Search Header Logo
h11 (htr 10) deel 1 manoeuvre

h11 (htr 10) deel 1 manoeuvre

Assessment

Presentation

Professional Development

Professional Development

Practice Problem

Easy

Created by

Tine Smet

Used 14+ times

FREE Resource

1 Slide • 21 Questions

1

h11 deel 1 manoeuvre

media

2

Multiple Choice

Question image

Je rijdt achter een trage bestelwagen.

Jij wil die inhalen langs links.

Je zet je richtingaanwijzer aan.

1

Jij hebt voorrang.

Het verkeer op de rijstrook links van jou

moet jou voorrang geven.

2

Jij moet voorrang geven.

3

Multiple Choice

Question image

Je bent de zwarte auto.

Je wil straks aan het kruispunt linksaf slaan.

Je moet veranderen van rijstrook!

Je moet 2 rijstroken naar links.

Je zet je richtingaanwijzer aan.

1

Jij hebt voorrang.

Het verkeer op de rijstrook links van jou

moet jou voorrang geven.

2

Jij moet voorrang geven.

Je moet wachten tot er plaats is en dan mag je

2 rijstroken opschuiven.

4

Multiple Choice

Question image

Je vertrekt vanuit een parkeervak.

Er rijdt een auto op de rijbaan.

Wie mag nu eerst, wie heeft voorrang?

1

de auto die op de rijbaan rijdt

2

Ik,

ik mag nu meteen uit het parkeervak beginnen rijden op de rijbaan

5

Multiple Choice

Question image

Heb je (A) voorrang?

Je vertrekt vanuit een parkeervak.

1

ja, jij mag direct vertrekken.

2

nee, je geeft voorrang aan het verkeer op de rijbaan (B).

6

Multiple Choice

Question image

Je vertrekt vanuit een parkeervak.

MOET je je richtingaanwijzer aanzetten?

1

ja, altijd

2

nee, dat mag maar moet niet

7

Multiple Choice

Question image

Ik verlaat een parkeerplaats.

1

Ik heb voorrang

2

De voertuigen op de rijbaan hebben voorrang.

8

Multiple Choice

Question image

Je vertrekt vanuit een parking van de supermarkt.

Wie mag nu eerst?

1

Ik,

ik rijd heel snel om voor de gele auto op de rijbaan te zijn

2

De gele auto

die al op de rijbaan is.

9

Multiple Choice

Question image

Heb je voorrang?

Je vertrekt vanuit de parking van een winkel of jouw oprit

1

ja, jij mag direct vertrekken.

2

nee, je geeft voorrang aan het verkeer op de rijbaan.

10

Multiple Choice

Question image

Je vertrekt vanuit de oprit voor jouw huis (of dat van een vriend).

Wie mag nu eerst?

1

Ik,

ik rijd heel snel om voor de gele auto op de rijbaan te zijn

2

De gele auto

die al op de rijbaan is.

11

Multiple Choice

Question image

Jij (de gele auto)

dwarst de straat

om links af te slaan

Heb je voorrang?

1

ja, jij mag direct vertrekken.

De andere auto's links en rechts op de rijbaan moeten jou voorrang geven

2

nee, je geeft voorrang aan het verkeer op de rijbaan.

(misschien moet je even wachten tussen de 2 rijstroken)

12

Multiple Choice

Question image

Jij bent te ver gereden.

Je keert je midden in een straat.

Er komt een tegenligger.

Heb je voorrang?

1

ja, jij mag beginnen keren.

De andere auto moet even wachten,

hij moet jou voorrang geven.

2

nee,

jij wacht tot er geen tegenligger is.

je geeft voorrang aan het verkeer in de andere richting

13

Multiple Choice

Question image

Jij start op de autosnelweg.

Je bent op de invoegstrook.

Heb je voorrang?

1

ja,

de andere auto's moeten vertragen

en jou er tussen laten.

2

nee,

jij vertraagt en kijkt goed tot er plaats is om tussen te rijden.

(auto's op de autosnelweg mogen hoffelijk zijn en vertragen of even naar de linker rijstrook gaan)

14

Multiple Choice

Question image

Heb je voorrang?

Autosnelweg.

Jij bent op de oprit en begint op de autosnelweg te rijden.

1

ja, jij mag direct vertrekken.

2

nee, je geeft voorrang aan het verkeer op de autosnelweg.

15

Multiple Choice

Question image

Autosnelweg.

Jij bent op de oprit en begint op de autosnelweg te rijden.

Auto B rijdt even links omdat hij een andere auto heeft ingehaald.

1

auto B MOET links blijven rijden om A op de autosnelweg te laten komen.

2

het is sympathiek maar moet niet. Auto B MAG ook direct rechts rijden, dat moet A wat langer wachten.

16

Multiple Choice

Question image

Het fietspad stopt.

De fietser doet iets gevaarlijks,

hij begint te rijden op de rijbaan.

Er komt net een auto aan op de rijbaan.

Wie heeft voorrang?

1

de auto

2

de fiets heeft voorrang

17

Multiple Choice

Question image

Gewone weg

Rijstrookvermindering langs links.

Er is veel verkeer. (vertraagd verkeer)

Wie heeft voorrang?

1

de eerste bestuurder op de rijbaan die verder gaat

2

de eerste bestuurder op de rijbaan die stopt

dus de linkse rijstrook

(je moet ritsen)

3

de eerste bestuurder op de rijbaan die stopt

dus de rechtse rijstrook

(je moet ritsen)

18

Multiple Choice

Question image

Gewone weg.

Rijstrookvermindering langs rechts.

Er is veel verkeer. (vertraagd verkeer)

Wie heeft voorrang?

1

de eerste bestuurder op de rijbaan die stopt

2

de eerste bestuurder op de rijbaan die stopt

dus de linkse rijstrook

(je moet ritsen)

3

de eerste bestuurder op de rijbaan die stopt

dus de rechtse rijstrook

(je moet ritsen)

19

Multiple Choice

Question image

Gewone weg.

Rijstrookvermindering langs 2 kanten (links en rechts).

Er is veel verkeer. (vertraagd verkeer)

Wie heeft voorrang?

1

links - rechts - midden

2

rechts - links - midden

3

links-midden-rechts

20

Multiple Choice

Question image

Weinig verkeer.

Wie heeft voorrang?

1

blauwe auto A,

verplicht ritsen

2

rode auto B

21

Multiple Choice

Question image

Binnen de bebouwde kom.

Een bus van De Lijn vertrekt aan een bushalte.

Wie heeft voorrang?

1

de bus

2

het andere verkeer

22

Multiple Choice

Question image

Buiten de bebouwde kom.

Een bus van De Lijn vertrekt aan een bushalte.

Wie heeft voorrang?

1

de bus

2

het andere verkeer

h11 deel 1 manoeuvre

media

Show answer

Auto Play

Slide 1 / 22

SLIDE