperatuurverloop:
tijdens koken
voor, tijdens en na het smelten
tijdens rijpen
tijdens meten met sensor
Een stoldiagram is een grafiek van het temperatuurverloop:
voor, tijdens en na het stollen
alleen tijdens verdampen
alleen tijdens koken
bij ijken
Mengsels van vloeistoffen hebben geen kookpunt maar een:
smeltpunt
kooktraject
meetbereik
kristalstructuur
Een kooktraject is:
één temperatuur waarbij het mengsel kookt
temperatuurgebied waarin een mengsel overgaat van vloeibaar naar gas
temperatuurgebied waarin een gas vast wordt
temperatuur van 4 °C
