wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

NASK hoofdstuk 3 - water

Total questions: 59

Worksheet time: 30mins

Name
Class
Date
1.

Stoffen kunnen voorkomen in drie fasen:

a)

vast, vloeibaar, dampend

b)

vast, vloeistof, gas

c)

hard, zacht, gas

d)

vloeibaar, hard, heet

2.

Moleculen bestaan uit:

a)

protonen

b)

atomen

c)

cellen

d)

metalen

3.

Het deeltjesmodel gaat ervan uit dat stoffen bestaan uit:

a)

atomen die stil staan

b)

moleculen die bewegen

c)

vloeistoffen die koken

d)

gassen die bevriezen

4.

In een vaste stof bewegen moleculen vooral door:

a)

rond te vliegen

b)

te trillen rond een vaste plaats

c)

langs elkaar heen te glijden

d)

te verdwijnen

5.

Een vaste stof heeft:

a)

geen vaste vorm, wel vast volume

b)

vaste vorm en vast volume

c)

geen vaste vorm en geen vast volume

d)

vaste vorm maar geen vast volume

6.

In een vloeistof bewegen moleculen:

a)

alleen omhoog

b)

in alle richtingen langs elkaar

c)

helemaal niet

d)

los door de ruimte

7.

Een vloeistof heeft:

a)

vast volume en geen eigen vorm

b)

eigen vorm en geen vast volume

c)

geen volume en geen vorm

d)

eigen vorm en vast volume

8.

In een gas bewegen moleculen:

a)

op vaste plekken

b)

langs elkaar, dicht op elkaar

c)

los van elkaar door de ruimte

d)

alleen aan het oppervlak

9.

Een gas heeft:

a)

vast volume, geen eigen vorm

b)

geen vast volume en geen eigen vorm

c)

vaste vorm, geen eigen vorm

d)

vaste vorm en vast volume

10.

Stoom is:

a)

zichtbare waterdruppels

b)

hete waterdamp (gas)

c)

ijs in kleine stukjes

d)

koude lucht

11.

Waarom kun je stoom niet zien?

a)

omdat het vloeibaar is

b)

omdat het een gas is

c)

omdat het zout bevat

d)

omdat het vast is

12.

Aantrekkingskracht tussen moleculen van dezelfde stof heet:

a)

adhesie

b)

cohesie

c)

ijken

d)

sensor

13.

Aantrekkingskracht tussen moleculen van verschillende stoffen heet:

a)

adhesie

b)

cohesie

c)

smelten

d)

meetbereik

14.

Bij veel vaste stoffen zijn moleculen regelmatig gestapeld. Dat heet een:

a)

meetbereik

b)

kristalrooster

c)

kooktraject

d)

stijgbuis

15.

Stoffen die uit kristallen bestaan heten:

a)

digitale stoffen

b)

kristallijne stoffen

c)

gasstoffen

d)

meetstoffen

16.

Een kristalstructuur is:

a)

willekeurige structuur van gassen

b)

kenmerkende regelmatige structuur van veel vaste stoffen

c)

de schaalverdeling op een thermometer

d)

het kookpunt van water

17.

Een atoom is:

a)

bouwsteen van een molecuul

b)

bouwsteen van een gasbel

c)

een thermometerdeel

d)

een fase-overgang

18.

Een fase is:

a)

de temperatuur van water

b)

de toestand waarin een stof zich bevindt

c)

een meetinstrument

d)

een soort kristal

19.

Temperatuur meet je met een:

a)

barometer

b)

thermometer

c)

liniaal

d)

voltmeter

20.

Een veelgebruikte eenheid voor temperatuur is:

a)

meter (m)

b)

joule (J)

c)

graden Celsius (°C)

d)

newton (N)

21.

Temperatuur meet je met een:

a)

A barometer

b)

B thermometer

c)

C liniaal

d)

D voltmeter

22.

Een veelgebruikte eenheid voor temperatuur is:

a)

A meter (m)

b)

B joule (J)

c)

C graden Celsius (°C)

d)

D newton (N)

23.

Een vloeistofthermometer bestaat uit:

a)

A sensor en scherm

b)

B reservoir en stijgbuis met schaalverdeling

c)

C batterij en draad

d)

D pomp en kraan

24.

In een vloeistofthermometer stijgt de vloeistof als de temperatuur stijgt doordat:

a)

A de vloeistof krimpt

b)

B de vloeistof uitzet

c)

C de buis korter wordt

d)

D de lucht verdwijnt

25.

Het meetbereik is:

a)

A de afstand tussen moleculen

b)

B verschil tussen hoogste en laagste meetbare temperatuur

c)

C de grootte van de stijgbuis

d)

D het vriespunt van water

26.

Het maken of controleren van een schaalverdeling heet:

a)

A rijpen

b)

B ijken

c)

C verdampen

d)

D condenseren

27.

De Celsius-schaal gebruikt vaste punten:

a)

A -10 °C en 50 °C

b)

B 0 °C en 100 °C

c)

C 10 °C en 90 °C

d)

D 4 °C en 0 °C

28.

0 °C is de temperatuur van:

a)

A kokend water

b)

B smeltend ijs

c)

C verdampend water

d)

D stoom

29.

100 °C is de temperatuur van:

a)

A bevriezend water

b)

B kokend water

c)

C smeltend ijs

d)

D condenserende stoom

30.

Om luchttemperatuur betrouwbaar te meten hang je thermometers:

a)

A in de zon tegen een muur

b)

B 1,5 m boven de grond in een witgeschilderde weerhut met openingen

c)

C in een gesloten kast

d)

D op de grond naast water

31.

Een digitale thermometer werkt met:

a)

A een reservoir met vloeistof

b)

B een sensor die temperatuur omzet in elektrisch signaal

c)

C een kristalrooster

d)

D een kooktraject

32.

Een sensor is:

a)

A doorzichtig pijpje

b)

B klein stukje elektronica dat een grootheid omzet in een elektrisch signaal

c)

C een gasbel

d)

D een schaalverdeling

33.

Een stijgbuis is:

a)

A het reservoir onderaan

b)

B doorzichtig pijpje waarin de vloeistof stijgt en daalt

c)

C het scherm van een digitale thermometer

d)

D het meetbereik

34.

Het reservoir is:

a)

A de schaalverdeling

b)

B de ruimte onderaan gevuld met vloeistof

c)

C de opening in een weerhut

d)

D het vaste punt 100 °C

35.

Bij een fase-overgang gaat een stof over van:

a)

A warm naar koud

b)

B de ene fase naar een andere fase

c)

C klein naar groot

d)

D nat naar droog

36.

Smelten is:

a)

A vloeibaar → vast

b)

B vast → vloeibaar

c)

C gas → vloeibaar

d)

D vast → gas

37.

Stollen / bevriezen is:

a)

A vast → vloeibaar

b)

B vloeibaar → vast

c)

C gas → vast

d)

D gas → vloeibaar

38.

Verdampen is:

a)

A vloeibaar → gas

b)

B gas → vloeibaar

c)

C vast → vloeibaar

d)

D gas → vast

39.

Condenseren is:

a)

A vast → gas

b)

B gas → vloeibaar

c)

C vloeibaar → vast

d)

D vast → vloeibaar

40.

Rijpen is:

a)

A gas → vast

b)

B vast → gas

c)

C vloeibaar → gas

d)

D vloeibaar → vast

41.

Vervluchtigen is:

a)

A gas → vast

b)

B vast → gas

c)

C vloeibaar → vast

d)

D gas → vloeibaar

42.

Rijpen is:

a)

gas → vast

b)

vast → gas

c)

vloeibaar → gas

d)

vloeibaar → vast

43.

Vervluchtigen is:

a)

gas → vast

b)

vast → gas

c)

vloeibaar → vast

d)

gas → vloeibaar

44.

Als je een vaste stof verwarmt, gaan moleculen harder trillen en de afstand wordt groter. Daardoor kan de stof:

a)

condenseren

b)

smelten

c)

rijpen

d)

ijken

45.

Moleculen in een vloeistof kunnen aan het oppervlak ontsnappen en worden gas. Dit heet:

a)

stollen

b)

verdampen

c)

rijpen

d)

kristalliseren

46.

Water is bijzonder tussen 4 °C en 0 °C omdat het dan:

a)

krimpt zoals de meeste stoffen

b)

juist uitzet

c)

kookt

d)

verdampt sneller

47.

Bij bevriezen zet water verder uit door:

a)

meetbereik

b)

bijzondere kristalstructuur van ijs

c)

de sensor

d)

stijgbuiswerking

48.

In ijs is de gemiddelde afstand tussen moleculen:

a)

kleiner dan in water

b)

groter dan in water

c)

gelijk aan in water

d)

nul

49.

Als water kookt, bereiken dampbellen die overal ontstaan het:

a)

bodemvlak

b)

wateroppervlak

c)

vriespunt

d)

kristalrooster

50.

Tijdens het koken blijft de temperatuur:

a)

stijgen

b)

dalen

c)

constant

d)

eerst dalen dan stijgen

51.

Kookpunt is:

a)

temperatuur waarbij vaste stof smelt

b)

temperatuur waarbij vloeistof gaat koken

c)

temperatuur waarbij gas condenseert

d)

temperatuur waarbij water uitzet

52.

Smeltpunt is:

a)

temperatuur waarbij vloeistof stolt

b)

temperatuur waarbij vaste stof smelt

c)

temperatuur waarbij vloeistof kookt

d)

temperatuur waarbij gas vast wordt

53.

Bij water spreek je niet van smeltpunt maar van:

a)

kooktraject

b)

vriespunt

c)

meetbereik

d)

sensorpunt

54.

Tijdens het smelten blijft de temperatuur:

a)

constant

b)

stijgen

c)

dalen

d)

willekeurig

55.

Je kunt het vriespunt van water verlagen door toe te voegen:

a)

suiker en zand

b)

zout of antivries

c)

olie

d)

lucht

56.

Een smeltdiagram is een grafiek van het temperatuurverloop:

a)

tijdens koken

b)

voor, tijdens en na het smelten

c)

tijdens rijpen

d)

tijdens meten met sensor

57.

Een stoldiagram is een grafiek van het temperatuurverloop:

a)

voor, tijdens en na het stollen

b)

alleen tijdens verdampen

c)

alleen tijdens koken

d)

bij ijken

58.

Mengsels van vloeistoffen hebben geen kookpunt maar een:

a)

smeltpunt

b)

kooktraject

c)

meetbereik

d)

kristalstructuur

59.

Een kooktraject is:

a)

één temperatuur waarbij het mengsel kookt

b)

temperatuurgebied waarin een mengsel overgaat van vloeibaar naar gas

c)

temperatuurgebied waarin een gas vast wordt

d)

temperatuur van 4 °C