Search Header Logo
Uitleg werkwoorden in de verleden tijd

Uitleg werkwoorden in de verleden tijd

Assessment

Presentation

World Languages

10th Grade

Hard

Created by

Amina Frowijn

FREE Resource

9 Slides • 0 Questions

1

Uitleg werkwoorden

in de

verleden tijd

2

"Vaste werkwoorden"

Er zijn werkwoorden die zich niet aan de regels van de vervoegingen in de verleden tijd houden.

In hoofdstuk 1 zijn dat; sein, haben en werden

Bij deze werkwoorden moet je de vervoegingen uit je hoofd leren.​

3

​Haben en sein

Ich war

Du warst

Er/sie/es​ war

Wir waren

Ihr wart

Sie/sie waren​

Sein

Ich hatte

Du hattest

Er/sie/es hatte

Wir hatten

Ihr hattet

Sie/sie hatten​

Haben

4

​Werden

Ich wurde

Du wurdest

Er/sie/es wurde

Wir wurden

Ihr wurdet

Sie/sie wurden​

Werden

5

Zwakke werkwoorden

Van de zwakke werkwoorden in de verleden tijd blijft de stam hetzelfde.

De stam van een werkwoord vind je door er -en af te halen.

Bijvoorbeeld:

Spielen = Spiel-en -> Spielen

Spiel is de stam van spielen.

6

Zwakke werkwoorden

Achter de stam van een werkwoord zet je bepaalde uitgangen.

Bijvoorbeeld bij 'Ich' hoort de uitgang -te.

​Dan doe je: spiel + te, dat wordt spielte.

Op de volgende slide staan alle uitgangen.​

7

Uitgangen zwakke werkwoorden

ich: -te ​-> spielte

du: -test -> spieltest

er/sie/es: -te -> spielte

wir: -ten -> spielten

ihr: -tet -> spieltet

sie/Sie: -ten -> spielten

8

Maar!​

Er zijn ook uitzonderingen. Namelijk:

Als de stam van een werkwoord eindigt op een -d of een -t, dan komt er een extra -e bij de uitgang.

​Bijvoorbeeld: Reden -> de stam is red (eindigt op een d), de ich-vorm wordt redete.

Op de volgende slide staan​ de uitgangen met een extra -e.

9

Uitgangen zwakke werkwoorden met een extra -e

​ich: -ete ​-> redete

du: -etest -> redetest

er/sie/es: -ete -> redete

wir: -eten -> redeten

ihr: -etet -> redetet

sie/Sie: -eten -> redeten​

Uitleg werkwoorden

in de

verleden tijd

Show answer

Auto Play

Slide 1 / 9

SLIDE