Search Header Logo
De onvoltooid verleden tijd (regelmatig)

De onvoltooid verleden tijd (regelmatig)

Assessment

Presentation

•

Other, World Languages

•

10th - 12th Grade

•

Medium

Created by

Leen Schruers

Used 15+ times

FREE Resource

33 Slides • 84 Questions

1

de verleden tijd

alles

onvoltooid tegenwoordige tijd (o.t.t.)

onvoltooid verleden tijd (o.v.t.)

voltooid tegenwoordige tijd (v.t.t.)

voltooid verleden tijd (v.v.t.)

Slide image

2

Overzicht

  • onvoltooid tegenwoordige tijd (o.t.t.)

    ik werk - jij fietst - wij dromen - ik lees

  • onvoltooid verleden tijd (o.v.t.)

    ik werkte - jij fietste - wij droomden - ik las

  • voltooid tegenwoordige tijd (v.t.t.)

    ik heb gewerkt - jij gefietst - ik heb gedroomd - ik heb gelezen

3

Slide image

4

Slide image

5

Fill in the Blank

Ik ... (zijn) fantastisch!

6

Fill in the Blank

Jij ... (zijn) leuk.

7

Fill in the Blank

Mevrouw Leen ... (zijn) onze leraar.

8

Fill in the Blank

Wij ... (zijn) gelukkig.

9

Fill in the Blank

Jullie ... (zijn) slim.

10

Fill in the Blank

Max en Leen ... (zijn) getrouwd.

11

Fill in the Blank

Ik ... (hebben) een fiets.

12

Fill in the Blank

Jij ... (hebben) een auto.

13

Fill in the Blank

... (hebben) jij een vliegtuig?

14

Fill in the Blank

Mevrouw Leen ... (hebben) een fiets.

15

Fill in the Blank

Wij ... (hebben) een Ferrari.

16

Fill in the Blank

Jullie ... (hebben) een Porsche.

17

Fill in the Blank

Max en Leen ... (hebben) een Fiat 500.

18

Multiple Choice

De jongens ... plezier!

1

zijn

2

hebben

19

Multiple Choice

Mevrouw Leen ... meestal gelukkig.

1

is

2

heeft

20

Multiple Choice

De lessen ... soms moeilijk.

1

is

2

heeft

3

zijn

4

hebben

21

Multiple Choice

We ... een herhalingstoets.

1

is

2

zijn

3

heeft

4

hebben

22

Multiple Choice

De meisjes ... leuk.

1

zijn

2

hebben

23

Slide image

24

Slide image

25

Slide image

26

Slide image

27

Slide image

28

Slide image

29

Multiple Choice

Vervoeg in de tegenwoordige tijd.

Mevrouw Leen ... (feliciteren) hem op zijn verjaardag.

1

felicetert

2

feliciteert

3

feliciteer

4

feliciteerde

30

Multiple Choice

Vervoeg in de tegenwoordige tijd.

Ze (reizen) heel graag.

1

reis

2

reizt

3

reisd

4

reist

31

Multiple Choice

Vervoeg in de tegenwoordige tijd.

Navya (verliezen) nooit een wedstrijd.

1

verlies

2

verliezt

3

verliezen

4

verliest

32

Multiple Choice

Vervoeg in de tegenwoordige tijd.

Ze (fietsen) helemaal naar huis.

1

fiets

2

fietst

3

fietste

4

fiestt

33

Multiple Choice

Vervoeg in de tegenwoordige tijd.

Shrey (beantwoorden) een vraag.

1

beantwoordt

2

beantwoorden

3

beantwoord

4

beantwoordde

34

Multiple Choice

Vervoeg in de tegenwoordige tijd.

Het vuur (branden) de hele dag.

1

branden

2

brand

3

brandt

4

brant

35

Multiple Choice

Vervoeg in de tegenwoordige tijd.

De meisjes (maken) zich op voor het feest.

1

maakten

2

maak

3

maakt

4

maken

36

Multiple Choice

Vervoeg in de tegenwoordige tijd.

(Vinden) je zus deze jurk ook zo mooi?

1

Vind

2

Vint

3

Vindt

4

Vinden

37

Multiple Choice

Vervoeg in de tegenwoordige tijd.

(Worden) je ook gek van dit huiswerk?

1

Worden

2

Wordt

3

Word

4

Wort

38

Multiple Choice

Vervoeg in de tegenwoordige tijd.

Ik (zoeken) mijn sleutels.

1

zoekt

2

zoeken

3

zocht

4

zoek

39

Multiple Choice

Vervoeg in de tegenwoordige tijd.

Els (werken) in de grote stad.

1

werk

2

werken

3

werkdt

4

werkt

40

Slide image

41

Slide image

42

Slide image

43

Multiple Choice

Welke zin staat in de voltooide tijd?

1

Ik heb de tafel gedekt.

2

Ik dekte de tafel.

3

Ik dek de tafel.

44

Multiple Choice

Welke zin staat in de voltooide tijd?

1

Gisteren zag hij zijn vriend weer.

2

Hij heeft zijn vriend weer gezien.

3

Hij ziet zijn vriend vanavond.

45

Multiple Choice

Kies het juiste voltooid deelwoord.

Heb je .... (checken) of hij ziek was?

1

gecheckd

2

gecheckt

46

Multiple Choice

Kies het juiste voltooid deelwoord.

De kat heeft mij .... (krabben)

1

gekrabt

2

gekrabd

47

Multiple Choice

Kies het juiste voltooid deelwoord.

Ik had mijn oude vriend bijna niet ... (herkennen).

1

herkend

2

herkent

48

Multiple Choice

Kies het juiste voltooid deelwoord.

Arthur heeft zijn broertje ... (duwen).

1

geduwt

2

geduwd

49

Multiple Choice

Kies het juiste voltooid deelwoord.

Hij heeft mijn telefoon ... (lenen).

1

geleend

2

geleent

50

Multiple Choice

Kies het juiste voltooid deelwoord.

Heb jij mij ooit ... (geloven)?

1

geloofd

2

gelooft

51

Multiple Choice

Kies het juiste voltooid deelwoord.

Hij heeft al zijn spullen al ... (pakken).

1

gepakd

2

gepakt

52

Multiple Choice

Wat is het voltooid deelwoord van 'werken'?

1

gewerken

2

gewerkt

3

gewerkd

53

Multiple Choice

Wat is het voltooid deelwoord van 'poetsen'?

1

gepoetst

2

gepoetsen

3

gepoetsd

54

Multiple Choice

Vervoeg in de voltooid tegenwoordige tijd.

De mama heeft de cadeautjes ... (inpakken) met prachtig inpakpapier.

1

pakten ... in

2

pakte ... in

3

ingepakt

4

geinpakt

55

Multiple Choice

Vervoeg in de voltooid tegenwoordige tijd.

De stagiair is met zijn stage ... (stoppen).

1

gestopt

2

gestopd

56

Multiple Choice

Vervoeg in de voltooid tegenwoordige tijd.

Ze heeft het antwoord op haar vraag ... (googelen)

1

googelt

2

gegoogeld

3

gegogelt

4

gegoogelen

57

Multiple Choice

Vervoeg in de voltooid tegenwoordige tijd.

De school wordt na een lange tijd ... (openen).

1

opent

2

open

3

geopend

4

opende

58

Multiple Choice

Vervoeg in de voltooid tegenwoordige tijd.

Mevrouw Schruers heeft een stapel examens ... (maken).

1

gemaakt

2

gemaakd

3

gemakt

4

gemakd

59

Multiple Select

Welke voltooid deelwoorden eindigen op d?

1

dansen

2

luisteren

3

spelen

4

wonen

5

zwaaien

60

Multiple Select

Welke voltooid deelwoorden eindigen op t?

1

roepen

2

kloppen

3

proeven

4

juichen

5

zeggen

61

Slide image

62

Multiple Choice

Kies het juiste hulpwerkwoord.

Tijdens de vakantie ... mevrouw Schruers veel gegeten.

1

heb

2

heeft

3

ben

4

is

63

Multiple Choice

Kies het juiste hulpwerkwoord.

Ze ... door al dat eten verdikt.

1

hebt

2

heeft

3

bent

4

is

64

Fill in the Blank

Vul in in de voltooid tegenwoordige tijd.

De hond ... (heeft/is) tegen de boom ... (plassen).

65

Fill in the Blank

Vul in in de voltooid tegenwoordige tijd.

De baby ... (heeft/is) snel ... (groeien).

66

Fill in the Blank

Vul in in de voltooid tegenwoordige tijd.

Ik ... (heb/ben) snel naar huis ... (fietsen).

67

Fill in the Blank

Vul in in de voltooid tegenwoordige tijd.

... (Heb/Ben) jij een taart ... (maken)?

68

Fill in the Blank

Vul in in de voltooid tegenwoordige tijd.

... de jongen naar het zwembad ... (fietsen)?

69

Slide image

70

Slide image

71

Slide image

72

Multiple Choice

Kies het juiste voltooid deelwoord.

Mevrouw Schruers heeft een stapel examens ... (verbranden).

1

verbrand

2

verbrandt

3

verbrandd

4

geverbrand

73

Multiple Choice

Kies het juiste voltooid deelwoord.

De leerlingen hebben een leuke middag ... (beleven).

1

gebeleeft

2

beleefd

3

beleefte

4

beleefde

74

Multiple Choice

Kies het juiste voltooid deelwoord.

De school wordt na een lange tijd ... (verbouwen).

1

verbouwt

2

verbouwte

3

verbouwd

4

verbouwde

75

Slide image

76

Multiple Choice

Wat is het voltooid deelwoord van kunnen?

1

gekon

2

gekund

3

kon

4

gekan

77

Fill in the Blank

Schrijf het voltooid deelwoord.

Had ik dat maar ... (weten)!

78

Fill in the Blank

Vul in in de voltooid tegenwoordige tijd.

Deze morgen heb ik ... (ontbijten).

79

Multiple Select

Wat betekent dit werkwoord?

schrikken

1

to startle

2

to jump

3

to seem

4

to write

80

Fill in the Blank

Vul het voltooid deelwoord in.

De kok heeft de groenten goed ... (snijden).

81

Fill in the Blank

Vul in in de voltooid tegenwoordige tijd.

Een dief ... mevrouw Schruers portefeuille ... (stelen).

82

Fill in the Blank

Vul in in de voltooid tegenwoordige tijd.

Voor de sportles hebben ze hun sportschoenen ... (aantrekken).

83

Multiple Select

Welk werkwoord is regelmatig in de verleden tijd?

Which verb is regular in the past tense?

1

vliegen

2

verdwijnen

3

wijzen

4

maken

84

Fill in the Blank

Vul in in de voltooid tegenwoordige tijd.

Hij ... een vraag ... (vragen).

85

Multiple Choice

Wat betekent dit werkwoord?

worden

1

to be

2

to have

3

to become

4

to love

86

Fill in the Blank

Vul in in de voltooid tegenwoordige tijd.

Joepie! Ik ... ... (winnen)!

87

Multiple Choice

Wat betekent dit werkwoord?

zien

1

to watch

2

to see

3

to sit

4

to ask

88

Fill in the Blank

Vul in in de voltooid tegenwoordige tijd.

Hij ... naar Engeland ... (zwemmen).

89

Multiple Choice

kies de juiste voltooid tegenwoordige tijd.

Ik .....

1

had genezen

2

ben genezen

3

genees

4

genas

90

Fill in the Blank

Vul in in de voltooid tegenwoordige tijd.

Als kind ... hij graag ... (zwemmen).

91

Fill in the Blank

Vul het voltooid deelwoord in.

De les is ... (beginnen).

92

Slide image

93

Slide image

94

Slide image

95

Fill in the Blank

Vervoeg in de onvoltooid verleden tijd.

Je ... (verbeteren) bij het vorige lesje ook je fouten.

96

Fill in the Blank

Vervoeg in de onvoltooid verleden tijd.

De schoonmaakster ... (schrobben) het toilet.

97

Fill in the Blank

Vervoeg in de onvoltooid verleden tijd.

De leraren (beantwoorden) mijn brieven niet.

98

Multiple Choice

Kies de juiste zin in de onvoltooid verleden tijd.

1

Heet leidde me van het werk af.

2

Heet afleidde me van het werk.

3

Heet leide me van het werk af.

4

Heet afleide me van het werk.

99

Fill in the Blank

Vervoeg in de onvoltooid verleden tijd.

Jullie (braden) die kippen veel te lang.

100

Fill in the Blank

Vervoeg in de onvoltooid verleden tijd.

Na de les (melden) zich wel tien leerlingen.

101

Fill in the Blank

Vervoeg in de onvoltooid verleden tijd.

De leerlingen ... (werken) heel hard.

102

Fill in the Blank

Vervoeg in de onvoltooid verleden tijd.

Ze ... (verdienen) allemaal een pluim!

103

Slide image

104

Slide image

105

Slide image

106

Slide image

107

Slide image

108

Slide image


109

Slide image

110

Slide image

111

Multiple Choice

Karel ... vroeger in Brussel . Daarom kent hij die stad goed.

1

Karel woonde vroeger in Brussel. Daarom kent hij de stad goed.

2

Karel heeft vroeger in Brussel gewoond. Daarom kent hij die stad goed.

112

Slide image

Because he used to live there, he know the city. Him living there resulted in that.

113

Multiple Choice

Karel ... vroeger in Londen. Hij ... daar een goede baan en een leuk huis.

1

Karel woonde vroeger in Londen. Hij had daar een goede baan en een leuk huis.

2

Karel heeft vroeger vroeger in Londen gewoond. Hij heeft daar een goede baan en een leuk huis gehad.

114

Slide image

Een beschrijving!

A description of where he used to live. 'A description' does not mean it isn't a fact. It could be, but he's describing.

115

Multiple Choice

Mijn oma kwam vroeger elke vrijdag op bezoek.

1

d

2

Mijn oma kwam vroeger elke vrijdag op bezoek.

116

Slide image

Grandma came to visit every Friday. It happened on a regular basis.

117

Slide image

de verleden tijd

alles

onvoltooid tegenwoordige tijd (o.t.t.)

onvoltooid verleden tijd (o.v.t.)

voltooid tegenwoordige tijd (v.t.t.)

voltooid verleden tijd (v.v.t.)

Slide image

Show answer

Auto Play

Slide 1 / 117

SLIDE